Een exodusverhaal
Goede Vrijdag (Johannes 18,1–19,42)
Er zal niet veel gepreekt worden op Goede Vrijdag. Traditioneel worden Johannes 18 en 19 gelezen, vaak onderbroken door het zingen van Psalm 22. De synoptische evangeliën blijven meestal buiten beeld. Maar het loont de moeite daar ook eens naar te kijken om zo het eigene van Johannes scherper te zien.
Gevangenneming
De NBG-vertaling 1951 geeft bij Johannes 18,1-7, net als bij de synoptici, als opschrift: ‘De gevangenneming.’ In deze passage vinden we twee typisch johanneïsche elementen. Het eerste is dat van Jezus gezegd wordt dat Hij alles wist (Gr.: eidoos, ‘wetend’) wat gebeuren zou (vs. 4). Dat hebben de andere drie evangeliën niet. Vervolgens lezen we in de verzen 5, 6 en 8 driemaal het egoo eimi: ‘Ik ben (het).’ Zeven keer eerder in het evangelie klinkt dit eveneens typisch johanneïsche ‘Ik ben’-woord; nu, bij zijn gevangenneming, klinkt het opnieuw, driemaal zelfs. Maar deze keer is het anders, er staat alleen maar ‘Ik ben (het)’. Het klinkt in mijn oren als een samenvatting: Ik, Jezus, ben dat allemaal.
De zeven eerdere ‘Ik ben’-woorden worden in dit laatste als het ware samengevat. Bij Johannes ontbreken ook elementen die we wel bij de synoptici vinden. Zo vind je de verraderskus niet bij Johannes.
De jongeman die bij Marcus naakt wegvlucht, is bij de andere evangelisten uit het oog verdwenen. Bij Marcus zelf zien we hem nog terug in het lege graf, met wit gewaad. Bij Matteüs is de engel die in kleren wit als sneeuw de steen wegwentelt toch iemand anders, terwijl we bij Lucas in het graf twee mannen tegenkomen met blinkend wit gewaad. Maar bij Johannes zijn er in het graf alleen nog maar windsels over, vermoedelijk ook wel wit, maar verder is er geen mens te zien.
Een opvallend element is ten slotte de vervulling der Schriften. Die vind je niet bij Johannes en evenmin bij Lucas, wel bij Marcus en bij Matteüs. Schriftgetuigen zijn er ook niet echt te vinden. Bij Marcus vinden we in de marge een verwijzing naar Jesaja 53, maar dat is het dan ook. Waar het bij Johannes om gaat is het woord ‘wetend’ in vers 4. Dit woord vind je ook in Johannes 13,1.3 en 19,28. Jezus wist ‘dat zijn ure gekomen was’ en ‘dat zijn Vader Hem alles in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging’. Dit weten betreft niet de vervulling der Schriften. Dit is een ander weten. Dit weten omlijst als het ware de hoofdstukken 13–19. Het begint met weten dat het uur gekomen is en het eindigt met weten dat alles volbracht was.
Een bange bestuurder
In het vervolg – Johannes 18,12 tot 19,16 – lezen we dat Jezus gevankelijk eerst voor Annas en dan voor de hogepriester Kajafas wordt gebracht. Petrus drukt ondertussen zijn snor. Beide gebeurtenissen worden door Johannes tot één geheel vervlochten. Het is bij Johannes een volledig Joodse, Judeese, aangelegenheid. Kajafas spreekt hier voor de tweede maal de bekendewoorden: ‘Het is nuttig dat één mens sterft ten behoeve van het volk.’ De eerste keer dat hij dit zegt is in Johannes 11,49-50. Op geen van beide plaatsen wordt het sterven van Jezus opgevat als een sterven voor onze zonden. Kajafas heeft het welzijn van het volk op het oog. Te veel aanhang voor Jezus levert onaanvaardbare dreiging van de kant van de Romeinen op. Jezus moet daarom uit de weg worden geruimd.
Er worden aanklachten gefabriceerd, zoals dat gaat: Hij zou, volgens Lucas, gezegd hebben dat Hij de gezalfde was of de Zoon van God, of, bij Johannes, de Koning der Joden. Maar dan zijn we al wat verder in de tekst en is Jezus voor Pilatus geleid. Deze heeft er echter geen trek in om betrokken te worden bij een binnen-Joodse ruzie.
Lucas behandelt het verraad van Petrus en het verhoor van Jezus apart. Hij besteedt meer aandacht aan de beschuldigingen die door het volk tegen Jezus worden ingebracht. Bovendien laat Lucas Hem heen en weer gaan tussen Pilatus en Herodes. Over Herodes lezen we bij Johannes niets. Bij Marcus en Matteüs is de loochening door Petrus ook een op zichzelf staande passage. Alleen bij Matteüs lezen we dat Pilatus zijn handen ervan aftrekt en die in onschuld wast. Het is duidelijk: voor Pilatus had het allemaal niet gehoeven, maar hij wijkt voor de volkswoede. Bestuurders zijn immers vooral bezorgd om de openbare orde. Johannes legt hierop de nadruk. Een religieus conflict binnen de Joodse gemeenschap wordt gepolitiseerd. Pilatus, bang geworden, ziet geen andere oplossing dan het volk zijn zin te geven.
Bij bange bestuurders gaat het altijd van kwaad tot erger. Pilatus mag dan bij Matteüs zijn handen in onschuld wassen, uiteindelijk is hij toch verantwoordelijk voor wat er gebeurt. Alle evangeliën zijn daar duidelijk over. Maar bij Johannes vinden we dan ook de raadselachtige uitspraak van Pilatus: ‘Zie de mens’, waarbij hij wijst op Jezus met purperen mantel en doornenkroon.
Hoe is dat te verstaan? Is het zoiets als ‘Daar heb je Hem dan’? Of gaat het dieper en moet je eerder denken aan de gestalte van de lijdende knecht bij Jesaja? Maar dat uit de mond van Pilatus? Hij weet niet wat voor vlees hij in de kuip heeft met deze Jezus. Bij Johannes speelt het Pascha een grote rol. Bij de synoptici is dat niet het geval, die spreken er alleen over dat het de gewoonte was om bij élk feest een gevangene vrij te laten, bij Johannes gaat het niet over zomaar een feest, maar over het Pascha. Dat begint al bij hoofdstuk 13 en we zien het ook in 19,13. Jezus is bij hem het paaslam dat geslacht wordt opdat het volk vrijuit kan gaan. Een exodusverhaal.
Deze exegese is opgesteld door Jaap Goorhuis.