Menu

Basis

En ook gezelligheid

Wandelaar met wandelstok

Schuchter en wat nerveus maakte ik mijn entree in mijn eerste gemeente. Begonnen als jeugdpastor in een grote wijk ontdekte ik dat ik nu moest leren multitasken. Naast een ervaren collega begon ik met een duidelijk afgebakende taak. Maar wat stond mij in dat andere stadsdeel te wachten?

Er klonken geen Bachcantates. Er was wel een doedelzakgroep, een accordeonorkest en wekelijks repeteerde in het wijkgebouw een mandolineorkest. Mijn moeder noemde dat ‘de zoemende bijen’. De wijkvereniging, waarvoor de pastoor ooit het initiatief nam, was in marxistisch vaarwater beland. Kerk en geloof werden buiten de deur gehouden.

Ook de Kruisvereniging, die ik benaderde over een gezamenlijke ‘rouwgroep’, had weinig vertrouwen in samenwerken met lieden van de kerk. Toen er een Stadsdeel gevormd werd, ontdekte ik dat wij als kerken, samen met de islamitische en hindoeïstische wijkbewoners, als minderheden te boek stonden. Het Leger des Heils had zijn biezen gepakt en de lutherse kapel was getransformeerd tot moskee.

Wekelijks vergaderden de Amsterdamse collega’s in de Waalse Kerk. Oudere collega’s memoreerden spijtig dat deze vergadering in het verleden weleens een brief naar ‘Den Haag’ stuurde. Die grote broek paste de slinkende kerk niet meer.

Mijn wijkpredikant, ook mentor tijdens de theologiestudie, gaf mij goede raad mee. Laat je niet tutoyeren,’ zei hij. ‘Als dominee moet je een zekere afstand bewaren.’ Argeloos merkte ik op dat het wel een beetje gezellig mag toegaan in de kerk.

Ik lees in het Nieuwe Testament ook niets over jeugdkoren of cantatediensten

Zo had ik als jongerenwerker catechisatie gegeven, onder het genot van een warme maaltijd (wisselend door de kamerbewoners bereid). Iets van die sfeer: samen eten, samen op reis, de pastorie als open huis, zou dat niet een extra kunnen zijn in een wijk waar het gemeenschapsgevoel was afgebrokkeld? Wie even kon, was naar een ‘betere’ buurt verhuisd en de meeste witte ouders deden hun kinderen buiten de wijk op school. ‘Gezellig?’ zei mijn mentor. ‘Dat woord komt in het Nieuwe Testament niet voor.’ ‘Dat is dan jammer voor het Nieuwe Testament,’ zei ik. ‘Maar ik lees daarin ook niets over jeugdkoren of cantatediensten.’

Als acrobaat

Enkele jaren daarvoor had ik in zijn gemeente het initiatief genomen voor een jeugdkoor, begeleid door elektrische gitaren en een drumstel. Bij mijn intrededienst had de ouderling van dienst de drummer gesommeerd het liturgisch centrum – mét het ketelinstrument – te verlaten. Dat ging mij door de ziel en ik vroeg mij even af of ik hier wel dominee wilde zijn. Je hoort gemeenteleden nog weleens klagen dat ze zich moeten aanpassen aan wat dominees en liturgiecommissies uitbroeden. Maar dominee zijn, dat vraagt minstens zoveel uithoudingsvermogen en vergevingsgezindheid.

Enerzijds ijveren voor een verzorgde liturgie en tegelijk geen drempels opwerpen én het gesprek met elkaar blijven aangaan. De dominee als acrobaat. Een hartelijk welkom bij de deur voor nieuwkomers graag, maar ook zorgen dat gasten zich tijdens en na de dienst thuis voelen. Want de Stadsdeelbestuurders hadden gelijk: we zijn een minderheid. Er moet goede pr zijn, oog voor elkaar, en ’s zondags en door de week liefst ook gezelligheid.

Rob van Essen is emeritus predikant, publicist en vrijwilliger in de Protestantse Gemeente van Delft.


Koers houden
Woord & Dienst 2024, nr. 4

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken