Gerards Theologische Testament
Aan de hand van 1 Koningen 19:9-21
Op de valreep van de dood (ik ben op het moment dat ik dit schrijf ongeneeslijk ziek) sta ik nog een keer stil bij een bijbeltekst die mij heeft geraakt en die ook gezien kan worden als mijn kleine theologische testament als het gaat over de mens en over God. Lang geleden heb ik al eens over deze tekst gepreekt en ook in Schrift schreef ik er eerder al over (nr 233 [2007], blz.180).
Ik studeerde theologie, deed dat heel kritisch, en tot mijn eigen verbazing werd ik niet alleen door mijn studie, maar ook door het bijbellezen zelf nog kritischer. Uiteindelijk, na al te veel boeken, bleef er maar één inzicht over: Je kunt niet analytisch of logisch over God denken. Zelfs niet ontologisch. De vraag of God bestaat of niet is daarom volkomen zinloos. Toen Ricky Gervais ooit gevraagd werd: bestaat God, toen antwoordde hij: Welke God? Als dat niet duidelijk is, dan lost de vraag naar zijn bestaan ook niks op. Over de bijbelse God kun je alleen spreken in beelden, verhalen of gelijkenissen, en dat kan onverwacht redelijk zijn. Je hoeft er je verstand niet voor aan de kapstok te hangen. Dat zien we terug in het verhaal van de profeet Elia op de berg Horeb.
Bij het verhaal van Elia is het mogelijk je af te vragen: ‘Wat is een mensenleven?’ En: ‘Wie is God?’ Voor mij waren deze twee vragen onlosmakelijk met elkaar verbonden in mijn zoektocht naar betekenis in de oude bijbelteksten.
Twee vragen bij Elia
‘Wat is een mensenleven’? Bij Elia zien we dat een mensenleven meestal een afwisseling is van voorspoed en tegenspoed, van vreugde en verdriet en andersom. Of, om het met de Noorse schrijver Olav Duun te zeggen:
Misschien vraag je me of het mooi of moeilijk is om mens te zijn… En weet je wat ik dan antwoord? Dan antwoord ik ‘ja’. Dat het mooi én moeilijk is, dat heeft Elia meegemaakt, en ja, wie eigenlijk niet?
De tweede vraag die we bij de tekst van vandaag kunnen stellen, is de vraag ‘Wie is God?’ Kan de tekst hier licht op werpen? Dat denk ik.
Dat het mooi én moeilijk is, dat heeft Elia meegemaakt, en ja, wie eigenlijk niet?
We ontmoeten Elia na de ups en downs van zijn leven, waar hij op een punt is gekomen waarop hij een duistere kijk heeft op zijn hele bestaan. Hij is het gewoon beu. Maar dan komt hij bij de berg waar God, volgens het Oude Testament, het verbond met zijn volk begon! De berg waar hij – via Mozes – de Israëlieten de weg wees die ze moesten gaan, de weg ten leven. En nu is het juist op deze berg alsof hij zegt: “Ik ben helemaal op. God doe het zelf maar weer.”.
Elia komt dus naar deze berg, en dan is het de Eeuwige die hem vraagt: “Wat wil je hier, Elia?”. De waarheid is dat Elia daar zijn toevlucht heeft gezocht uit pure teleurstelling. Zelf meent hij dat hij als profeet zijn uiterste best heeft gedaan om de Israëlieten op het juiste spoor te krijgen, zonder succes:
“Ik heb vurige ijver getoond voor de Heer der heerscharen. Want de kinderen van Israël hebben uw verbond verlaten, zij hebben uw altaren afgebroken en uw profeten hebben zij met het zwaard gedood. Ik ben de enige die nog over is, en nu zijn ze uit op mijn leven.” (1 Koningen 19:10)
Het is opvallend dat Elia God aanspreekt als de Heer der heerscharen, de God van de ‘hemelse machten’. Hij wil blijkbaar dat God vaker laat zien hoe sterk Hij is, dat Hij de sterkste is.
Gods antwoord is verrassend: Hij zegt tegen Elia dat hij op de berg moet gaan staan, ‘voor het aangezicht van de Heer’, en dan ‘zal de Heer voorbijgaan’. Het is tekenend dat Elia helemaal niet op de berg gaat staan, maar dat hij daar schuilt in een grot. En als we lezen dat de Heer voorbij zal gaan, dan is dat typisch bijbelse taal. Als God zich openbaart, dan gaat Hij voorbij. We kunnen het ons voorstellen als we in de sneeuw zien dat er een hert voor- en voorbij is gegaan. Je kunt dat hert niet zien, je kunt hem niet vangen, je kunt hem niet filmen, en toch was hij rakelings nabij. Je staat op de plek waar hij net was. Geen twijfel mogelijk. Hoe God voorbijgaat, zullen we later zien. Eerst lezen we: ‘Vóór de Heer’ komt een grote en sterke storm die bergen splijt en rotsen breekt, maar dan lezen we: ‘De Heer was niet in de storm’. Na de storm kwam er een aardbeving, en ook daar lezen we, ‘de Heer was niet in de aardbeving’. Na de aardbeving was er vuur, maar nogmaals: ‘De Heer was niet in het vuur’.
De tekst hier benadrukt dat God, de Eeuwige, een god is van een heel andere orde dan alle andere, een fundamenteel ander type god. De Eeuwige is geen heerser van storm en vuur die op verzoek kan worden besteld. Zelfs niet als ‘Heer der heerscharen’! Hij is niet synoniem met natuurkrachten, niet verscholen achter natuurverschijnselen, niet een god die losbrandt.
Maar dan, na de brand, komt het ‘geluid van fragiele stilte’. Het geluid van stilte, het lijkt onbegrijpelijk, maar er is een duidelijke aanwezigheid. Elia ‘hoort’ en reageert: hij ‘sloeg zijn mantel over zijn gezicht’. In deze stilte heeft hij Gods aanwezigheid ervaren. Hij gaat naar buiten en staat in de opening van de grot.
Als God zich bekend maakt, dan weet de mens wie hij is, waar hij staat en waar hij naar toe moet.
Hier wordt duidelijk wat de joodse denker Franz Rosenzweig ooit bedoelde toen hij schreef: Openbaring is oriëntatie. Als God zich bekend maakt, dan weet de mens wie hij is, waar hij staat en waar hij naar toe moet.
Hier staat meer te lezen dan er geschreven is
Het is hier overigens de moeite waard om allusief te lezen. Wat is dat? Hier staat meer te lezen dan er geschreven is. Ik geloof dat dit citaat uit de Mishna komt en dat dit citaat het mooi weergeeft. Een tekst bestaat natuurlijk eerst en vooral uit de woorden die geschreven staan. Tegelijkertijd komt het nogal eens voor dat je logische gevolgtrekkingen uit de inhoud van de tekst kunt maken, zonder dat aan die gevolgtrekkingen letterlijk woorden zijn besteed. Dat is het geval in onze tekst over de openbaring aan Elia.
Want de beelden in de tekst die beschrijven wat er aan Gods verschijnen vooraf is gegaan, zijn niet willekeurig gekozen. Het staat er niet met woorden, maar uit de tekst volgt wel dat ieder verschijnsel sporen achterlaat: We zien ze bijna dagelijks op tv. Het resultaat van een storm, een aardbeving en vuur is vernietiging! God is er niet in te vinden. God presenteert zich in het ‘niets’. In het gefluister van een zacht briesje. Hij ging voorbij. Maar laat ook hij dan sporen na, net als een storm, een aardbeving, een brand? Ja, dat doet Hij, Hij laat sporen na als Hij voorbij is gegaan.
Het spoor dat God achterlaat is Elia, zijn mens. Elia, die de stilte hoorde en dienovereenkomstig handelde. Hij gaat naar buiten en gaat in de opening van de grot staan. Dat wil zeggen: Hij stelt zich beschikbaar, ‘hier ben ik’. Opnieuw worden er woorden uitgewisseld tussen Elia en de Eeuwige. Als om te benadrukken: Met deze god kan gesproken worden. Uit de woorden die gesproken worden, volgt een nieuw spoor, gegaan door Elia, die teruggaat op de weg waarop hij gekomen was. Niet de mens die uit vrees vlucht, is een levend teken van de levende God, maar de mens die zijn wegen bewandelt. ‘Ga terug’, zegt God. Elia, die nog maar kortgeleden helemaal genoeg had van het leven, doet dat. De Elia die met zijn profetie eerder al had gewezen naar een nieuwe, rechtvaardige, wereld op deze, onze aarde. Die profetie mag niet sterven.
Je kunt in de Bijbel herhaaldelijk lezen dat God steeds daar begint waar het leven onmogelijk is of lijkt
Zachte koelte
Als er in de tijd van Elia kranten waren geweest, hadden ze dan over deze openbaring kunnen berichten? Niet of nauwelijks. Aangeraakt worden door een zachte koelte – een zoete kus in de woestijn, het is geen krantenkop. Het is niets. Een cameraman zou ook teleurgesteld zeggen: dit kan niet gefilmd worden. Hier wordt trouwens ook de filosoof Martin Heidegger tegengesproken die in zijn boek ‘Wat is metafysiek’ schreef: ‘Das Nichts nichtet’. Dat is niet zo in deze tekst. Integendeel zelfs. Je kunt in de Bijbel herhaaldelijk lezen dat God steeds daar begint waar het leven onmogelijk is of lijkt.
Van God blijft alleen de mens tot wie hij heeft gesproken over als een tastbaar spoor. En dat gaat ver. Leven, dat is proberen in de voetsporen te treden van de God over wie de Bijbel verhaalt. Slagen wij daarin? Het antwoord zal dubbel zijn: ‘Soms, en soms helemaal niet’. Maar de weg zelf blijft betekenisvol. In dat licht heeft de vraag of God bestaat zoals gezegd geen enkele betekenis meer. En tegen iedereen die al te overtuigd is van zijn eigen gelijk, zou ik willen zeggen: Draag nieuwe betekenissen aan, inspireer me, schok me, maak me warm of koud, open nieuwe vensters naar nieuwe vergezichten, maar probeer me niet te overtuigen! Vraag me niet op straat of ik God of Jezus ken, om dan zelf te komen met een antwoord van nog geen vijf minuten terwijl ik nog twijfel over mijn eigen antwoord. Zeg me niet dat je de waarheid hebt, want dat geloof ik niet. Toon mij, toon ons in plaats daarvan een weg die gegaan kan worden en waarvan het gaan zelf al de moeite waard is. Zelfs voorbij de dood.
Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar. Hij is sinds het begin van Schrift betrokken geweest als redactielid, beeldredacteur en auteur.