God-met-ons: géén harde munt
Bij Jesaja 7:10-17 en Matteüs 1:18-25
Immanoe-el, God met ons. Zo luidt het teken dat de Eeuwige ongevraagd geeft aan koning Achaz – het zal de naam zijn die een jonge moeder aan haar zoon geeft. Acht eeuwen later schrijft Matteüs dat Jozef over diezelfde naam droomt, gegeven door zijn eigen aanstaande vrouw aan een kind dat niet van hemzelf is. Nog eens twintig eeuwen later staat het als randschrift te lezen op Nederlands muntgeld: God zij met ons.
Het kan raar lopen. Want het geloof en de moed waartoe het bijbelse Immanuel-teken uitnodigt, contrasteert scherp met het vertrouwen in klinkende munt en gegarandeerde waarden. Het is de moeite waard om, zo dicht bij het Kerstfeest, ons af te vragen waar het teken van God-met-ons in ons leven en samenleven zou kunnen opduiken. Mooie naam voor een project: ‘Omzien naar Immanuel’.
Deze teksten uit Jesaja en Matteüs keren om de paar jaar op ons leesrooster terug als lezingen voor de vierde adventszondag, altijd in elkaars gezelschap, en het Immanuelsteken is wat ze samenbindt. Matteüs grijpt ermee terug naar Jesaja, en sindsdien horen we de Jesajatekst als een Christusprofetie, tot ergernis van joodse schriftgeleerden. Voor ons zou de vraag niet moeten zijn of Jesaja hier naar Jezus vooruitwijst, maar wat beide situaties met elkaar gemeen hebben. Dus: hoe herhaalt zich de situatie van Jesaja 7 in die van Matteüs 1? En hoe zou ze zich in onze eigen situatie kunnen herhalen?
Crisis
Om iets van de Jesajatekst te begrijpen, moeten we ook Jesaja 7,1-9 lezen. Dan nog is het geen glasheldere tekst. Wat wél helder is: het koninkrijkje Juda, met koning Achaz in Jeruzalem, wordt belaagd door twee vijanden uit het noorden – het koninkrijk Aram onder koning Rezin en noordelijk Israël onder koning Pekach. Als de Judeeërs niet weten wat ze tegen die overmacht moeten doen, zegt Jesaja Achaz in naam van de Eeuwige dat beide vijanden zelf de ondergang tegemoet gaan – dus Achaz moet zich niet laten leiden door angst voor hun dreiging. Hoewel: de godsspraak zegt dat noordelijk Israël over 65 jaar niet meer zal bestaan, wel een erg lange termijn voor de politieke beslissingen van het moment! Achaz wordt uitgenodigd een teken van de Eeuwige te verlangen, maar weigert dat, uit onwil of vroomheid, of misschien omdat hij zich liever bij de politieke feiten houdt. Dat laatste denk ik omdat het teken dat hij dan tóch krijgt, iets is waarmee een Realpolitiker niets kan. En als ik verder lees raak ik ook de weg kwijt: wordt het een goede of een kwade tijd? Bloeit het land op of wordt het een woestenij? Alleen de jongen God-met-ons en de arme man van het land zullen leven van room en honing. Verder zullen er in plaats van wijnstokken vooral distels groeien, en in vers 17 komt zomaar de koning van Assur binnenvallen, als een verdwaald projectiel. Mijn indruk is dat het hoe dan ook crisis is, en de vraag is hoe je in de buurt komt van die jongen en die arme man die in die crisis weet hebben van het goede leven.
Zie wat er ook gebeurt
Er gebeuren dingen in en rond Juda: twee vijandige legers willen samen tegen Jeruzalem optrekken. En een jonge vrouw is in verwachting van een kind dat ze God-met-ons zal noemen. Dat kind zal het verschil tussen goed en kwaad leren door het goede en het zoete te proeven, room en honing. Nu is de vraag: waar kijk je naar als beleidsmaker, als koning? Een beleidsmaker die hoog zou opgeven van die aankomende jeugd, in plaats van koortsachtig plannen A en B gereed te maken voor de aanstaande belegering, zou in onze ogen geen knip voor de neus waard zijn. Toch lijkt Jesaja daarop aan te dringen: laat los die overlevingsdrang, stap uit het raster van de politieke feiten, zie wat er óók gebeurt. Een moeder vol verwachting, een kwetsbaar kind dat niet eens een vader lijkt te hebben, maar wel een naam vol hoop en een elementaire zin voor gezegend leven, voor room en honing. Dat is óók wat er in het land gebeurt, en misschien zou dat eens leidend moeten zijn voor de aandacht van de koning. Instituties kunnen instorten, maar God-met-ons valt niet samen met instituties.
‘Zachte krachten’
Jozef staat in de lijn van Achaz (zie Mat. 1,9). Ook hij staat voor de keuze om te handelen naar de maatschappelijke feiten en verwachtingspatronen, ofwel naar wat er onder zijn ogen maar zonder zijn toedoen en buiten zijn controle ontstaat – en waarvan alle adviseurs zouden zeggen dat hij er onmogelijk op kan bouwen. God-met-ons: dat staat niet gegrift in de harde valuta in die situaties, maar het wordt uitgeroepen over ‘zachte krachten’ die geen deel uitmaken van de actuele macht en die nog maar aan het ontstaan zijn.
Het vergt een geloofssprong, een wisseling van paradigma, die Achaz niet meemaakt en Jozef wél. Hij durft te gaan koersen op wat niet van hemzelf is en niet bij hemzelf is opgekomen, op pure belofte. God-met-ons is niet het product van een lijn van vaders, hij is (in Matteüs 1) degene die al die voorvaders, Achaz incluis, adopteert zonder er het product van te zijn. Dat is de zin van ‘maagdelijke geboorte’. En ook al wordt vaak gezegd dat die maagd in Jesaja 7 gewoon een jonge vrouw is, ook in de joodse traditie wijzen exegeten er soms op dat op kritieke momenten in de geschiedenis niet een man, maar de Eeuwige de moederschoot opent – zo staat het immers ook geschreven in Genesis, in het geval van Sara en Rachel.