Goed nieuws in contrasten
achtste zondag van de zomer (Marcus 7,24-30)
Het verhaal over de hondjes die de kruimels opeten die van tafel vallen, is hier al vaker uitgelegd.1 Het gaat over het doortastende optreden van een Syro-Fenicische. Zij neemt geen genoegen met haar afwijzing door Jezus, blijft aandringen en bereikt daarmee dat haar dochter geneest. De tegenstelling tussen de vrouw en de man, de Griekse en de Jood, de kinderen en de hondjes wordt overstegen in deze ontmoeting, die genezing en leven bewerkstelligt.
De genezing van de dochter in dit verhaal herinnert aan een eerdere genezing van een dochter, namelijk van Jaïrus (5,21- 43). De verschillen zijn opvallend. Daar was het een man met een naam en functie: Jaïrus, overste van de synagoge, dus Joods. Hier blijft de vrouw anoniem; ze wordt aangeduid als Syro-Fenicische en Griekse (‘geen Jodin’, 7,26 – NBV21). Waar Jezus op de roep om hulp van Jaïrus direct reageert en met hem meegaat, moet de Syro-Fenicische moeite doen Hem te overtuigen.
Ondanks deze verschillen is er ook een overeenkomst. Want ook de genezing van de dochter van Jaïrus verloopt niet zoals verwacht. Hoewel Jezus bereid is direct met Jaïrus mee te gaan, wordt Hij opgehouden door een andere anonieme vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt. Daardoor komt Jezus te laat om de dochter van Jaïrus te genezen. Maar zo doet Hij het nog grotere wonder door haar uit haar doodsslaap te doen opstaan. Hiermee lijkt dit verhaal op de opwekking van Lazarus in het Johannesevangelie, waar Jezus ook te laat komt om zijn vriend van zijn ziekte te genezen. En ook daar is dit talmen de aanleiding tot het grotere wonder van de opstanding.
Zowel bij de dochter van Jaïrus als bij die van de Syro-Fenicische doorbreekt Jezus grenzen: die van leven en dood, die tussen Joden en Grieken en die tussen man en vrouw. Het is opmerkelijk dat Marcus enerzijds (net als Johannes) door onverwachte gebeurtenissen of het talmen van Jezus uitdrukking geeft aan het grensoverschrijdende karakter van de genezing en redding die Jezus brengt, terwijl hij anderzijds om de haverklap aangeeft dat iets ‘direct’ (Gr.: euthus) gebeurt: elf keer in 1,10.12.18.20.21.23.28.29.30.42.43 en verder nog 31 keer, tegenover twaalf keer in alle andere boeken van het NT. Het is alsof Marcus gebruikmaakt van tegenstellingen om het uitzonderlijke karakter van Jezus’ evangelie aan te geven.
Brood ten leven
Een ander thema betreft het eten van het brood en de kruimels die van tafel vallen. Die kruimels (7,28) komen alleen nog in het parallelverhaal bij Matteüs 15,27 voor. Gegeten wordt er bij Marcus regelmatig. In discussies met de farizeeën gaat het twee keer over reinheid: Jezus eet met zondaars en tollenaars (2,16.26) en Hij staat toe dat zijn leerlingen eten zonder eerst hun handen te hebben gewassen (7,2-5). Jezus verdedigt zich door te wijzen op David, die de toonbroden at om zijn honger te stillen (2,26), en Hij wijst erop dat het slechte de mens niet van buitenaf ingaat, maar van binnenuit uitgaat (7,6-23).
In het midden van het evangelie zijn het vooral de twee brooddelingen die tekenen zijn van Jezus’ zending. Met vijf broden en twee vissen geeft hij eerst vijfduizend mensen te eten (6,30- 44). Wat later spijzigt Hij met zeven broden vierduizend mensen (8,1-9). Bij de spijziging van de vijfduizend blijven twaalf manden met brokken over, bij de tweede zeven. Waar de getallen bij de eerste spijziging kunnen duiden op de twaalf stammen van Israël met de vijf boeken van de Tora, kan het getal vier wijzen op de uithoeken van de aarde met de zeven als weergave van de dagen van de schepping tot en met de voleinding. Marcus grijpt het onbegrip van de leerlingen aan om Jezus te laten uitleggen hoe vierduizend meer kan zijn dan vijfduizend – een tegenstelling die alle logica te boven gaat!
De roeping van Israël grenst Gods volk niet van anderen af, maar zet het op weg naar een gemeenschap die alle grenzen tussen Joden en Grieken, mannen en vrouwen overstijgt. Het eten van het brood manifesteert de gemeenschap van mensen die in de naam van de God van Israël het leven met elkaar delen.
De perverse maaltijd
Tussen de verhalen over de dochter van Jaïrus en die van de Syro-Fenicische noemt Marcus nóg een dochter: de dochter van Herodias (6,22), de vrouw van wijlen Filippus die hertrouwd is met diens broer koning Herodes. Ook hier is sprake van een maaltijd; maar het is niet een eten van brood, maar een feestmaal (Gr.: deipnon, 6,21)2. De enige andere keer dat Marcus dit woord nog gebruikt, is als van hypocriete gelovigen wordt gezegd dat die graag de ereplaatsen in synagogen en bij feestmaaltijden innemen (12,39). Het optreden van de dochter van Herodias geeft aanleiding tot de pervertering van de maaltijd: geen brood om te leven, maar het hoofd van de dode Johannes de Doper.
Als Jezus dan optreedt en het volk brood te eten geeft, weet Herodes het zeker: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan’ (6,16). Het is aan de hoorder van het evangelie om te bepalen of deze woorden alleen getuigen van Herodes’ wroeging of ook van een waarheid die zelfs zíjn gewelddaad en daarmee alles wat Gods goedheid tegenspreekt overstijgt.
Bij de laatste maaltijd waarover Marcus vertelt, eet Jezus uit dezelfde schaal met degene die Hem verraden zal (14,20). Het brood wordt pas genoemd als Jezus het neemt, zegent, breekt en uitdeelt. Zijn lichaam is het brood dat leven geeft, bezegeld door de beker van het heil (14,22-25, vgl. Ps. 116).
Deze exegese is opgesteld door Dick Schoon.