Menu

Premium

Hij begon hun vele dingen te leren

Bij Jeremia 23,1-6, Psalm 23 en Marcus 6,30-44

‘Geven jullie hun te eten.’ Daarmee is de diaconale taak van de gemeente aangegeven. Wij nemen die taak serieuzer dan ooit. Met veel dingen zijn we verlegen, maar op dit punt lopen we ons het vuur uit de sloffen. Wij willen onze naasten helpen. We halen onszelf heel wat op de nek, als kleine Atlassen. Marcus 6 geeft ons een bevrijdende verheldering van onze taak.

De leerlingen keren na hun missie terug naar Jezus. Ze zullen wel bekaf geweest zijn en hongerig. Tijd om te eten hebben ze niet gehad. Jezus gunt ze een moment rust (6,31). Maar de mensen gunnen ze dat niet, want die arriveren eerder op hun retraite-oord dan zij. Overal staan auto’s en fietsen in de berm, overal lopen mensen.

Pastores hebben het af en toe nodig, even uit hun gemeente te gaan. Even naar een supermarkt waar je niet herkend wordt. Er lijkt soms een soort atmosferische druk te hangen in de gemeente. Je moet er uit. Maar bij de leerlingen mislukt die ontsnappingspoging. Ik stel me hun emotie voor: ‘Nee hè, nu even niet!’ En terecht. Wij zijn de Messias niet. Des te meer reden om te kijken wat die doet.

Innerlijke ontferming

Jezus is met innerlijke ontferming bewogen (6,34). Naastepad schrijft hierover: ‘‘In het ingewand ontstoken worden’ is een uitdrukking die in Tenach uitsluitend met betrekking tot God wordt gebezigd. Het is specifiek goddelijk zich uit te gutsen in ontferming en tot in het binnenste (als in een moederschoot!) te worden geraakt door menselijke nood.’

‘Want ze zijn als schapen zonder herder.’ De Jeremialezing gaat over schapen en herders. Maar alleen 1 Koningen 22,17 en Numeri 27,16-17 spreken letterlijk over ‘schapen zonder herder’. Volgens Marie van der Zeyde is vooral laatstgenoemde plaats van belang.[1] Mozes wil niet dat de kinderen Israëls zullen zijn ‘als schapen zonder herder’. Daarom wijst de Heer Jozua aan – Jezus, op zijn Grieks uitgesproken.

Wat zou Jozua-Jezus gaan doen? Hoe komt zijn ontferming nu naar buiten? Wat je ook verwacht, niet dit: ‘Hij begon hun vele dingen te leren’ (6,34). Dat gaat dwars in tegen onze kerkelijke wijsheid. Wij hebben geleerd: ‘Predik het evangelie, desnoods met woorden.’ Eerst een luisterend oor, dan praktische hulp, en ooit, misschien, deelname aan een leerhuis. Maar dat is voor de liefhebbers. Niet alzo Jezus. Hij onderwijst allereerst. Anders gaan denken is een eerste levensbehoefte.

Nog een overlegplatform?

De leerlingen zijn wat praktischer ingesteld. Ze wijzen op het late uur en de verlatenheid van de plaats. Laten de mensen een snackbar opzoeken in een van de dorpen! Maar dat zou een lelijke afknapper zijn na Jezus’ onderricht. Naastepad: ‘De mensen mogen nog naar huis ook. Ja, ongetwijfeld, maar wàt is hun huis? Is dat werkelijk dat ieder weer zijn eigen weg gaat, met zijn eigen koopkracht, en dat ieder doet wat recht is in zijn ogen. Dus toch weer als schapen zonder herder, dienstknechten zonder heer?’

Nu wordt Jezus diaconaal: ‘Geven jullie-zelf hun te eten’ (6,37). En dan klinkt het heel tobberig: ‘Zullen we eten gaan kopen voor tweehonderd penningen?’ Ik kan het niet helpen, maar ik vind het komisch. Wat een goede wil. En wat een onmogelijke taak. Terwijl ze zelf nog steeds niet gegeten hebben. En jawel, de Jorissen Goedbloed willen ook nog eten kopen. Waarom doet dit me zo denken aan de diaconale toon onzer dagen? Wat ís er een nood. Nu komt de AWBZ er ook nog bij. Zullen we een extra overlegplatform oprichten? Wie moeten we daarvoor vragen? De toch al drukke mensen van de commissie ZWO (= Zending, Werelddiaconaat, Ontwikkelingssamenwerking)? Je zult het maar om de nek hebben hangen.

Vijf en twee

Jezus gaat van deze kerkelijke ernst terug tot de werkelijke ernst. Wat heb je zélf te geven? ‘Ga eens kijken!’ ‘Vijf, en twee vissen.’ (6,38-39) Meer niet. Misschien ‘vijf’ voor de Tora en ‘twee’ voor de verbondsplaten. Maar ja, daar hebben we niet zo veel mee. Over God zijn we verlegen en met de Bijbel weten we ons geen raad. Blijft dus onze schamelheid.

Jezus telt vijf en twee op en komt tot zeven. De mensen moeten gaan zitten in sumposia (6,39), dat is letterlijk: ‘samen-drinken’. Jezus zal wel voor wijn gezorgd hebben. En waar vindt die feestelijke picknick (aldus Van der Zeyde) plaats? In het groene gras! Psalm 23. De sumposia worden ook genoemd prasiai (6,40), ‘bloemperken’, aldus Naastepad. ‘De woestijn wordt een tuin!’

Brood van de hemel

Jezus ziet naar de hemel, zegent (de Heer), breekt het brood, en zet de leerlingen in als uitdeel-diakenen. Zo gaat het, als Jezus onze armoede ter hand neemt. De hemel geeft brood: Exodus 16 opnieuw. Na afloop hebben de leerlingen corvee; ze halen voor elke stam een mand op.

Zo’n vrolijk verhaal maakt ons natuurlijk chagrijnig. Want was het maar zo gemakkelijk! Wonderen gebeuren in de (= onze) praktijk niet. Door onze mangel gehaald, drupt er alleen wat moraal uit het verhaal: je hoort eigenlijk te delen. Als wij er zo aan toe zijn, hebben we dan niet broodnodig onderwijs nodig? Misschien moeten we al dat werk er eens aan geven en ons Jezus’ ontferming laten aanleunen. Exit commissies en vergaderingen. Alleen nog maar samenkomsten rondom Tafel en Schrift. Liefst dagelijks. ‘Hij begon hun vele dingen te leren.’ Fase twee zou dan zijn, dat we leren onze armoede in zijn handen te geven. Fase drie zou dan zijn, dat we leren delen, inderdaad, maar dan wel wat Jezus ons uit te delen geeft.

Wellicht ook interessant

None

Studiemiddag op 4 juni naar aanleiding van publicatie ‘Gods slaafgemaakten’

De beroemde voormalige slaafgemaakte en abolitionist Frederick Douglass (1818-1895) was christen én buitengewoon kritisch op het christendom van vele slaveneigenaren in de Verenigde Staten. Die laatste vorm van christendom noemde hij “slaveholding religion” en die plaatste hij tegenover wat hij zag als het ‘echte christendom’ – de “Christianity of Christ”. In zijn recente boek Gods slaafgemaakten laat historicus en theoloog Martijn Stoutjesdijk zien dat beide interpretaties van het christendom eigenlijk altijd al aanwezig zijn geweest in de Bijbel en geschiedenis van het christendom.

None

Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja

Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten.

Nieuwe boeken