Menu

None

Hoop: naïef optimisme of moedig pessimisme?

Recensie Hoop en Hoopvol pessimisme

Is hoop naïef of juist wijs? Gaat hoop altijd samen met optimisme? En moeten we per se hoopvol zijn? Geestelijk begeleider Jan Venderbos las het boek Hoop van historicus Philipp Blom en Hoopvol pessimisme van filosoof Mara van der Lugt. Hij leert dat er moed nodig is om hoopvol te blijven en dat er naast greenwashing ook zoiets als hopewashing bestaat.

Het jaar 2025 ligt achter ons. Het startte voor de rooms-katholieke kerk met het jubeljaar waarbij er een bul werd uitgegeven over de hoop: Spes non confundit (“De hoop stelt niet teleur”). Hoop is een woord dat in 2025 veel terugkwam. Ik las dat het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap bijhoudt waarop online regelmatig wordt gezocht. Dat waren voorheen altijd woorden als vrede, liefde en licht. Maar nu zoeken bijbellezers online het meest op hoop. Niet eerder stond dit woord bovenaan. En Peter Pannenkoek sloot het jaar af in zijn oudejaarsconference die als uitgangspunt had: hoe vinden we in godsnaam hoop in deze tijd?

Het klimaatdal

Dat heeft natuurlijk alles te maken met de oorlog in Oekraïne, met Gaza, maar ook en vooral met de klimaatcrisis. Ik herinner me dat ik al een paar jaar geleden een interview las met de zogenaamde Nederlandse klimaatgezant, Jaime de Bourbon de Parme. Hij vertegenwoordigt ons land bij overleg over internationaal klimaatbeleid. Volgens hem bevinden we ons inmiddels op een kantelpunt als het gaat om klimaatverandering. Zelf had hij gemerkt dat hoe meer hij te weten kwam over de klimaatverandering hoe dieper het dal werd waar hij doorheen moest. Hij noemde dat devalley of despair. ‘Dat je het gevoel bekruipt: ik kan hier helemaal niks meer aan doen, we zijn gedoemd. Het kost moeite om uit dat dal te klimmen. Om nog hoopvolle ontwikkelingen te zien.’

Hij noemt dat de valley of despair.

Tommy Wieringa gaat hierop door in zijn essay Optimisme zonder hoop dat hij schreef voor de maand van de filosofie afgelopen jaar. Dat essay, eigenlijk een soort schotschrift met deze provocerende titel, kwam voort uit eenlezingentournee waarbij Wieringa zijn publiek avond aan avond vroeg wie er nog een paar generaties vooruit durfde te denken. Dat bleek bijna niemand te durven! Zelf raakte hij ervan overtuigd dat het probleem van de klimaatcrisis niet op te lossen is. ‘We zitten in een hogesnelheidstrein naar de catastrofe’. Maar hij wil, omdat we verder moeten leven, ondanks die onoplosbaarheid de moed erin houden. We moeten niet apathisch worden. Juist daarom wil hij zijn optimisme ontdoen van het perspectief van de hoop. We moeten juist zonder hoop verder. Hij wil zich concentreren op hoe te handelen. ‘We moeten gemeenschappen vormen om aan onze apathie te ontkomen’. Zelf plant deze schrijver en doener bomen, raapt vuil en brengt hij voertuigen, medische hulpmiddelen en andere goederen naar het front in Oekraïne. Sympathiek, maar ik vond zijn essay toch wat verwarrend en tegenstrijdig. Wieringa is resoluut en somber over de toekomst en wil toch optimistisch blijven. Maar hoe kun je optimistisch blijven zonder hoop? Of was het vooral een uitdagend spelen met woorden?

Schilderij ‘Allegorie van hoop’ van Kazimierz Wojniakowski,
Schilderij ‘Allegorie van hoop’ van Kazimierz Wojniakowski, bron: Wikimedia Commons

Hoop van Philipp Blom

Ook Philipp Blom, een Duits-Nederlandse historicus en filosoof, schrijver van veel geprezen geschiedenisboeken maar ook bekend van zijn optredens in het televisieprogramma Het filosofisch kwintet, schreef een essay. Of liever: een essaybundel waarin hij het begrip hoop onderzoekt. Wat is het? Waar komt het vandaan? Ook hij kwam daartoe omdat hem vaak bij lezingen werd gevraagd of er nog iets te hopen valt. Kun je überhaupt nog hoop hebben in deze tijd?

Blom opent direct meedogenloos: ‘Hoe kan ik je daarop antwoorden? Je bent bang voor dingen waarvoor je wel bang mòet zijn, voor ontwikkelingen die elke menselijke maat te boven gaan. We leven in een tijd waarin een oude orde ineenstort en een nieuwe nog niet is ontstaan en misschien ook niet zo snel zal ontstaan. Elke generatie meent van zichzelf uniek te zijn en voor het einde van de wereld te staan, voor de Apokalyps, er hebben altijd al profeten rondgelopen die zoiets predikten – maar ditmaal is het waar.’

Kun je überhaupt nog hoop hebben in deze tijd?

Veel mensen, zegt Blom, hopen toch nog altijd op een zilveren streep aan de horizon, iets aardigs, over waar het naartoe gaat. Dat komt volgens hem door het aftreksel van het christelijke idee, volgens welk de geschiedenis gericht is op een doel, op de verlossing, het hemelse Jeruzalem. We hebben dat christelijke idee geërfd en noemen het nu vooruitgang. Alles zou onophoudelijk beter worden. Maar Blom veegt daarmee de vloer aan.

Al lezend worstelde ik wat met de vorm van zijn boek. Het valt, zonder enige inleiding, met de deur in huis. In zeven hoofdstukken schrijft hij een soort brieven. Het is niet duidelijk aan wie. (‘Voor Elias’ staat voorin. Is dat een student? Een vriend? Een neef of nicht?) Het ene essay is persoonlijker dan het andere. Je zou deze bundel een briefroman kunnen noemen. Met veel verschillende soorten brieven. Het is een meanderende bundel met allerlei soorten (reis)verhalen maar ook beschouwingen over denkers. Het komt wellicht door de vorm van deze essays dat er geen betoogtrant is van A naar B.  Het is opvallend hoe vaak Blom zijn visie op religie geeft. Dat is meestal nogal kritisch. 

Hoop

Ik haal er een paar thema’s uit die mij boeien: een essay dat eigenlijk een soort reisverslag is vanuit Bogota, Colombia. Hij werkt daar aan een tentoonstelling Violencia y memoria. (Life is sacred) Daarin reflecteert hij over wat hoop betekent in een land dat al een halve eeuw wordt geteisterd door een gewelddadige burgeroorlog. Hij ziet dat mensen niet opgeven, maar gewoon doorgaan, kinderen op de wereld zetten en liefhebben en toevallige schoonheid bewonderen en zelfs nog de energie vinden van voren af aan te beginnen. Hier wordt hem duidelijk dat hoop iets anders is dan optimisme. Hoop, zo meent hij, betekent altijd ook onzekerheid. En veel mensen in welvarende landen zijn ervan overtuigd dat ze in hun toekomst op van alles en nog wat recht hebben. Dat idee lijkt in een land als Colombia absurd. We hebben tegenover het leven geen consumentenrecht, we hebben helemaal geen rechten, het overkomt ons gewoon en we kunnen hoogstens af en toe een wissel omzetten. Hier blijkt de ondertitel van het boek: Over een verstandige verhouding tot de wereld.

Hoop is iets anders dan optimisme.

Het is voor Blom duidelijk dat als je religieus bent er automatisch een idee van zingeving is. Hij is dat zelf echter in zijn puberteit kwijtgeraakt, maar herkent nog wel de behoefte om in een groter verhaal te geloven. ‘In een grotere zin, maar ik weet ook dat die er niet is. Daarbuiten is geen God, geen objectieve waarheid, geen objectieve zin. Maar het laat me wel alleen met de behoefte. Het is een beetje alsof je verliefd bent op iemand die niet bestaat.’ Kortom, het vergt moed om hoopvol te leven. Er blijft een leegte, een spiritueel vacuüm. Het belangrijkste wat ons te doen staat is te leren ons verlangen naar zin zo te benutten dat het de kracht tot verandering kan worden. Dat is een taaie zoektocht. Troost put Blom daarbij uit de kunst. Hij laaft zich aan muziek van Schubert. Een man die voortdurend strijd voerde om zijn eenzaamheid en wanhoop te overwinnen. Zijn leven was een aaneenschakeling van conflicten, nederlagen, vernederingen en ziektes en hij stierf jong. “Maar aan hoeveel mensen heeft zijn muziek hoop geboden!”

Hoopvol pessimisme van Mara van der Lugt

Iemand die ook vraagt om opnieuw na te denken over hoop en wanhoop, optimisme en pessimisme, activisme en verdriet is de Nederlandse filosoof Mara van der Lugt. Zij promoveerde aan Oxford en is als filosoof verbonden aan de Universiteit van St Andrews in Schotland. Ook zij denkt door over het alom heersende adagium dat we in tijden van crisis altijd optimistisch moeten blijven: een positieve blik, vertrouwen in vooruitgang, de moed erin houden. Vaak wordt dan ook de filosoof Karl Popper geciteerd, die optimisme een ‘morele plicht’ noemde. Maar het lijkt haar dat Popper onjuist geciteerd wordt.  Zij staat stil bij de vraag: wat als die vorm van optimisme ons juist verhindert om de werkelijkheid onder ogen te zien? Ze citeert met instemming Greta Thunberg die zei dat hoop vaak gebruikt wordt als een machtig wapen om alle noodzakelijke veranderingen te vertragen en business as usual te verlengen. Soortgelijke hoopvolle berichtgeving komt evenzeer voor in reclames van oliemaatschappijen en energiefirma’s, zodat we na greenwashing nu ook van hopewashing mogen spreken. Ze staat uitvoerig stil bij de gevaren van optimisme.

Hoopvol pessimisme

In de plaats van dat type optimisme pleit Van der Lugt daarom voor een radicale herwaardering van het pessimisme. Niet als cynisme of gelatenheid, als een houding die uiting geeft aan opgeven en fatalisme, maar als een doordachte houding die ons juist aanzet tot handelen en morele verantwoordelijkheid. Ze noemt dat ‘hoopvol pessimisme’ en laat zien dat dat geen tegenstrijdigheid is, maar een vruchtbare houding die verdriet en kwetsbaarheid niet wegdrukt maar erkent – en daarin ruimte vindt voor echte betrokkenheid en actie. Pessimistisch activisme kan een langzaam brandend vuur zijn – een vuur dat niet hoeft te worden gevoed door de verwachting of vervulling van zichtbare beloningen onderweg.

Van der Lugt schrijft: ‘Veel activistische bewegingen zijn voortgekomen uit een soort pessimisme, uit een diepe bereidheid om de ernst van de situatie onder ogen te zien. Pessimisme wordt vaak gedefinieerd als de overtuiging dat alles slechter wordt, en daarop volgt dan de zogenaamde wijsheid dat er dan geen reden tot handelen is. Maar waarom volgt dat? En waarom volgt niet precies hetzelfde voor optimisme? Als dat laatste de overtuiging is dat alles toch wel beter wordt, waarom zou dat ons dan wél aanzetten tot handelen?’ De kernvraag is niet of iemand optimistisch of pessimistisch is, maar of iemand handelt of afwacht.

Waarom zou ‘pessimisme’ niet aanzetten tot handelen?

Het boek bestaat uit drie delen. In de eerste twee delen staat Van der Lugt uitvoerig stil bij de begrippen pessimisme en hoop. Hier volgt een schets via vele denkers uit de geschiedenis. Ze staat stil bij het begrip hoop in de oudheid: dat was in principe iets riskants of onbetrouwbaars. Hoop kan ons misleiden of binden aan zaken die niet goed voor ons zijn. Pas in het christendom, onder de filosoof Thomas van Aquino, werd hoop iets van grote waarde, zelfs een deugd, maar dan alleen onder strikte voorwaarden.

Door het hele boek schenkt Van der Lugt veel aandacht aan de filosoof en klimaatactivist Anh-Quan Nguyen. Die wijst ook op het gevaar van optimisme: Optimisme is vrijwel overal aanwezig binnen de klimaatbeweging en wordt vaak gezien als noodzakelijk om het activisme vol te houden maar hij vindt dat een misvatting. Vasthouden aan optimisme is begrijpelijk maar leidt uiteindelijk tot meer wanhoop, burn-outs en het zich terugtrekken uit de klimaatbeweging. Hij pleit daarom voor ‘het omarmen van moedig pessimisme.

De auteur schenkt ook veel aandacht aan kunst. Vooral aan de Engelse schilder G.F.Watts 1817 – 1904). Zijn schilderij Hope siert de omslag van haar boek. Maar hij maakte daarvan twee versies: een groene en een blauwe. Daar filosofeert ze op door. Ze meent dat er twee soorten hoop zijn: een groene en een blauwe. Groene hoop wordt gekenmerkt door de verwachting van positieve uitkomsten. Blauwe hoop staat daar los van; die heeft meer iets van de hoop van Václav Havel: ‘Hoop is de zekerheid dat iets zinvol is, onafhankelijk van de afloop, onafhankelijk van het resultaat’. Van der Lugt noemt dat, aan het eind van deel twee van haar boek een hoop die, zelfs te midden van diepe onzekerheid en complete verwoesting, toch openblijft. Een hoop die verenigbaar is met het verdriet, de pijn, de angst en alle smarten van een donkere tijd. En dan volgt het bijzondere deel drie, dat nogal afwijkt van de eerste twee delen.

Het schilderij Hope van G.F. Watts (1817-1904)
Het schilderij Hope van G.F. Watts (1817-1904), bron: Wikimedia Commons

Deel drie is getiteld: Onze vrouwen van de smarten. In dit deel laat ze zich inspireren door het boek Susperia de Profundis (1845) van de Engelse schrijver Thomas De Quincey. Hij blikt in dat boek terug op zijn leven en op het leed dat hij heeft doorgemaakt. Hij introduceert daar drie mythologische zusters: Onze Vrouwe van de Tranen, Onze Vrouwe van de Zuchten en Onze Vrouwe van de Duisternis. Van der Lugt doet in dit deel van haar boek een poging om zich voor te stellen wat het voor ons zou betekenen om de donkere gevoelens die onze tijd met zich meebrengt te verwelkomen als schaduwzusters van de hoop: als metgezellen op de weg die nog voor ons ligt. Een bijzonder en aangrijpend deel.

Paulus over hoop

Ik moest bij lezing van deze boeken nogal eens denken aan wat ik ooit ergens las van wat Aristoteles zegt over de deugd van de hoop. Zoals bekend is deugd bij Aristoteles niet een aangeboren karaktertrek maar een beweging tussen twee polen. Het gaat bij hoop om een balans zoeken tussen de ondeugden van wanhoop en blind optimisme. Ook dacht ik meer na over wat hoop in christelijke zin zou betekenen. Hoop is daar niet hetzelfde als positivisme! En ik stond stil bij wat Paulus ergens zegt: ‘In die hoop zijn wij behouden. Maar hoop die gezien wordt is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding’ (in zijn brief aan de Romeinen 8:24, NBG). Hopen is dus bij hem: met volharding verwachten.

Jan Venderbos

Jan Venderbos is gepensioneerd theoloog. Hij werkte jarenlang in diverse sectoren van de hulpverlening en als geestelijk begeleider.

Meer lezen?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af voor slechts €4,17 per maand. 

Wellicht ook interessant

Rood Kruis
Rood Kruis
None

Hebben goede voornemens zin in een onvoorspelbare wereld? 

Piekeren over werk, relaties, familie – we doen het allemaal. Heeft mijn leven zin? Doe ik het juiste werk? Ben ik er wel voor mijn vrienden? Waar geloof ik in? Soms voelen we ons eenzaam, vinden we onze richting niet en blijven we in rondjes draaien. Maar dat hoeven we niet alleen te doen. Onze zingevingsexpert Mathieu van Kooten draait sinds deze week vanuit het klooster Nieuw Sion een rondje met je mee. In deze maandelijkse column beantwoordt hij de ‘grote vragen’ waar veel lezers mee rondlopen. Deze week de vraag: ‘Hebben goede voornemens zin in een onvoorspelbare wereld?’

Petra Schipper
Petra Schipper
Basis

Korte Metten: Wat is roeping eigenlijk?

“Ik krijg maar geen briefje uit de hemel, dus ik zal maar gaan.” Zo kwam ik 40 jaar geleden als 18-jarige tot de stap om theologie te gaan studeren. Als kleindochter van Nederlandse zendelingen in het toenmalige Nederlands-Indië leefde ik sterk met het idee van roeping. Maar hoe werkt dat eigenlijk? Ik had wel ideeën, maar roeping volgen begint met een eerste stap. Zonder briefje, maar vanuit een onmiskenbare drang. Rechtstreeks het onbekende in.

Nieuwe boeken