Een glinstering in het donker – Hoop en wanhoop bij Lieke Marsman
Zweven tussen hoop en wanhoop… het is bij uitstek iets wat ons overkomt op breukmomenten. Op die momenten waarin de normale gang van zaken plots wordt doorbroken en we oog in oog komen te staan met onze kwetsbaarheid en eindigheid. Het overkwam dichteres Lieke Marsman (1990). Ze had nog zoveel toekomstplannen, totdat een kankerdiagnose daar abrupt een streep door trok. Haar ervaringen van het ‘samenleven met de dood’ bundelde ze in Op een andere planeet kunnen ze me redden (Pluim, 2025). In deze recensie duiken we in dit boek met een prangende vraag: hoe gaat Marsman om met hoop en wanhoop?
Vanaf pagina één voert Lieke Marsman de lezer mee in een landschap waarin hoop en wanhoop niet tegenover elkaar staan, maar in een voortdurende, soms pijnlijke dans verstrengeld zijn. Het boek — een bundeling van essays, overwegingen en dagboekfragmenten — is geen lineair relaas van ziekte of herstel. Het poogt bovenal een taal te vinden voor het leven in een tussenruimte: het gebied waar een toekomst nog denkbaar lijkt, maar toch steeds meer door je vingers glipt, en waar de dood zich niet als eindpunt maar als reisgenoot aandient.
Zinvolle zinloosheid
“De volgende scan duurt vijf minuten, het boekje dat ik schreef in de maanden nadat ik werd gediagnosticeerd met kraakbeenkanker, eindigt met een voorzichtig positieve noot,” blikt Marsman terug in het voorwoord. Ze schreef destijds: “Mijn verhaal is slechts één verhaal, een verhaal waarin ik heel langzaam en heel voorzichtig in een goede afloop begon te geloven.”
Woorden die voortkwamen uit de diepmenselijke behoefte aan narratieve logica: de hoop dat een verhaal, zeker een persoonlijk verhaal, ergens toe leidt. Ze snakte daar zelf ook naar: naar catharsis, naar de verwachting dat de belangrijkste gebeurtenissen in het leven zin hebben. Die hoop is geen goedkoop optimisme. Het is eerder een menselijke reflex: het verlangen dat grote gebeurtenissen betekenis hebben, en dat lijden niet zomaar willekeur in het gezicht van de kosmos is.
Maar inmiddels beseft ze: “Dat had ik natuurlijk nooit op papier moeten zetten.” Want juist op de momenten dat we de zin nog niet kunnen ontwaren — wanneer zelfs het kleine beetje vrees opduikt dat de gebeurtenissen die ons treffen misschien wel totaal betekenisloos en toevallig zijn, en niets zullen opleveren — juist dan, zegt Marsman, “verheffen we onze stem om het zinloze te overschreeuwen, te onderstrepen, pijlen te tekenen tussen de willekeurige punten waaruit het leven bestaat.”
Strijd tegen een veelkoppig monster
Het relaas van haar gevecht tegen kanker is confronterend. Het lijkt een strijd tegen een veelkoppig monster: telkens wanneer na bestraling of chemo enige verbetering zichtbaar wordt, duiken er opnieuw uitzaaiingen op. “Ik durf geen positieve noten meer te zingen,” stelt Marsman. “Vooralsnog zit ik wanhopig en driftig pijlen te tekenen.”
Opvallend vindt ze hoe vaak het woord ‘zin’ terugkeert in gesprekken met behandelaars. Heeft het nog wel zin om jou te behandelen? Wat is een zinvol leven? Wanneer spreken we van zinloos lijden? Het zijn vragen die bij Marsman — die zichzelf altijd een atheïstisch wereldbeeld toedichtte — diepe, existentiële reflecties oproepen. Niet alleen over de betekenis van ‘zin’, maar ook over de vanzelfsprekende conformiteit die er soms mee gepaard gaat. Zo is er bijvoorbeeld de onderliggende aanname dat je, wanneer het niet meer gaat, ‘natuurlijk’ voor euthanasie kiest. Maar wat als je — hoe onzinnig dat voor anderen misschien klinkt — wilt blijven doorvechten tot het einde?
Geen houvast meer in atheïstisch wereldbeeld
Hoewel Marsman soms worstelt met sombere vooruitzichten, is dit geen somber boek. Integendeel: het spreekt eerlijk en open over haar ziekteproces en existentiële worstelingen, zonder ooit te verzanden in wanhoop. Toen ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, wierp ze zich theatraal op de ziekenhuisvloer. Een jaar eerder, bij het nieuws van longuitzaaiingen, schreeuwde ze het uit. “Ik dacht: op zulke momenten schreeuw je, dus ik schreeuwde.” Net als in de films — maar anders dan in de films was er geen script, geen tijdspanne, geen catharsis.
In die tussenruimte, tussen leven en eindigheid, groeit het besef dat haar atheïstisch wereldbeeld haar geen houvast meer biedt. “Ik moet me wel richten tot God,” schrijft ze, “al heb ik op dat moment geen idee wat ‘God’ voor mij inhoudt.” Die erkenning — dat haar oude ideeën tekortschieten — is voor haar een openbaring. “Eentje die gepaard ging met een enorme last die van mijn schouders viel. Die openbaring herhaalt zich sindsdien bijna wekelijks. En iedere keer is het alsof ik iets vrijer kan ademen, of de uitzaaiingen in mijn longen nu groeien of niet.”
Het rauw-zachte onderscheid
Marsman herinnert zich een moment waarop ze door de modder liep in de Veluwse bossen en plots het gevoel had dat God bij haar was. “Als ik het zo teruglees, lijkt het niet zo indrukwekkend. Je liep door de modder en toen had je het gevoel dat God bij je was? That’s it? Maar voor mij was het alles.”
Of je dat een bekering mag noemen? Ze twijfelt. Al was het maar omdat ze zich een bekering altijd had voorgesteld als iets totaal anders: een dramatisch moment waarop je alles laat vallen om je aan te sluiten bij een vastomlijnde geloofsovertuiging. Maar, beseft ze, er staat nogal wat op het spel binnen het christendom. “Geloven is grof gezegd het verschil tussen eeuwige verdoemenis in de hel of een toegangsticket voor de hemel.” Hoewel sommige Bijbelteksten haar diep raken, is juist dát wat haar tegenhoudt. “Voor mij staat er alleen nú iets op het spel: het verschil tussen rauw en zacht. Tussen wel of niet de dag doorkomen — al leert de ervaring dat ook als je vaststelt dat je de dag niet doorkomt, de dag doorgaans alsnog verstrijkt.”
Gaandeweg dringt zich een gedachte op: dat veel religieuze teksten misschien wel zijn ontstaan op momenten van acute wanhoop — “momenten waarop het rauw-zachte onderscheid gemaakt wordt.”
Op een andere planeet
Hoe diep verankerd je ook bent in een atheïstisch-rationalistisch wereldbeeld, beseft Marsman, “onder de hogedrukspuit van een naderende dood houdt je rationaliteit het niet lang uit. Het blijft een poreus en arrogant bouwsel, niet bestand tegen de influx van emoties en hormonen van een brein dat beseft dat het aan het sterven is.”
Er móét een ander leven zijn, denkt ze soms, omdat dit leven te kort en te gebroken is. Voor wie in het aangezicht van de dood leeft, blijkt rationaliteit vaak van boordkarton. Haar toestand brengt haar in bewustzijnsvelden die zich niet rationeel laten verklaren. Ze probeert het weleens onder woorden te brengen aan een vriendin: “Het is net alsof ik op een andere planeet ben. Het lukt me niet meer me te verhouden tot de mensen hier, hun zorgen, hun successen, hun geluk. Ik ben te ver weg.”
En toch wordt ze soms gewoon wakker met zin in een croissantje. Zoals na de amputatie van haar arm — iets waarvan ze beseft hoe banaal het klinkt, maar dat ze tegelijk relativeert: in oorlogen zijn duizenden ledematen gesneuveld. Ze vindt veerkracht om dingen met haar linkerhand te doen, maar er is ook de pijn van kanker: “een strop die dagelijks een stukje strakker wordt getrokken”.
Het leven is ingericht op begrijpen en verklaren, op ratio, stelt Marsman vast. Maar hoe kan het dat pure wanhoop telkens een spirituele ervaring inluidt? “Ik wil die ervaring uitdiepen en leren verkennen. Omdat er iets in zit. Het spiegeltje kijkt niet alleen de hoek om, er glinstert daar iets.”
Op 27 mei 2022 schrijft ze:
“Ik mis God. Ik wilde hier schrijven dat ik terugverlang naar die ‘spirituele gevoelens’ die ik had in de maanden na mijn doodvonnis, dat vreemde dobberen op iets hogers. Wat eruit kwam: ik mis God. Dat dekt de lading.”
Gods liefde als wezensgrond
De God in wie Marsman gelooft, is een persoonlijke kracht die liefde is. Ze sluit daarmee aan bij wat de Franse filosofe Simone Weil schreef: “In het lijden en ongeluk zelf glanst de barmhartigheid van God. Als men met volhardende liefde tot in de diepte valt waar de ziel niet kan nalaten te roepen: ‘Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?’ Als men op dat punt blijft zonder liefde te verzaken, komt men ten slotte in aanraking met iets dat geen geluk meer is; ook geen vreugde, maar zuivere, niet-waarneembare wezensgrond waaraan vreugde en lijden deelhebben — en deze wezensgrond is de liefde van God zelf.”
Marsman, zelf lesbisch, kan zich niet identificeren met geloofsgemeenschappen die mensen uitsluiten. Of met het idee van een hel: een plaats van gruwelijk lijden en eeuwigdurende wanhoop die geen enkel doel dient. “Als ik Gods liefde voel, bestaat die juist uit het gevoel dat ik geen straf verdien, geen zonde heb begaan. Omdat zelfs de zondes die ik wel beging, begrepen worden. “Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd. Uw wil geschiede — maar wilt U alstublieft de hel afschaffen?”
Evenmin kan ze uit de voeten met een religieuze ‘koehandel’ die geloof tot bijgeloof reduceert: geld geven aan de armen om in de hemel te komen, tien weesgegroetjes bidden om een tentamen te halen, een kruisje slaan om een voetbalwedstrijd te winnen. Zelfs al voelde het soms alsof zij haar arm offerde in ruil voor het leven. Maar dat was, zegt ze, een redelijke prijs — geen toverformule.
Geestelijk orgasme
Tijdens een verblijf op de Veluwe, op 10 juli 2020, krijgt Marsman het zwaar. De boslucht waarvan ze had gedacht dat die haar zou kalmeren, confronteert haar juist met de onrust in haar lijf. Haar gedachten dwalen steeds terug naar Amsterdam, waar de zorgen zich opstapelen.
Maar dan overvalt haar plots een ervaring die ze een ‘geestelijk orgasme’ noemt.
“Opeens, gisteren, voor het in slaap vallen: een soort geestelijk orgasme. Of in ieder geval heel helder voor ogen hoe het geestelijke equivalent van een orgasme eruit zou moeten zien: als al je zorgen die een seconde of vijf verdwenen zijn. De geest teruggebracht in een heel klein schoon vakje waar hij zijn tentakels niet kan uitslaan naar alle dingen die nog moeten, alle dingen die misschien gaan gebeuren, alle schaamte.”
Ze merkt ook dat ze steeds meer bidt — of in elk geval iets beoefent dat op bidden lijkt. Want wat kun je anders mompelen wanneer je het gevoel hebt dat je geest wegbrandt, “dat de waakvlam van je ziel de briketten van je persoonlijkheid heeft aangestoken”? Dan fluistert ze slechts: “God, help; help, God.”
De vriendelijke dood
In haar memoires overdenkt Marsman het leven — zowel de vreugdevolle momenten als de dood. Die blijkt vriendelijker dan gedacht. Op dagen dat het leven haar opjaagt en het uiterste van haar vraagt, praat ze graag met de dood. “En die zegt eigenlijk altijd: bestel gewoon een Thaise curry en ga een serie kijken. We gaan er allemaal aan en uiteindelijk raken we allemaal vergeten.”
Ze komt tot een diepgaande conclusie: juist de omarming van onzekerheid maakt het leven de moeite waard. “Het leven is mooi, maar alleen zolang je iedere dag bereid blijft al je ideeën over hoe de wereld in elkaar zit overboord te gooien.” Dat hoeft niet élke dag, benadrukt ze, maar de bereidheid moet er wel zijn.
Dat geldt ook voor de omarming van wanhoop. Wanneer ze op 5 april 2022 wakker wordt met wanhoop — een diepe vermoeidheid die niet overgaat — beseft ze dat er een dag zal komen waarop alles ophoudt. Geen romans meer schrijven, nooit meer uitgaan, nooit meer een groot project beginnen. Dit is het dan. “Het maakt me woedend dat dit mij overkomt, en daardoor krijg ik toch weer een beetje energie.”
Tweede bekering
Hoop, eenzaamheid, blijdschap en wanhoop wisselen elkaar af in het boek. Gaandeweg begint bij Marsman een nieuw inzicht te dagen: “Er moeten toch ook andere werelden zijn.” Haar geloof in buitenaards leven noemt ze haar tweede bekering. De gedachte “Op een andere planeet kunnen ze me redden” biedt haar onverwachte hoop. Ze struint het internet af op zoek naar ufo-ervaringen. “Er is nog een andere wereld”, wordt bijna een heilige mantra — een geloof in een werkelijkheid buiten de grenzen van het menselijke bewustzijn en buiten de muren van onze beperkte rationaliteit. Zo stuit ze ook op momenten van synchroniciteit, zoals het woordje ‘helen’ in een onbekende sms.
“Het idee van een universeel bewustzijn klinkt aanlokkelijk en er zijn momenten dat ik erin geloof. Het strookt met het beeld dat ik heb van God, een aanwezige afwezigheid die altijd en overal is en alles mogelijk maakt, maar een ieder zijn vrije wil gunt. Op andere momenten zit ik hier met mijn lichaam dat overduidelijk een hoopje falende materie is — geen God te bekennen — en kan ik er helemaal niets mee.”
Slot: de glinstering in het donker
In Marsmans werk schuilt een fascinerende paradox: juist op de grens van het leven, wanneer de dood zich opdringt, ontvouwt zich een spiritueel besef. Niet als leerstelling of vaste vorm, maar zoals, wat zij zelf noemt, een ‘aanwezige afwezigheid’. In die fragiele ruimte tussen rauw en zacht, tussen deze wereld en een andere planeet, flikkert iets op dat verwijst naar het Oneindige.
Wat haar boek zo bijzonder maakt, is haar weigering om hoop en wanhoop als uitersten tegenover elkaar te plaatsen. Marsman toont hoe beide gevoelens zich afwisselen, vervlechten en zichtbaar worden wanneer de schijn van controle verdwijnt. Hoop wordt geen illusie, wanhoop geen val; ze zijn de ademhaling van een ziel die niet terugdeinst voor wat is.
Vanuit die onverholen blik op het bestaan groeit een spiritualiteit die zich onttrekt aan dogma’s en theologische taal — geen systeem, maar iets dat oplicht in de stilte tussen de zinnen. Marsmans ‘bekeringen’ zijn geen spectaculaire halleluja-verhalen, maar stille verschuivingen aan de rafelranden van het bestaan: daar waar het lichaam hapert, oude overtuigingen beginnen te schuiven en de mens zijn grip verliest. In die tussenruimte getuigt haar werk van kwetsbare moed — en juist dát maakt dit boek, in een tijd die voortjaagt, tot een aangrijpende en integere zoektocht naar zin.
Over de auteur
Kelly Keasberry is freelance journalist en als PhD-onderzoeker verbonden aan het project Existential Challenges of Planetary Health (VU Amsterdam/KU Leuven). In 2024 bracht ze een boek uit: Geworteld in verbinding. Een ecologische theologie voor de toekomst (Garant).
Lieke Marsman. Op een andere planeet kunnen ze me redden. Amsterdam, Uitgeverij Pluim, 2025. 200 pp. €24,99 ISBN
9789493256989
Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast.
Word lid van Theologie.nl
Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af voor slechts €6,99 per maand.
