Huwelijk
bruiloft, bruid en bruidegom
Over waarde en betekenis van het huwelijk bestaat op het ogenblik in de Nederlandse samenleving allerminst eenstemmigheid. Sedert de jaren zestig-zeventig van de 20e eeuw is het eeuwenoude instituut bij tal van mensen in diskrediet geraakt. Men ging ‘samenwonen’ en beschouwde dat als een kritiek op het traditionele, ‘burgerlijke’ huwelijk dat op het gemeentehuis ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand officieel werd gesloten en vervolgens in de kerk door dominee of pastoor werd ingezegend. Aanvankelijk stuitte het samenwonen op tegenstand in christelijke kring: het huwelijk zou immers geen menselijke, maar een goddelijke instelling zijn. Weliswaar veranderen de tijden en gaat de geschiedenis verder, maar het huwelijk zou onveranderlijk dienen te blijven. De volgende uitspraak zou eeuwigheidswaarde bevatten: ‘daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn’ (Gen. 2:24). Volgens het evangelie van Matteüs heeft Jezus zich hierbij aangesloten en het huwelijk als een goddelijke instelling zelfs nog geaccentueerd: ‘Ze zijn dus niet meer twee, maar één. Dus, wat God heeft verbonden, moet de mens niet scheiden’ (Mat. 19:6).
Grondtekst
In het Hebreeuws bestaat geen specifiek woord voor huwelijk als zodanig. Het woordgebruik onthult het patriarchale karakter van de zeden en gewoonten in bijbelse tijden. Het werkwoord ba’al dat in het algemeen ‘heersen’ of ‘bezitten’ betekent (Jes. 26:13), heeft in een bepaalde context ook de strekking van ‘een vrouw in bezit nemen’, dat wil zeggen ‘met een vrouw in het huwelijk treden’ (Deut. 21:13; 24:1; Jes. 62:5). Dezelfde betekenissen heeft het zelfstandig naamwoord ba’al: burger, bezitter van land en goederen, maar ook echtgenoot en Heer des huizes (o.a. Gen. 20:3; Ex. 21:3,22; Deut. 24:4; 2 Sam. 11:26). Een bruidegom heet in het Hebreeuws chatan en een bruid kallah (Hoogl. 4:8-12; 5:1; Jes. 49:18; 61:10; 62:5; Jer. 2:32; 7:34; 16:9; 25:10; 33:11; Joël 2:16). In het bijbels liefdeslied heet een bruiloft chatoennah (Hoogl. 3:11).
Voor ‘huwen’ en ‘in het huwelijk treden’ kent het Grieks de werkwoorden gameoo (o.a. Mat. 24:38; Mar. 6:17; 12:25; 1 Kor. 7:9-10, 28-39); gamizoo (Mat. 22:30; 24:38; Mar. 12:25; Luc. 17:27; 20:35; 1 Kor. 7:38) en gamizkomai (Luc. 20:34-35). Het zelfstandig naamwoord gamos betekent in de eerste plaats ‘bruiloft’ en ‘bruiloftsfeest’ (Mat. 22:1-14; 25:10; Luc. 12:36; 14:8; Joh. 2:1-11; Op. 19:7,9); en komt in het Nieuwe Testament eenmaal voor in de betekenis van ‘huwelijk’ (Hebr. 13:4). De bruidegom heet in het Grieks nymfios (Mar. 2:19-20; Joh. 2:9;3:29; Op. 18:23) en de bruid nymfè (Op. 21:2,9; 22:17).
Ten aanzien van het Nieuwe Testament kan worden vastgesteld dat de omvang van het tekstmateriaal betreffende bruiloft/huwelijk beperkt is. In twee van de drie synoptische evangeliën staan enkele uitspraken over echtscheiding (Mat. 5:27-32; 19:1-12 en Mar. 10:1-12). In twee tekstgedeelten in de brieven wordt aandacht aan het huwelijk besteed (1 Kor. 7; Ef. 5:21-33). Twee perikopen in de evangeliën verschaffen enig inzicht in de omstandigheden waaronder een huwelijk in bijbelse tijden werd gesloten. De berichtgeving is echter dermate summier dat het niet mogelijk is op grond daarvan stellige uitspraken te doen over de gang van zaken (Mat. 25:1-12 en Joh. 2:1-11).
Letterlijk en concreet
a.In een – hoofdzakelijk – agrarische maatschappij waarin van een burgerlijk bestuur in de dorpen en steden niet of nauwelijks sprake was en de verschillende families met aan het hoofd de pater familias het gezag belichaamden, was het huwelijk als vanzelfsprekend een familieaangelegenheid. Vaders regelden wie met wie zou huwen en maakten afspraken over de hoogte van de bruidsschat. Of altijd rekening werd gehouden met de gevoelens die de jonggehuwden ten opzichte van elkaar koesterden, blijft onhelder (vgl. Gen. 24:58). Het bijbelboek Hooglied laat zien dat verliefdheid en lichamelijke aantrekkingskracht niet onbekend waren, maar zij functioneerden meestal niet als de belangrijkste basis voor het huwelijk.
b.Over de huwelijksleeftijd bevat de bijbel geen gegevens. Uit vroeg-joodse bronnen valt op te maken dat men in het oude Oosten over het algemeen op een zeer jeugdige leeftijd – althans voor onze moderne begrippen – in het huwelijk trad: voor een jongen gold 17 ä 18 jaar als gewenst en een meisje diende niet veel ouder dan 13 ä 14 jaar te zijn.
c.Binnen het huwelijk hadden de partners niet dezelfde rechten en plichten. De vrouw was volstrekt gebonden aan haar man, maar de man niet op identieke wijze aan zijn vrouw of vrouwen (Deut. 22:22-29). Uit met name de verhalen over patriarchen en koningen valt af te leiden dat polygamie in het oude Israël niet werd afgekeurd. Dat gold echter uitsluitend voor die vorm van polygamie waarin één man met meer dan één vrouw was gehuwd – het omgekeerde was volstrekt uitgesloten. In het Nieuwe Testament blijkt een zekere terughoudendheid ten opzichte van het polygame huwelijk. Van ambtsdragers in de vroeg-christelijke gemeente wordt verwacht dat zij ‘de man van één vrouw’ zijn (1 Tim. 3:2; Tit. 1:6).
d.Het doel van het huwelijk was in de allereerste plaats het verwekken van nageslacht. Mede om die reden werden alternatieven voor het monogame huwelijk toegestaan en in geval van kinderloosheid zelfs gestimuleerd – zie de verhalen over de patriarchen Abraham en Jakob (Gen. 16:1-16; 30:1-13).
e.Ook in bijbelse tijden zal elk huwelijk gesloten zijn in de hoop dat het zo lang mogelijk zou duren. De werkelijkheid was soms anders en die realiteit maakte het noodzakelijk regels op te stellen voor het beëindigen van een huwelijk. Ook in het geval van echtscheiding werden man en vrouw niet als gelijkwaardige partners beschouwd. Volgens de geboden mocht de man zijn echtgenote wegzenden wanneer ‘hij niet meer van haar houdt, omdat hij iets onbehoorlijks bij haar heeft ontdekt’ (Deut. 24:1). In de oudtestamentisch-joodse traditie staat dat gebod niet principieel ter discussie. Er is slechts verschil van mening op welke wijze ‘iets onbehoorlijks’ dient te worden geïnterpreteerd. In de Bergrede blijkt Jezus tot diegenen te behoren die het gebod zeer strikt uitleggen: alleen in geval van ontucht (Mat. 5:32).
f.Terwijl het huwelijk in de oudtestamentisch-joodse traditie als vanzelfsprekend werd gezien, ontstaat in het Nieuwe Testament meer distantie ten opzichte van het huwelijk. Paulus was kennelijk ongehuwd en hij beschouwde dat eerder als een voorrecht dan als een smartelijk gemis (1 Kor. 7:8,25; 9:5). Toch gaat het bij Paulus niet in de eerste plaats om ascetische idealen. Hij is zozeer gericht op Jezus Christus en diens spoedige komst – ‘de tijd is kort’ (1 Kor. 7:29) – dat hij geen tijd en interesse meer heeft voor andere bindingen en relaties.
Beeldspraak en symboliek
a.Een bruiloft is, in verleden en heden, een feestelijk gebeuren. Er wordt gelachen en niet zelden ook van vreugde gehuild. Het is veelzeggend dat in het evangelie van Johannes ‘het begin van Jezus’ tekenen’ plaatsvindt tijdens de bruiloft te Kana: water wordt wijn – beste wijn zelfs (Joh. 2:1-11). In de synoptische evangeliën vergelijkt Jezus zichzelf met een bruidegom. Het is feest en daarom vasten zijn leerlingen niet: ‘Kunnen bruiloftsgasten soms vasten zo lang de bruidegom bij hen is’? (Mar. 2:15; Mat. 9:19; Luc. 5:34). De evangelisten weten uit eigen ervaring dat er ook minder feestelijke tijden zullen komen. De bruidegom is gedood. Gespannen wacht de christelijke gemeente op zijn komst. Maar lang te moeten wachten is moeilijk vol te houden. Daarvoor waarschuwt de gelijkenis van de tien meisjes: ‘Omdat de bruidegom op zich liet wachten, dommelden ze allemaal in’ (Mat. 25:5).
b.In de vroeg-christelijke gemeente werd het beeld van Jezus als bruidegom op een voor de hand liggende wijze verder ontwikkeld. Een bruidegom kan immers niet zonder een bruid! En zo werd de gemeente de bruid van Christus (Joh. 3:29; Op. 19:7-8; 21:2,9). Voor het verwerven van die bruid had Hij zich tot het uiterste ingezet – een voorbeeld ter navolging: ‘Mannen, heb uw vrouw lief, zoals ook Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd’ (Ef. 5:25).
c.Mensen leven in velerlei relaties met andere mensen. In dat geheel van intermenselijke contacten is het huwelijk een bijzondere relatievorm. Als zodanig kan het worden gebruikt als symbool voor de relatie tussen God en de mens(en). In het Oude Testament, met name in de profetische literatuur, wordt het beeld van het huwelijk toegepast op de relatie tussen God en het volk Israël (Jes. 54:5-8; Jer. 2:2; 3:8-9; 9:2; Ez. 16:7-14; Hos. 2-3). In dat kader spelen begrippen als liefde en trouw een centrale rol. Het beeld kent ook een schaduwzijde: wanneer Israël ontrouw wordt en zich gaat interesseren voor andere goden, gedraagt het zich als een gehuwde vrouw die ontucht of hoererij pleegt.
Praxis
a Liederen:
Liedboek: Psalm 19; 45; 68; Gezang 38; 74; 89; 92; 112; 114; 157; 160; 199; 262; 265; 295; 303; 342; 357; 396 (= Gezangen: 761; Liturgie: 443; Zolang: 13); 405; 428; 487; Alles I: 18; 23; II: 16; III: 1; IV: 9; 18; 30; Bijbel I: 53; 54; Evangelie III: 16; 38; Gezegend: 240-245; Honderd: 94; Liturgie: 412; ZAD III: 9; 26; Zingend I-II: 180-184; IV: 30; 31.
b Poëzie:
Bertus Aafjes, Maria Sibylla Merian en andere gedichten, Amsterdam 1967, blz. 70: ‘Ik heb je lief’. Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 649: ‘Bruidegom’; 704: ‘Bruiloft’. J.C. Bloem, Verzamelde gedichten, Amsterdam 199110, blz. 88: ‘de bruid’. Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 32: ‘Getrouwd ontwaken’; 33: ‘Vervulling’. Jan Willem Schulte Nordholt,Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 228: ‘Voor altijd een’; 235: ‘Wij zijn de zee’. J. Slauerhoff, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1998, blz. 859-861: ‘Bruiloftslied’.
c.Verwerking:
Onze hedendaagse ervaringen en beelden van bruid en bruidegom, van huwelijk en bruiloft verschillen sterk met die van de bijbelse mens (zie de inleiding). We zullen daarom met voorzichtigheid de thematiek van het huwelijk ter sprake moeten brengen. Aan de andere kant spelen vandaag goeddeels dezelfde thema’s als toentertijd: verbond, verbondenheid, trouw, gemeenschap, verlangen, verwachting, vreugde en feest. Het zijn deze aspecten die de bijbelse bruiloft-symboliek toepast op de relatie tussen God en Israël, tussen Christus en zijn gemeente. Een mogelijke introductie van deze symboliek is een religieuze aan het woord te laten die haar roeping tot intreden beschouwt als een huwelijk met Christus; als teken daarvan dragen zij vaak een ring. Een andere invalshoek is het lezen van het liefdeslied Hooglied; een goede werkwijze daarbij is het inventariseren van de werkwoorden waarvan de bruid (de vriendin, het meisje) en de bruidegom (de vriend, de jongen) het subject zijn. Door deze verzameling van werkwoorden krijgen we een prachtig beeld van wat bruid en bruidegom ervaren, doen, zien enzovoort.
Verwijzing
Er zijn raakvlakken met de elders behandelde begrippen ‘lichaam‘, ‘geslacht‘, ‘broeder en zuster’ en ‘hoer‘.