Menu

Premium

In de kiem de toekomst zien

Zondag na Kerst (Jesaja 61,10–62,3 en Lucas 2,33-40)

Nu hij Jezus in de armen mag nemen, kan Simeon in vrede gaan. Nu heeft hij Gods redding, licht en glorie gezien. Deze woorden over hun zoon wekken verwondering bij Jezus’ ouders. Hun verwondering biedt Simeon de gelegenheid meer duiding te geven over de betekenis van hun kind, niet alleen voor diens naaste omgeving, maar ook voor Israël en de wereld.

Het leesrooster plaatst als eerste lezing een profetie uit Jesaja die qua sfeer en inhoud aansluit bij het Nunc dimittis (‘Laat nu in vrede gaan’) van Simeon en de daaropvolgende verkondiging van Hanna. Zowel Jesaja als Lucas zien, door Gods Geest vervuld (Jes. 61,1; Luc. 2,26-27), in de kiem reeds de door God voltooide toekomst van redding en gerechtigheid. Jesaja spreekt hierbij vanuit een context van ballingschap en diaspora. Beeldrijk beschrijft hij hoe het droevige lot van het volk en van Jeruzalem in de toekomst ten goede wordt gekeerd. Verslagenheid en rouw maken plaats voor hoop en bevrijding. God kleedt zijn volk in feestkledij (Jes. 61,3).

De spreker voelt zelf grote vreugde als hij met die feestgewaden omhuld is, bekleed als hij is met ‘het kleed van de bevrijding en de mantel van de gerechtigheid’ (61,10). Omwille van de betekenis voor het volk en voor Jeruzalem zal hij niet zwijgen, tot het eindelijk zo ver zal zijn dat het licht van de bevrijding schijnt en de volkeren de gerechtigheid van God erkennen (62,1-3).

Het lijkt zo vanzelfsprekend: ‘zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen’, zó doet God gerechtigheid en glorie ontkiemen voor alle volkeren (61,11). Maar het beeld van de hoogbejaarde Hanna en van Simeon met een kindje in de armen, geeft aan hoeveel godsvertrouwen er nodig is om te geloven dat er nu een nieuwe toekomst daagt. Simeon en Hanna spreken over een toekomst waarvan zijzelf wellicht niet meer dan dit kindje te zien krijgen, zoals Mozes slechts het vergezicht van een landschap zag, maar het Beloofde Land zelf niet levend mee kon intrekken.

Een tegengesproken teken

In Lucas 2,29-32 past Simeon datgene wat door Zacharia in zijn rede over Johannes zijdelings reeds werd aangekondigd over de opwekking van Gods heil (1,68-79), openlijk op het kind van Maria toe. Het lijkt misschien vreemd om Jezus’ ouders – en zeker Maria – ‘verwondering’ toe te schrijven. Juist Maria kreeg immers de betekenis van haar Zoon toegezegd nog voor diens geboorte: Jezus (‘God bevrijdt’) zal groot zijn, Zoon van de Allerhoogste, en koning op de troon van zijn vader David (Luc. 1,31-33). Narratief gezien biedt de emotie van verwondering echter de gelegenheid om verder te duiden wat er aan de hand is. In zijn lofprijzing had Simeon aanvankelijk vooral het positieve beklemtoond, in termen van redding, licht en glorie. In dezelfde lijn zegent hij zowel God (2,28) als de ouders (2,34). Maar zijn boodschap aan Maria verduidelijkt ook de tweespalt die dit kind met zich meebrengt.

Als God de huidige situatie ten goede keert, is dit in de Bijbel dikwijls een dubbelzinnig gebeuren. Het is goed nieuws voor wie nu arm is, of treurt, of onrecht is aangedaan. Maar of de aankondiging dat de tijd dat God optreedt ten gunste van het volk aangebroken is, werkelijk goed nieuws is, hangt ook van de eigen positie en keuze af. Voor de machtigen die het volk verdrukken, of voor wie zich uit opportunisme bij de machtigen heeft aangesloten, is het een tijd van oordeel. Erkent men daarentegen dat God hier aan het werk is, dan kan het beeld waar worden dat Jeruzalem (of Jezus) als licht voor de volkeren functioneert.

Het vergt hoe dan ook vertrouwen om tegen de alledaagse werkelijkheid van de Romeinse bezetting in, te geloven dat een andere werkelijkheid niet enkel mogelijk is, maar ook al begonnen is met dit kind. De woorden van Simeon laten er geen twijfel over bestaan: niet iedereen zal zijn godsvertrouwen delen. Als teken van God mag Jezus ook tegenspraak verwachten. Mensen zullen ten val komen, maar ook opstaan. Zelfs Maria ontkomt niet aan de uitdaging die haar kind stelt: een zwaard zal haar ziel doorboren. Het is een proces waarbij de diepste hartsgeheimen zichtbaar zullen worden.

God aan het werk?

Het Lucasevangelie is doordesemd van de hoopvolle verwachting dat God bevrijdend handelt. De nood is hoog: na eeuwenlang de speelbal van de grootmachten te zijn geweest, wordt het volk nu bezet door de Romeinen. Voor de lezers is het resultaat bekend: Rome zal Jeruzalem vernietigen, en daarmee gewapenderhand een einde maken aan wat nog overbleef van het sociaaleconomisch en religieus centrum. ‘En toch!’ zeggen de christelijke gemeenschappen. Hun overtuiging dat God handelt in Jezus, is sterk geworteld in de hoop op bevrijding ten tijde van Jezus. Maar zie je die hoop werkelijkheid worden als je rekening houdt met de kruisdood en met de verwoesting van Jeruzalem? Enerzijds daagt Lucas de lezers uit door telkens opnieuw te verwijzen naar het eeuwenoude verlangen naar bevrijding. Anderzijds laat hij hen kennismaken met mensen die positie innemen tegenover Jezus, wat lezers ook doet nadenken over hun eigen standpunt ter zake.

Simeon geeft aan dat dit kind tot een standpuntbepaling dwingt. De eerste persoon die hierop duidelijk kleur bekent, is Hanna (2,36-38). Zij wordt beschreven als een vrouw die met gezag kan spreken: als profetes, godvruchtige weduwe in woord en daad, joodse van geboorte, met een lange levenservaring. Zij erkent de betekenis van Jezus door God te danken en over Jezus te spreken met volksgenoten die hopen op Gods bevrijding. Op deze manier effent zij in het verhaal volgens Lucas, nog vele jaren voor Johannes de Doper hierin zijn rol zal spelen, de weg voor Jezus.

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken