Jezus antwoordde en zei…
6de zondag van Pasen (Johannes 14,23-31)
We vallen midden in een groter gedeelte dat begint bij Johannes 13, het verhaal van de voetwassing dat op Witte Donderdag gelezen wordt. De situatie is de seidermaaltijd en de gesprekken die daarbij plaatsvinden. Die gaan over de vraag wat de actuele betekenis van de seidermaaltijd, het Pascha, is. Dit gedeelte eindigt bij Johannes 14,31: ‘Staat op, laten wij vanhier gaan.’
Deze gesprekken worden vaak aangeduid als afscheidsgesprekken, maar je zou ze, met Naastepad, ook ‘inauguratiegesprekken’ kunnen noemen.1 Want dát is was hier gebeurt: de leerlingen worden voorbereid op de naderende executie van Jezus. De vraag is: hoe dan verder?
Het gedeelte van deze zondag behoort tot het intiemste en indringendste van wat Johannes geschreven heeft, en ook theologisch – en dan met name christologisch – is het van het allergrootste belang. Indringende vragen en indringende antwoorden. Tomas vraagt (vs. 5): hoe weten wij de weg? Antwoord van Jezus: ‘Ik bén de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook de Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.’ Voor Johannes is Jezus het gezicht van God de Vader zelf. Het Woord is vlees geworden.
Maar dan wordt in het gedeelte van vandaag een stap verder gezet: in de intieme identificatie van Jezus met de Vader worden ook de leerlingen betrokken. Die identificatie loopt via de liefde, de agapè, en die heeft op haar beurt weer alles te maken met de geboden: ‘Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft’ (vs. 21). Weer een stap verder: wie zo doet, ‘tot hem/haar zullen Wij komen en bij hem/haar zullen Wij woning (Gr.: monè) maken’ (vs. 23). God de Vader en Jezus de Zoon nemen hun intrek bij degenen die Hen liefhebben door de geboden te doen.
Belichaming van Leviticus
Het Lexicon van Murre geeft een interessante verwijzing bij het lemma monè: Leviticus 26,11-12.2 Indien de kinderen Israëls wandelen in de inzettingen van JHWH en zijn geboden nauwgezet in acht nemen, ‘dan zal Ik mijn tabernakel in uw midden zetten en Ik zal geen afkeer van u hebben, maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn’. Bij Johannes zegt Jezus dat het woord dat Hij tot zijn leerlingen spreekt niet van Hem is, maar van de Vader komt die Hem gezonden heeft. Dat klopt dus wel in die zin dat Jezus bij Johannes de belichaming is van de inzettingen en geboden van Leviticus.
Vers 26 is een pastorale geruststelling. De Vader zal een paraklètos sturen, vaak vertaald met ‘Trooster’ (bijvoorbeeld NBG51). NBV21 vertaalt met ‘pleitbezorger’. Ook ‘helper’ en ‘raadsman’ zijn mogelijk. De leerlingen hoeven zich dus geen zorgen te maken wanneer Jezus er niet meer is. In 1 Johannes 2,1 wordt Jezus zelf de parakleet genoemd, maar daar werkt het andersom: Jezus pleit bij de Vader voor zijn leerlingen. En ook dat is een troostrijke gedachte.
De Trooster is ook hier in het evangelie Jezus zelf, maar dan in de gestalte van de Geest. De leerlingen worden opgeroepen daarop te vertrouwen. Jezus zal hen niet als wezen achterlaten. Zij zullen de Trooster als de Geest der waarheid ontvangen en die zal hen bij de les houden (vs. 26). Johannes gebruikt hier het Griekse werkwoord didaskoo, ‘onderwijzen’. De Geest zet dus het onderwijs voort dat Jezus bij leven steeds gegeven heeft.
Dit is wat Jezus voortdurend doet: onderwijzen. Hij onderwijst Tora. Bij Matteüs lezen wij dat Hij dat deed met gezag en niet zoals de schriftgeleerden (Mat. 7,28-29). Bij Johannes wordt het onderwijs van Jezus tien keer genoemd, en bij elk van de synoptici nog veel vaker. Het is dé kernactiviteit van Jezus, en die houdt dus niet op met zijn dood. Het zal mede op grond van deze passages over de parakleet zijn dat tussen Pasen en Pinksteren uit Johannes wordt gelezen.
Kosmos van God los
‘Vrede geef ik U, míjn vrede, niet zoals de wereld, de kosmos, die geeft’ (vs. 27). Daarom is er geen reden tot verwarring of angst. Wat onderscheidt de vrede die de wereld geeft van de vrede die Jezus geeft? Het Griekse woord kosmos, ‘wereld’, komt bij Johannes 88 keer voor. Bij Matteüs negen keer en bij Lucas en Marcus elk drie keer. Je kunt dus wel zeggen dat het bij Johannes een centraal begrip is. Kosmos is bij hem niet zomaar de wereld waarin wij leven, maar de wereld die van God los is. De wereld die Hem niet gekend heeft: kennen in de Hebreeuwse betekenis van ‘omgang hebben met’. De kosmos is de sfeer waarin Jezus verworpen wordt. Lees met name Johannes 17, waarin dit woord achttien keer voorkomt.
Jezus gaat tot de Vader. In dit beeld spreekt Hij over zijn naderende einde. Zijn heengaan betekent tegelijk zijn terugkeer in de gestalte van de Geest. De leerlingen wordt gevraagd daarop te vertrouwen, temeer daar Jezus het hun nu gezegd heeft. ‘Niet veel zal Ik nog met u spreken,’ zegt Jezus; hoeveel te meer zal Hij nog voor hen bidden (Joh. 17). De archoon, ‘overste’, ‘heerser’ of ‘beheerser’, van deze wereld komt (vs. 30). De leerlingen zijn door Jezus onttrokken aan zijn machtsgebied, zijn heerschappij. Onttrokken aan de vrede die de wereld geeft, de Pax Romana, de slavenstaat gebaseerd op onderdrukking en geweld. In Leviticus 26, hierboven aangehaald, lezen we: ‘Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan’ (vs. 13). Dát is de vrede die Jezus geeft.
Deze exegese is opgesteld door Jaap Goorhuis.