Menu

Premium

Keuzes tussen tekst en toepassing

Wie de viering van een christelijke geloofsgemeenschap bezoekt, betreedt een wereld waarin de taal en de inhoud van de Bijbel de toon zetten. Liturgische teksten echoën Schriftwoorden, gebeden voltrekken zich in het spoor van een bijbelse litanie, liederen hebben het gehalte van Israëls lofprijzing en rond de tafel klinken citaten uit gesprekken van Jezus met zijn leerlingen. Gezegd en gezongen, telkens vertolkt en vertaald: waar christenen samenkomen, daar spreken de Schriften hun woord mee.

Dat geldt in het bijzonder voor de preek, overweging of meditatie. Welke benaming men daar ook voor kiest, het recept is hetzelfde: met een bijbelgedeelte als basisingrediënt creëert de voorganger een nieuwe tekst, namelijk die van de toespraak. Vervolgens maakt de luisteraar op zijn of haar beurt daar weer een eigen interpretatie van, en zo ontstaat er iets als een ‘continuing story’. Hoewel de preek in tijd en ruimte een beperkte omvang heeft, is zij in het geheel van de liturgie volledig verbonden met alle taal en betekenis die eraan voorafgaat en die er nog op volgt. Niettemin vormt een preek een eigen taalveld waarin het aan de orde zijnde bijbelgedeelte (of meerdere bijbelgedeelten) in gesprek wordt gebracht met de actualiteit van de hoorders en hun situatie.

Betekenisbruggen

Voor dit artikel buigen we ons over de vraag op welke manier dit gebeurt: welke betekenisbruggen slaan de voorgangers tussen de wereld van de tekst en de wereld van de hoorders?

Het idee was lange tijd dat de tekst van toen vertaald moest worden naar de wereld van nu. Uitleg en toepassing, oftewel explicatie en applicatie als opeenvolgende stadia in het proces van verstaan. De kloof die daarmee overbrugd moest worden lijkt gegeven met de situatie, want de tekst vormt de ene en het verstaan door de hoorders de andere oever van betekenis. De voorganger als prediker laveert in dit proces zoals een veerpont van de ene naar de andere zijde of bouwt een vaste brug waarlangs de betekenisgeving tot stand komt.

Dit ogenschijnlijk heldere model blijkt echter te eenzijdig. Het contrast of de kloof tussen bijbeltekst en ervaring of actualiteit vraagt niet alleen om bemiddeling aan de kant van de bijbeltekst, maar ook aan de kant van de ervaring. Het blijkt niet alleen nodig om de tekst te exegetiseren en te zoeken naar betekenis, want ook de werkelijkheid van de hoorders laat zich lezen als een meerduidige tekst die zich niet zomaar laat ontsluiten. Het ‘openleggen’ en op elkaar betrekken van tekst en actualiteit of ervaringswerkelijkheid vereist een excursie naar beide kanten en het stukje bij beetje bij elkaar passen van patroonlijnen die elkaar soms wel naderen, maar even zo vaak onverbonden naast elkaar blijven staan, precies zoals vele ervaringen van goed en kwaad in het mensenleven.

Vierbaanse toegang

Niettemin, in de loop van de geschiedenis zijn er begaanbare wegen ontstaan waarlangs de betekenissen zich hebben bewogen. In de joodse hermeneutiek kent men een vorm van viervoudige schriftzin, waarin Peshat de meer concrete en aan het letterlijke tekstoppervlak ontleende betekenis vormt. Remez doelt op de onderliggende, geestelijke, diepere betekenis. Derash zoekt de verbinding van betekenissen in een geheel zoals bijvoorbeeld in een preek en Sud betreft de verborgen, mystieke of bijvoorbeeld kabbalistische betekenislaag van een tekst. Met elkaar vormen deze invalswegen ‘PRDS’, ofwel een paradijs, een omgeving waarbinnen geleefd worden. In de christelijke methode van de viervoudige schriftzin vallen soortgelijke dimensies aan te wijzen: Littera gesta docet, quid credas allegoria, moralis quid agas, quod speras anagogia. De letterlijke tekst geeft aan wat geschied is, de allegorische betekenis wat men zal geloven, de morele betekenis hoe men zal handelen en de anagogische betekenis waarop men mag hopen.

In theologie van latere tijd hebben verwante paradigma’s zich ontwikkeld, waarbij specifieke invalshoeken de boventoon voerden. Bij Karl Barth is het vooral het verkondigende karakter van de tekst waarin het spreken van God zelf centraal staat, bij Rudolph Bultmann is het de existentiële aanspraak van de mens, en preken vanuit deze scholen weerspiegelen overeenkomstige interesses. In deze benaderingen lijkt het uiteindelijk te gaan om slechts één betekenis die normatief is ten opzichte van mogelijk andere betekenissen. Eén betekenis gaat de preek bepalen en dat heeft zijn weerslag gehad op de homiletiek. Dan betekent preekvoorbereiding vooral het vaststellen van een scopus van de tekst, een kern of ‘claim’ die vervolgens betrokken wordt op de situatie van de hoorders. Dit biedt vooral een helder paradigma voor op overtuiging gerichte prediking.

In homiletische methoden van de laatste vijftig jaar is meer oog voor de betekenis vanuit het perspectief van de hoorders. Bij Ernst Lange krijgen tekst en preek betekenis wanneer de hoorders hun eigen leven beter begrijpen.[1] De afstemming op de hoorders betekent meer oog voor een pluriforme betekenisgeving, want, zoals Gerd Theissen schrijft: ‘Die Suche nach der una sanctio interpretatio ist vorbei.’

Bovendien wijzen inzichten vanuit de literatuurwetenschap en de esthetiek op de principiële openheid en oneindigheid aan betekenissen die een tekst van zichzelf al heeft. Betekenis ontstaat niet zozeer daar waar een tekst uitgelegd wordt, maar waar de tekst in de nieuwe setting van onze situatie ‘geënsceneerd wordt’, oftewel ‘tot spreken komt’, aldus Albrecht Grözinger.[2] Homiletisch gezien betekent dit dat niet specifiek een kern of een ‘boodschap’ van de tekst verondersteld of expliciet geformuleerd wordt, maar dat de tekst in de setting van een nieuwe situatie zich opnieuw laat kennen. De vraag naar de doorwerking van de tekst bij de hoorders gaat eveneens een rol spelen in de preekvoorbereiding. Naast een ‘focus’ (wat zegt de tekst) wordt een beoogde ‘function’ (wat doet de tekst) geformuleerd (Thomas Long).[3] De vraag blijft daarbij echter nog steeds langs welke lijnen een voorganger het gesprek met de huidige tijd en betekenisgevingen wil aangaan.

Wesleyaans kwadrant

Om dit op het spoor te komen, werkten we in een pilotonderzoek aan de Protestantse Theologische Universiteit met het zogenaamde ‘Wesleyaanse kwadrant’[4], dat vier manieren onderscheidt waarop een theologische of, in ons geval, een homiletische uitwerking of betekenisgeving kan worden bereikt. Het kwadrant onderscheidt tussen de lijn van de Schriften, de gemeenschappelijke geloofstraditie, de rede en de ervaring. Deze lijnen kunnen worden gezien als de pijlers die de brug van de interpretatie ondersteunen. In de Wesleyaanse traditie vormt de door de Heilige Geest geïnspireerde Schrift de belangrijkste pijler en zijn de andere ervan afgeleid als aanvullende principes die de interpretatie behoeden voor een al te individualistische, moralistische of mystieke uitleg. Onze vraag is nu hoe deze pijlers zich vandaag de dag tot de inhoud en vormgeving van de preek verhouden.

De Bijbel als vanzelfsprekend relevant

Nauwkeurige bestudering van het preekmateriaal van predikanten uit de breedte van de Protestantse Kerk in Nederland laat zien dat de pijler van de Schriften wel aanwezig is, maar niet ingezet wordt als hulpmiddel bij het zoeken naar betekenis. In de onderzochte preken is dus weinig legitimatie terug te vinden die berust op het geïnspireerde gezag van de Bijbel of op canonisering en evenmin op het uitlegprincipe dat de Bijbel zijn eigen uitlegger is. Het gezag van de Schriften betreffende de tekst wordt noch gelegitimeerd noch gerelativeerd, maar eerder als vanzelfsprekend verondersteld. Het lijkt erop dat de predikers erop vertrouwen dat hun preekvormige herinterpretatie van de Schrifttekst de relevantie ervan automatisch bewijst. Een enkele keer, hoofdzakelijk in meer orthodoxe en evangelisch-charismatische preken, zien we een een-op-eenrelatie tussen Schrifttekst en betekenis, waar bijvoorbeeld van een tekst over exorcisme (Handelingen 19:13-20) direct een verbod op spiritisme wordt gemaakt ‘omdat het daarover gaat’.

Geloofstraditie

Opvallend is eveneens dat de pijler van de geloofstraditie of de confessie, die in de interpretatiegeschiedenis altijd een rol heeft gespeeld, nauwelijks waarneembaar is. De preken grijpen niet terug op relaties tot eerdere normatieve exegese, behalve wanneer het gaat om het afwijzen van als achterhaald beschouwde inzichten: ‘in vroeger tijden werd deze vrouw als een hoer weggezet’ (over Maria van Magdala). Het tonen van samenhang tussen bijbelinterpretatie en referenties aan centrale concepten vanuit de geloofstraditie, zoals heilsgeschiedenis, verlossing, of ethiek van de navolging, komt weinig voor. Ook bijbels-theologische paradigma’s, het verwijzen naar een verondersteld ‘midden’ van de Schriften, of het appelleren aan lokaal geliefde bijbelse narratieven, zijn niet prominent aanwezig als hulp bij het vinden van betekenis. Als er al van veronderstelde ‘traditie’ sprake is, dan is het vooral de vanzelfsprekendheid van de liturgische praktijk en preekpraktijk zelf, die onweersproken blijft.

Een redelijke uitleg

Soms zijn bijbelteksten uiterst weerbarstig, niet uit te leggen of zijn mogelijke betekenissen moreel of spiritueel haast onaanvaardbaar. Dit komen we vooral tegen bij preken over gewelds- en oordeelsteksten. Predikers benoemen dit als ongemakkelijk en signaleren de weerstanden die daarbij naar boven komen. Niettemin doen zij in veel gevallen hun best om de rimpels min of meer glad te strijken met een beroep op de rede en de logica. Uitleg over tijd en mores moet dan het begrip begeleiden en de bereidheid oproepen toch iets van een betekenis te ontwaren. De prediker komt hiermee veelal in de positie van advocaat van de tekst terecht. Hij of zij moet er toch iets mee kunnen en bepaalde lessen trekken uit een tekst. Het merendeel van de preken bedient zich van een argumentatieve logica in de betekenisgeving van de tekst. Zoals in een preek over de dwaas die verklaart dat er geen God is (Psalm 14) en waarin de voorganger van daaruit de rationele argumenten van hedendaags atheïsme in gesprek brengt met de tekst.

De analogie van ervaring

In veel preken valt op dat de verbinding tussen de Bijbel en het heden gelegd wordt via de analogie van ervaring. ‘Zoals toen… zo ook nu.’ Vaak zien we het isgelijkteken tussen de tekst en de toepassing die de voorganger geeft. Dan schakelt de prediker in de preek naadloos over van een schets van de bijbelse situatie naar de tegenwoordige tijd:

Familierelaties van Jezus staan model voor de onze. Afwijzing. Daar zijn we goed in. Vooral in een dorp. De negatieve, snerende houding van de mensen in blijkt zo sterk, dat Jezus er zelfs geen wonderen kon doen. Als we meer zouden beseffen, wat onze negatieve woorden kunnen uitrichten, wat voor muren we daarmee optrekken, zouden we misschien wat vaker onze mond houden.

Of, in een andere preek: Jezus die op de deur klopt in Laodicéa, doet dat hier vandaag met hetzelfde oordeel: ‘Jullie beseffen niet hoe ongelukkig je bent, hoe arm, berooid en blind en naakt.’ In verbindingen als deze lijkt de brug te lopen via de ervaring. Echter, de gelegde verbinding wordt in de meeste gevallen niet zozeer opgeroepen via het evoceren en benoemen van de ervaringen van de hoorders als zodanig, maar via het beargumenteren en verklaren van de ervaringen van hoorders. Er wordt vanuit een rationeel perspectief meer ‘over’ ervaringen gesproken dan dat ze met bijbehorende gevoelens en associaties expliciet opgeroepen worden. Zo wordt naar aanleiding van de geschiedenis van Lamech (Gen. 4) meteen gezegd: ‘Zit onze samenleving ook niet zo in elkaar? Het mechanisme om kwaad met kwaad te vergelden behoort tot de grondslag van de menselijke samenleving.’ Alleen in preken over geloofsvertrouwen in meer algemene zin wordt meer langs de lijn van de ervaring zelf gekoppeld. Zoals David in nood op God vertrouwde (Ps. 23), zo kunnen ook wij God vertrouwen.

Afstand en identificatie

Sommige predikanten maken de kerkgangers bewust van de afstand tussen de bijbeltekst en de actualiteit. Zij veronderstellen vervolgens dan toch vrij gemakkelijk een mogelijke identificatie: ‘In hoeverre voelt u zich een vreemdeling op aarde en kunt u zich vereenzelvigen met de dichter van Psalm 119?’ Of retorisch: ‘De situatie uit de Bijbel kun je nooit een op een op de situatie anno 2011 toepassen, maar is het raar om parallellen te zien?’ Verschillen worden vervolgens weliswaar erkend en even kort aangestipt, maar alleen de parallellen tussen de vrijmoedigheid van de apostelen om over Jezus te spreken en de godsdienstvrijheid van onze tijd komen terug in de uitwerking van deze preek.

Conclusies

Uit de beknopte analyse van actuele kerkdiensten vanuit de PKN blijkt dat de voorgangers vandaag de dag de verbinding tussen de bijbeltekst en de ervaringswereld vooral leggen via de analogie van de veronderstelde ervaring en via de brug van de rationele argumentatie. De autoriteit van de Bijbel wordt stilzwijgend verondersteld, maar als argument niet gebruikt. Geloofs- en uitlegtradities spelen geen rol, of alleen wanneer men zich daar expliciet van distantieert. Dit betekent dat de teksten waarover gepreekt wordt min of meer als ‘losse’ en op zichzelf staande teksten worden verstaan. Externe autoriteit helpt niet meer om relevantie of boodschap te versterken. Een voor hoorders niet relevante preek zal zijn weerslag hebben op de teksten zelf; die zullen in het verlengde mogelijk eveneens minder relevant geacht worden. Preken dragen op deze wijze nauwelijks bij aan het vormen van een gelovige identiteit, want het gaat om momenten en fragmenten die niet verbonden zijn met doorgaande lijnen van interpretatie. Dat geldt overigens in mindere mate voor trouwe kerkbezoekers, die wekelijks vieringen meemaken en vertrouwd zijn met de daar uitgezette liturgische bijbelleeslijnen. Via de lijnen die gelegd worden in de richting van kerkgangers en hun levenssituatie ontstaat mogelijk wel openheid voor geloofservaring en vernieuwing.

Prediking zich in de huidige tijd niet meer beroepen op autoriteit en exclusiviteit. Dat de hoorders echter naar verhouding nog veel op overtuiging gerichte argumentatieve prediking beluisteren, past bij de tendens in de maatschappij om geloofstaal duidelijk te articuleren. Maar een preek die zich verhoudt tot de Bijbel als ‘open tekst’ zou meer kunnen communiceren via enscenering (o.a. Grözinger), dramatisering (o.a. Nicol[5]), narrativiteit en verbeelding (o.a. Brueggemann[6]. Hedendaagse preekvormen vragen om een hermeneutiek waarbij het voortgaand gesprek naar alle kanten wordt opengehouden. In die ruimte de Geest zijn werk doen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken