Klaagliederen in de Goede Week
Alternatief bij Palmzondag (Klaagliederen 1,1-14, 2,8-15, 5,1-10 ,3,1-9 en 3,24-31
De Klaagliederen zijn een vorm van rouwverwerking. Ze geven stem aan de gevoelens die opkomen bij de confrontatie met een groot verlies. In de week voor Pasen kunnen ze helpen om volop mee te doen in het liturgische spel dat ons betrekt bij het lijden en sterven van Jezus. We delen de verwarde gevoelens van ontzetting, schuldgevoel, boosheid en hoop. Net als in de passiemuziek bieden ze een combinatie van lelijk geweld en schoonheid. Er wordt vorm gegeven aan iets wat niet goed in woorden is te vatten.
Vorm en inhoud
Het begin van de Klaagliederen – ‘Hoe eenzaam zit zij neer (…) haar wangen zijn nat van tranen’ (1,1-2) – doet denken aan het indrukwekkende slotkoraal van de Mattheüspassion: ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’. De manier waarop Johann Sebastian Bach de tekst magistraal vormgeeft binnen de kaders van de barokmuziek kan men vergelijken met de manier waarop de dichter van de Klaagliederen de tekst weergeeft. Net als Bach speelt de dichter daarbij met voorgegeven vormen. Centraal staat het derde lied, met 66 verzen waarbij steeds drie versregels beginnen met dezelfde letter uit het Hebreeuwse alfabet. De liederen daaromheen tellen elk 22 verzen.
In het eerste, tweede en vierde lied beginnen de verzen met de opeenvolgende 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. In het laatste hoofdstuk blijft de associatie met het alfabet beperkt tot het aantal. Men kan dat zien als een manier om aan te geven dat de klacht zo sterk wordt dat het de vaste vormen doorbreekt. Soms lukt het niet meer om alles op een rijtje te krijgen.
Verdeling in perikopen
De vespervieringen in de Goede Week bieden een goede gelegenheid om de tijd te nemen om de Klaagliederen tot hun recht te laten komen. Men zou ervoor kunnen kiezen om bij die vijf vieringen (Witte Donderdag heeft zijn eigen lezingen) gewoon de volgorde van het boek zelf aan te houden en dan ook alles te lezen. Dat vraagt veel van de voorlezer en hoorders. Het is aan de andere kant ook wel passend bij dit soort teksten. Men zou het kunnen vergelijken met de manier waarop mensen vaak verlieservaringen proberen te verwerken: namelijk door het verhaal en de gevoelens daarbij voortdurend te herhalen. Voor wie dat aanhoort, vraagt dat het nodige.
Soms moet men de neiging onderdrukken om te zeggen dat het nu wel genoeg is. Zo wordt er in sommige bijbelcommentaren ook wel enigszins denigrerend gesproken over de vele herhalingen en de soms clichématige teksten. Geduld blijkt soms eindig en begrip beperkt.
Bij de keuze voor de perikopen in het leesrooster krijgen de laatste lezingen uit hoofdstuk 3 terecht een extra accent. De drie voorafgaande lezingen werken toe naar de daarin uitgesproken voorzichtige hoop. In hoofdstuk 1 ligt de nadruk op de driemaal herhaalde oproep aan God: ‘Zie toch, HEER!’ (1,9.11.20). Die valt des te meer op omdat het de beschrijving van Jeruzalem, als geteisterde en alleen gelaten weduwe, doorbreekt. Herhaaldelijk wordt er verwezen naar de vijanden die Jeruzalem belagen tegenover de vrienden die haar niet trouw bleven. De associatie met het lijdensverhaal van Jezus ligt voor de hand.
In hoofdstuk 2 gaat het vooral om de overtuiging dat God zelf in zijn toorn de ellende over Jeruzalem brengt. Tegelijkertijd wordt God toch weer aangeroepen (met dezelfde, eerder genoemde woorden: ‘Zie toch, HEER’) en geconfronteerd met dit vreselijke leed (2,20). Dat pleit ervoor om verder te lezen dan de verzen 8-15, zoals voorgesteld in het leesrooster. De moeizame relatie met God klinkt ook door in vers 14. Daarin is sprake van profeten die Jeruzalem ‘hebben bedrogen met valse visioenen’. Het gaat hier om profeten met wie Jeremia het aan de stok had, zoals de profeet Chananja (Jer. 28). Deze profeten gingen in naam van God lijnrecht tegen Jeremia’s onheilsprofetie in. Zij spiegelden volgens Jeremia ten onrechte aan hun hoorders een visioen van vrede voor: ‘Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is’ (Jer. 6,14; 8,11).
Het verdient aanbeveling om heel hoofdstuk 5 te lezen. Het begint en eindigt met het aanroepen van de HEER. Dat is niet voor niets. In dit hoofdstuk tekent het opnieuw de theologische verwarring. Het begint met de vraag aan de HEER om Jeruzalem en haar inwoners te gedenken. Wat is er nog over van het loflied zoals dat ooit in de tempel klonk, dat God Sion nooit zal laten ondergaan (zie Ps. 46 en 48)? Het eindigt met een voorzichtig uitgesproken hoop (‘Waarom zou U ons voorgoed vergeten’; vs. 20) die allerminst een vaste hoop genoemd kan worden. Het laatste vers kan als vraag gelezen worden (NBG51: ‘Of zoudt Gij ons geheel en al verwerpen? Zoudt Gij al te zwaar tegen ons toornen?’), maar ook als bittere constatering (NBV21: ‘Werkelijk, U hebt ons geheel en al verworpen, uw toorn tegen ons is onbegrensd’).
De kern
Op Goede Vrijdag en Stille Zaterdag wordt gelezen uit hoofdstuk 3. Dit middelste deel kan – zoals vaak gebeurt in de Hebreeuwse poëzie – gezien worden als de inhoudelijke kern. In onze literatuur zou je dat eerder aan het eind verwachten. De nadruk op dit hoofdstuk wordt versterkt door de hierboven aangegeven bijzondere vorm van het alfabetische acrostichon. Er is een sterke associatie op Goede Vrijdag met de kruisiging van Jezus: ‘Al schreeuw ik en roep ik om hulp, Hij wil mijn gebed niet horen’ (3,8).
Op Stille Zaterdag zijn het met name de woorden in vers 29 die te denken geven: ‘Misschien is er hoop.’ Binnen het boek van de Klaagliederen is het middelste deel (3,22-39), met het voorzichtig uitgesproken vertrouwen op Gods goedheid en genade, te vergelijken met het oog, het stille midden van een storm.
Deze exegese is opgesteld door Klaas Spronk.