Menu

Premium

Kleding

mantel, gordel, deken, linnen

Kleding is in het leven van de mens een belangrijk gegeven. Mode is een heersende factor in onze samenleving. Kleding verhult èn onthult: zij verhult tot op zekere hoogte de persoon achter de kledij, maar tevens geeft iemand zich bloot door de soort kleding die hij of zij draagt. De onthulling betreft de binnenkant, het wezen, de positie of situatie van de geklede. Ja, met kleding kunnen we iets van onszelf vertellen. Denk aan de kleding van soldaten, rechters, predikanten, priesters, vrouwen, mannen. Maar ook aan sociale groepen, met name onder jongeren. Kleding spreekt een taal. Zij ordent, deelt in, onderscheidt, daagt uit, prikkelt, geeft vertrouwen en herkenning. Kortom, zij onthult.

Dit is niet alleen iets van onze tijd. In alle tijden en culturen heeft kleding meerwaarde gehad. Die meerwaarde is evenmin de bijbel vreemd. Vooraf merken we op dat kleding en naaktheid elkaar veronderstellen.

Grondtekst

Het Oude Testament heeft een scala aan woorden voor kleren. Het valt niet altijd precies te zeggen wat voor soort kledingstuk bedoeld is. Het frequenste woord voor kleding is bègèd (200x). Het hangt samen met het werkwoord bagad, ‘bedekken, verhullen’. Het kan allerlei soorten kleding duiden: weduwekleed (Gen. 38:14), cultuskledij (Ex. 28:2), rouwkleding (2 Sam. 145:2) enzovoort. Diverse woorden voor kleding dragen de stam lbsj, ‘(be)kleden’ (152x): malbosj, ‘gewaad’, 7x (1 Kon. 10:5; Sef. 1:8 enz.); levosj, ‘kleed, kleding’, ongeveer 35x (Ps. 35:13; Est.4:2 enz.); tilbosjèt, ‘gewaad’ (Jes. 59:17). Daar is verder me’iel, ‘bovenkleed’. Het komt 28x voor, met name in Exodus 39 en 1 Samuël 24. Het kan zowel cultische (Lev. 8:7) als profane (Job 1:20) kledij zijn. Zie ook chalifot begadiem, ‘bovenklederen’ (Richt. 14:12-13). Naast het bovenkleed bestaat er het ‘onderkleed’, sadien genoemd (Richt. 14:12-13; Jes. 3:23; Spr. 31:24). De koettonèt (29x) herinnert aan een Semitische stam die naar ‘linnen’ verwijst. Het betreft een hemdachtige lijfrok van linnen, een kledingstuk dat voornaamheid uitstraalde en met name door priesters werd gedragen (Ex. 2829; 39-40; Lev. 8; Jes. 22:21). Als bègèd en meiel in parallellie staan duiden ze het geheel van kleding, onder- en bovenkleding (Jes. 61:10). Met mad (10x: Lev. 6:3; Richt. 3:16) en madoe (2 Sam. 10:4; 1 Kron. 19:4) is een gewaad in algemene zin bedoeld; mogelijk een gewaad van aanzien, soms een soort wapenrok. De salmah (16x) en simlah (29x) betekenen ‘kleed’ in het algemeen (Joz. 9:5, 13) of specifiek ‘mantel’ (Ex. 22:25[26]). Met kesoet is ‘deken’ en ‘kleding’bedoeld; het verschijnt ongeveer 7x in een van deze twee betekenissen (Ex. 21:10; 22:26; Deut. 22:12; Jes. 50:3; Job 24:3; 26:6; 31:19). Het verbaast ons niet dat een en hetzelfde woord deken en kleding kan duiden, aangezien in het oude Israël de mantel ook als bedekking tegen de nachtkou dient. Verwant is soet, alleen in Genesis 49:11. In beide woorden betreft het een bovenkleed of mantel; zij dragen de stam ksh, ‘bedekken’. Andere woorden voor ‘deken’ zijn: semiekah (Richt. 4:18); makber, letterlijk ‘iets wat gevlochten is’, het kan dus ook ‘net’ betekenen (2 Kon. 8:15); marbaddiem (Spr. 7:16). De ma’atèh, ‘omhulling’, in Jesaja 61:3 (vgl. Sir. 11:4) is een mantel. Dat geldt ook voor gelom in Ezechiël 27:24. Het Aramese sarbal kan zowel op een broekachtig kledingstuk als op een mantel wijzen (Dan. 3:21-27). Voor ‘gordel’ (of lendendoek) bestaan in het Hebreeuws verschillende woorden: de ‘ezor, bovenal bij de profeten (2 Kon. 1:8; Jes. 5:27; 11:5; Jer. 13:1-11; Ez. 23:15; Job 12:18); ‘avnet, een soort sjerp om het middel, vooral door priesters gedragen (Ex. 28:4, 39-40; 29:9; 39:29; Lev. 8:7,13; Jes. 22:21); cha-gor(ah), ‘gordel’ (2 Sam. 18:11; 1 Kon. 2:5; 3:21; Jes. 3:24) of ‘schort’ (Gen. 3:7). Het laatste woord hangt samen met chagar, ‘omgorden, binden’ (44x), hetzij van kleding, hetzij van wapens. Het woord bad (ruim 20x) wordt vaak vertaald met ‘linnen’, maar deze vertaling is onzeker. Wat wel zeker is, is dat de priesters het dragen (Lev. 6:3; 1 Sam. 2:19) evenals de hoofdpersonen in de apocalyptische literatuur (Ez. 9:1-11; Dan. 10:5). Voor ‘linnen’ heeft het Hebreeuws het plurale pisjtiem, in de betekenis van kleding (het betekent ook ‘vlas’) ongeveer10x, ook gedragen door priesters (Ez. 44:17). Het Nieuwe Testament kent eveneens een rijke schat aan woorden voor kleding. We zien hima-tismos, ‘(be)kleding’ (Luc. 7:25; 9:29; Joh. 19:24; Hand. 20:33; 1 Tim. 2:9); himation, dat 60x voorkomt, in het enkelvoud meestal in de betekenis ‘gewaad’ en in het meervoud veelal in de zin van ‘kleding’;chlamys, de reis- of legermantel (Mat. 27:28-31); porfyra/ous, ‘purperen kleed of stof (Mar. 15:17; Luc. 16:19; Joh. 19:2; Op. 17:4; 18:12,16; vgl. Hand. 16:14); byssinos, ‘fijn linnen’, alleen in Openbaring (18:12,16;19:8, 14); chitoon, onderkleed’, direct op het lijf gedragen (Mat. 5:10; 10:10; Mar. 6:9; Mar. 14:63; Luc. 3:11; 6:29; 9:3; Joh. 19:23; Hand. 9:39; Jud. 23); endyma, ‘gewaad, kleed’, een geliefd woord bij Matteüs (3:4; 6:25 = Luc. 12:23, 28; 7:15; 22:11-12; 28:3);esthès, ‘kleding’, vooral bij de schrijver Lucas (Luc. 23:11; 24:4; Joh. 2:2-3; Hand. 1:10; 10:30; 12:31; Jak. 2:2-3); zoonè, ‘gordel’ (Mat. 3:4; 10:9; Mar. 1:6; 6:8; Hand. 21:11; Op. 1:13; 15:6. Zie ook de werkwoorden himatizoo, ‘kleden’; periballoo, ‘aantrekken van kleding’, in Openbaring in de context van de strijd tussen Christus en zijn tegenstanders (3:4,5,18; 4:4; 7:9,13; 10:1; 11:3; 12:1; 17:4; 18:16; 19:8,13); endyoo, ‘aantrekken, bekleden’, dat in overdrachtelijke betekenis in de christologie een essentiële plaats inneemt (Rom. 13:14; 1 Kor. 15:53-54; 2 Kor. 5:2; Gal. 3:27; Kol. 3:9-10; Ef. 4:24; 6:11,14; 1 Tess. 5:8).

Letterlijk en concreet

a.Kleding behoort samen met voedsel tot de primaire levensbehoeften van de mens (Ex. 21:10; Deut. 10:18; Sir. 29:21). Gebrek aan kleding en voedsel schendt de mens in zijn recht om te bestaan. En een maatschappij is decadent wanneer rijken de kleren van armen als pand opeisen (Am. 8:2). Als iemand in staat is van kleding te wisselen, wijst dat op een zekere welstand (Gen. 45:2); en wie geen wisselkleding bezit, verkeert in armoede (Deut. 24:13). In de kleding draagt men wel voorwerpen (Ex. 12:34; Mar. 6:8).

b.Ruwweg maakt de bijbel onderscheid tussen onderkleding en bovenkleding; bovenkleding en mantel kunnen samenvallen. Het bovenkleed en de mantel dienen tevens als deken om zich tegen de nachtkou te beschermen (Job 24:7). De Tora schrijft daarom voor dat een opperkleed als pand vóór de nacht moet worden teruggeven (Ex. 22:25-26[26-27]), want het is onmenselijk de nacht in te gaan zonder bescherming. De rijken dragen ook wel buitenlandse kleding (Sef. 1:8).

c.De bijbelschrijvers besteden veel aandacht aan de priesterkleding. Dat bevreemdt ons niet, aangezien menig priester ook bijbelschrijver is geweest. Bovendien neemt de cultus, inclusief de functie en positie van het cultuspersoneel, een grote plaats in de bijbel in. Zie onder andere Exodus 28. Allerlei onderdelen hebben een symbolische betekenis.

d.De gordel kunnen we vergelijken met een riem. In Israël draagt men die om het middel over de kleren heen om die bij elkaar te houden (2 Kon. 1:8; Hand. 21:11). Bij het slapen gaan wordt hij afgelegd.

e.Kleding fungeert niet alleen als bescherming tegen kou of hitte en als verfraaiing van het uiterlijk. Kleding heeft vooral een sociale functie. Kleding ordent en structureert. Kleding schept duidelijkheid over wie wat is en waartoe behoort. Daardoor draagt zij bij aan intermenselijke communicatie. Tegen die achtergrond moeten we het verbod zien om mannen- en vrouwenkleding door elkaar te halen (Deut. 22:5). Er bestaat kleding voor mannen en vrouwen, voor heren en knechten, voor hooggeplaatsten en het gewone volk, voor bepaalde beroepsgroepen (koningen, priesters, profeten enzovoort), voor uitgestoten mensen zoals de melaatsen, voor feestgangers en treurenden enzovoort. Voor een deel ontleent men de identiteit aan kleding, of ook: de kleding weerspiegelt de identiteit. Zo ligt de symboliek van kleding voor de hand. Juist vanwege haar wezenlijke functie, is de symbolische betekenis van kleding buitengewoon groot.

Beeldspraak en symboliek

a.Kleding weerspiegelt wie de mens is of wat hij doet. Hier geldt: Toon mij je gewaad en ik zal zeggen wie je bent. De buitenkant onthult de binnenkant. Zo zien we de personages in de profetische visioenen over de toekomst gekleed in ‘linnen’ (Ez. 9:2-11; Dan. 10:5; 12:6-7), wat verwijst naar hun innige relatie met God. Evengoed kan kleding de binnenkant verhullen. De waarheid of eigenheid wordt door kleding gecamoufleerd. Wolven – valse profeten – verschijnen in schaapskleren (Mat. 7:15; vgl. Jak. 2:2-3). Jakobus kijkt achter het masker van mensen die prachtig gekleed zijn (5:2) en Petrus vindt de binnenkant belangrijker dan de buitenkant (1 Petr. 3:3).

b.In verschillende bijbelverhalen neemt kleding een veelzeggende plaats in.

Prachtig gebeurt dat in de Jozefvertelling. Het begint met het gewaad dat Jozef van zijn vader krijgt (Gen. 37:3). Niet zomaar een pronkgewaad, maar het ontvangen en dragen ervan zegt iets over Jozefs positie in huize Jakob. Dit kleed, in koninklijke kringen gedragen (2 Sam. 13:1819), symboliseert Jozefs leiderschap. Mede daardoor wordt de relatie met zijn oudere broers volledig verstoord. Het conflict krijgt een dieptepunt als zij Jozef gevangennemen en zijn gewaad afrukken en in bloed gedrenkt naar vader Jakob sturen. Het suggereert dat de ‘kroonprins’ dood is. Voor Jozef houdt het afnemen van het kleed in dat hij zijn positie verspeelt. Wanneer Jakob het kleed ziet, scheurt hij zijn kleren (37:34), als teken van rouw. Eerder deed Ruben hetzelfde (37:29). Opmerkelijk is dat Jakob indertijd ook zijn vader bedroog met kleding (27:15-24); als een boemerang keert dat bedrog nu terug. Nog een tweede maal, als hij in Egypte is aangekomen, wordt Jozefs kleed gewelddadig van zijn schouders getrokken. Nu door de vrouw van zijn meester en weer loopt het uit op gevangenschap (39:12). In 41:14 wordt hij ontboden door farao om diens droom uit te leggen. Bij die gelegenheid krijgt hij andere kleren. Wisseling van kleren is symbool van wisseling van positie. De ontmoeting met de vorst loopt uit op nog een wisseling van kledij, nu linnen kleren als teken van waardigheid (41:42). Weer later geeft hij zijn in nood verkerende broers, die hem ooit de mantel afnamen, kostbare kleren mee; Benjamin – de jongste! -ontvangt zelfs vijf stel (45:21-22) als uiting van bijzondere liefde. In al die verhalen worden de wendingen in het leven van Jozef en de zijnen symbolisch in verandering van kleding tot uitdrukking gebracht.

Andere zogenaamde kleding- of mantelverhalen vinden we in onder meer Genesis 38; 1 Samuël 28; 2 Samuël 6; 2 Kon. 2:1-8; Zacharia 3:1-10.

c.Openbaring bevat heel veel beeldspraak en symboliek. Opmerkelijk is de grote aandacht die dit boek geeft aan kleding. De auteur heeft zijn troostrijke boodschap verhuld in diverse kledingstukken. Bovenal in ‘witte klederen’, die reinheid, overwinning, trouw en vreugde symboliseren. De geadresseerden van dit boek hebben het moeilijk. Welnu, met Christus zullen zij witte kleren dragen. Dat wil zeggen, zij zullen overwinnen, echt leven (3:5,18). De heiligen met hun rechtvaardige daden zullen door het Lam ten huwelijk worden gevraagd; hun bruidskleren (19:8) hebben zij reeds aan. In de verte ziet Johannes de geteisterde gemeente in witte gewaden voor de hemelse troon (7:9,13). Zij weerspiegelen de hemel, want alle figuren uit de hemel dragen eveneens smetteloze kleren (1:13; 10:1; 15:6; 19:14). Met de vrouw die met de zon bekleed is, doelt de ziener het op de Messias wachtende Jeruzalem (12:1); de zon symboliseert de aanwezigheid van het goddelijk licht. Een andere vrouw, Babylon, de anti-stad, draagt ook gewaden (17:4). Er zal een dag komen dat zij geen mooie kleding meer koopt, met andere woorden, aan de cultuur van Babylon zal een einde komen (18:12,16). De blinkende kledij valt juist op door de aanwezigheid van anders gekleurde of bezoedelde kleding. Het met bloed doordrenkte gewaad duidt met Christus als subject het gericht aan (19:13; vgl. Jes. 63:1-6). Maar Hij, het overwinnende Lam, draagt op zijn kleed een naam als teken van zijn macht (19:16). Voor de gemeente komt het erop aan dat zij haar kleren bewaart. Anders gezegd, bij zijn komst zal zij paraat zijn en de kleding die zij draagt getuigt daarvan (16:15).

d.Niet alleen in sommige verhalen en in een bepaald bijbelboek neemt kleding een bijzondere plaats in, ook in de beschrijving van het lijdens-en opstandingsverhaal van Jezus. De weg naar het eigenlijke lijden begint bij de verheerlijking op de berg, waar de leerlingen Hem in stralende witte kleding zien (Mat. 17:2), als een metafoor voor de goddelijke nabijheid. Later verschijnt er een soortgelijke gedaante, een hemelse figuur, bij het lege graf (28:30). Daar tussenin horen we dat de hogepriester zijn kleren scheurt en daarmee scheurt hij zich los van Jezus (26:65), van de koningskledij die men als bespotting Jezus aandoet (27:27-31; vgl. Jes. 63:1-6), van de ontkleding van Jezus en verloting van zijn kleren (27:35). Naakt sterft Hij, zoals Hij naakt geboren is. In het licht van dit ‘spel’ met kleding krijgt het verhaal van de zieke vrouw die Jezus’ kleed aanraakt tot genezing een ongekende diepgang (Mat. 8:20).

e.Een verstrekkende beeldspraak wordt zichtbaar in de koppeling tussen kleding en wijn of bloed. Volgens de zegenspreuk van Jakob voor zijn zoon Juda zal deze ‘zijn kleed wassen in wijn en in het bloed van de druiven zijn gewaad’ (Gen. 49:11). Hier hebben we een beeld van de overvloed: er zal in de toekomst zoveel wijn zijn dat Juda zijn kleren erin kan wassen. (Vergelijk ons gezegde: Hij zwemt in zijn geld.) Jesaja schildert God als degene die de wijnpers betreedt. Gods kleding en gewaad – beide komen driemaal voor – worden er bloedrood door (63:1-6; vgl. Op. 19:13). De bevuilde kleding is metafoor voor de oordelende God. God zal het recht herstellen en daarbij gaat Hij tot het uiterste; zelfs zijn gewaden raken erdoor bevuild. Johannes aanschouwt personen met witte gewaden. Hun kleding is witgewassen in het bloed van het Lam (Op. 7:13-14). Rood maakt wit -een paradox. De strekking is: in de kracht van Christus zullen de vervolgde christenen overwinnen. Een met bloed besmeurd kleed kan ook op gewelddadigheid duiden (Jes. 9:4).

f.Meer dan eens zien we dat immateriële dingen als klederen over personen hangen. Kleding geldt hier als metafoor voor iets waarmee iemand vervuld is. Bijvoorbeeld een eigenschap, hoedanigheid, omstandigheid, werkzaamheid of gave. Daar kan zowel een positieve als negatieve uitstraling van uitgaan. Zo ervaart Israël de vijand om zich heen als een kleed en gordel (Ps. 109:18-19). Israël mag het pronkgewaad aantrekken. De auteur bedoelt: aan zijn lijden komt een einde en dan zal het koninklijke feest aanvangen (Jes. 52:3). Elders uit de profeet zich haast lyrisch met ‘kleren van heil’ en ‘mantel der gerechtigheid’ (61:10; vgl. Job 29:1). De psalmist wenst dat de priesters zich bekleden met gerechtigheid en heil (132:9,16). Met andere woorden, de cultus staat in dienst van gerechtigheid en bevrijding! Van de Heer wordt gezegd dat Hij zich met gerechtigheid bekleedt, maar evengoed met wraak als mensen het recht verkrachten (Jes. 59:17; vgl. Ef. 6:14). Zijn kracht is zijn gordel en zijn majesteit zijn mantel (Ps. 93:1). Ook de gordel van de toekomstige Messias zal gerechtigheid en trouw zijn (Jes. 11:5). De kleding van cultuspersoneel, met name die van de hogepriester, bevat veel symboliek (Ex. 28; 39). Zoals de twaalf edelstenen die naar de twaalf stammen verwijzen, of de gordel die naar de nabijheid van de Heer verwijst.

g.Het wisselen van kleren – vaak in cultische context – symboliseert een keerpunt, verandering, omslag. Zuivere kleding in plaats van vuile: van ongerechtigheid naar reinheid (Zach. 3:4-5; vgl. Gen. 35:2); nieuwe kleren in plaats van gevangeniskleren: van gevangenschap naar vrijheid (Gen. 41:14). In dit kader noemen we het overdragen van het gewaad, wat aangeeft dat met het kleed of de mantel tevens de bevoegdheid, positie of de functie wordt overgedragen (Num. 20:28; 1 Sam. 18:4). Vooral bij de roeping van profeten gebeurt dat. Het overdragen van de mantel is symbool en ritueel om respectievelijk het profetische ambt af te leggen en te aanvaarden. Op indrukwekkende wijze zien we dat bij het afscheid van Elia, waar de mantel haast een sleutelwoord is. Eerst slaat Elia met zijn mantel op het water, zodat er een pad ontstaat; vervolgens vaart hij ten hemel en laat hij zijn mantel achter. Elisa is dusdanig verdrietig dat hij zijn kleren scheurt, maar meteen daarna neemt hij de mantel van zijn voorganger en ook hij slaat met deze mantel op het water om een pad te creëren. Op het moment dat hij de mantel overneemt, begint zijn profetisch werk (2 Kon. 2:1-18). Zie voorts 1 Koningen 19:19. Nog op andere manieren komt kleding bij de profeten naar voren, namelijk in de symbolische handelingen die zij moeten verrichten. Jesaja symboliseert met zijn schaarse kleding de situatie van weggevoerde ballingen (20:1-6). Jeremia krijgt van God de opdracht een linnen gordel – de waardigheid van elke man – te kopen en om zijn middel te doen en deze vervolgens in een rotsspleet te verbergen. Later blijkt de gordel bedorven te zijn (13:1-11), waarmee Jeremia het volk laat zien: zo zal het Jeruzalem vergaan!

h.Niet alleen mensen dragen kleding, God heeft eveneens de hemel bekleed. Over de aarde is als het ware een mantel gespannen, die de aarde beschermt (Jes. 40:22; Ps. 104:2). Wanneer het hemelkleed zwart is, treurt en rouwt de hemel (Jes. 50:3). Ook God zelf draagt kleding, aldus de menselijk voorstelling van God (Jes. 63:1; Ez. 16:8; Dan. 7:9). De schepping, in het bijzonder de kosmos, is de ‘mantel’ van God (Ps. 104:2; vgl. 65:7).

i.Het scheuren van kleren is teken van rouw en treurnis. Vaak gaat dat met andere rituelen gepaard, zoals het scheren van het hoofd. Er scheurt bij verdriet iets in de mens. Het is een ritueel dat schrik, ontsteltenis en ontzetting uitdrukt; het wordt veroorzaakt door een onheilsbericht. Bijvoorbeeld bij het horen van een sterfgeval (2 Sam. 1:11; Job 1:20) of bij een nederlaag (Joz. 7:6) of een aanstaande ramp (Est. 4:1) of hevige verontwaardiging (Mat. 26:65; Hand. 14:14). Volgens de Tora moet de melaatse met gescheurde kleren lopen, als ware hij in rouw gedompeld, zichtbaar voor iedereen (Lev. 13:4344). Ook onheilsbrengers verschijnen veelal met gescheurde kleren (1 Sam. 4:12). Zij drukken het onheil reeds uit in hun kleding. Het scheuren van een mantel rond het koningschap symboliseert dat de koning zijn macht verliest en dat zijn koninkrijk in stukken scheurt (1 Sam. 15:27-28; 28:17; 1 Kon. 11:29-39). Dat in 1 Samuël 15 de profetenmantel scheurt, maakt duidelijk dat de stem van God zal ontbreken. En het scheuren van Elisa’s mantel na de hemelvaart van zijn ‘vader’ Elia houdt niet alleen ontsteltenis in, maar zegt tevens dat Elisa zich ontkleedt zodat er ruimte komt voor Elia’s profetenmantel (2 Kon. 2:12-13). Zo neemt hij de profetische kracht van Elisa over.

j.Slijtage van kleding kan symbool van vergankelijkheid zijn. Tegen die achtergrond geldt het als een wonder en symbool van duurzaamheid door Gods nabijheid dat de kleding van Israël gedurende de woestijntocht niet slijt (Deut. 8:4). De schrijver van Hebreeën vergelijkt het geschapene met kleding als beeld van eindigheid en plaatst die vergelijking tegenover de eeuwigheid van God. Hij wil hiermee de vervolgde christenen troosten: het koningschap van Christus is onwankelbaar (1:11-12; vgl. Ps. 102:26-28). k. Het omgorden van de gordel staat gelijk met het aanvaarden van een opdracht, met het zich geroepen weten, met in actie komen (Jer. 1:17). De gehechtheid waarmee de gordel om het middel zit, is beeld voor de hechtheid tussen God en zijn volk (Jer. 13:11).

l.In het schenken van kleding brengen mensen hun intense verbondenheid met elkaar tot uitdrukking. Bijvoorbeeld Jakob en Jozef, Jonatan en David (Gen. 37:1-4; 1 Sam. 18:1-4). De een geeft de ander zijn binnenkant, zijn hart. Vergelijk in dit verband de uitspraken dat Gods Geest mensen ‘bekleedt’. De Geest legt zichzelf als een kleed om hun schouders; zij raken omhuld met zijn kracht (Richt. 6:34; 1 Kron. 12:19; 2 Kron. 24:20).

m.Witte kleding symboliseert de overwinning, zuiverheid en feestelijke stemming. Vandaar dat hemelse figuren witte gewaden dragen (Mar.9:3; 16:5). Maar eveneens degenen die in Christus hebben overwonnen (Op. 3:4) en mensen die het leven als vreugdevol beleven en genieten van de dingen om hen heen (Pred. 9:4). Zie daarentegen Psalm 42:10 waar de geteisterde hoofdpersoon in het zwart gekleed gaat.

n.Het afleggen van kleding beeldt een wezenlijke verandering in iemands leven uit. Haast aandoenlijk gebeurt dat door Bartimeüs: het afwerpen van zijn mantel verbeeldt het afleggen van zijn blindheid (Mar. 10:46-52). In dit verband noemen we ook de herhaalde apostolische uitspraken over het afleggen van kleden, beeld van terugkeer naar de Eeuwige, en het aantrekken van kleding, beeld van het aannemen van Christus als Heer over iemands leven. Het eerste staat voor het oude bestaan, het tweede voor het nieuwe leven; het eerste leven biedt geen toekomst, het tweede heeft eeuwigheidswaarde (Rom. 13:14; 1 Kor. 14:53-54; 2 Kor. 5:2-3; Gal. 3:27; Ef. 4:24; 6:11-14; Kol. 3:9-10; 1 Tess. 5:8).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 18; 22; 43; 65; 89; 93; 102; 104; 132; Gezang 9; 24; 96; 109; 286; 295; 307; 346; 382; 405; 439:2; Alles I: 25; Bijbel III: 2; Evangelie I: 35; Gezegend: 99; 449; Liturgie: 525 (= Gezangen: 620); 580 (= Gezangen 549); 655; Zingend I-II: 192; IV: 42; Zolang: 7 (= Liturgie: 570; Gezangen: 771; Zingend III: 54).

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 121: ‘Smart’; 122: ‘Contact’; 124: ‘Nacht’; 311: ‘Kleed’; 427: ‘Mantel’. Hans Andreus, Gedichten 1948-1974, Haarlem 1975, blz. 109: ‘Na het mesten’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 238: ‘Mantel’. Marcel Ploem, Een weg naarbinnen, Tielt 1996, blz. 10: ‘Elke dag een dag’. J.W. Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 1989, blz. 227: ‘Verhuld’. WisLawa Szymborsha, Uitzicht met zandkorrel, Amsterdam 1997, blz. 104: ‘Kleding’.

c.Verwerking:

De beeldspraak en symboliek van kleding biedt een scala aan thema’s: verhouding binnenkant en buitenkant van mensen, oud en nieuw leven, vergankelijkheid en duurzaamheid, de zin van rituelen en symboliek in cruciale ogenblikken.De betekenissen van kleding kunnen naar voren komen door een ‘kledingverhaal’ of het bijbelboek Openbaring te lezen. Of door het inventariseren van huidige gelegenheidskleding en de zin daarvan, zoals doop-, trouw- of uitvaartkleding, en de toga in de rechtszaal. Ook valt te denken aan liturgische gewaden en kleden in de kerkdienst. Verder bestaan er – met name onder jongeren – verscheidene ‘kleedculturen’. Boeiend isook de legende van de heilige Martinus (316397), die zijn mantel deelde met een bedelaar, en de daaruit voortgekomen kunst.

Verwijzing

Allereerst verwijzen we naar ‘naaktheid‘, de keerzijde van kleding. Verder is er verwantschap met ‘sluier‘ en ‘schoen‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken