Menu

Premium

Leerling, discipel

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

‘Discipel’ is afgeleid van het Latijnse woord voor ‘leerling’. Het woord wordt zelden gebruikt. Hoogstens komt het een enkele keer voor als benaming voor ‘volgeling’ (‘een discipel van Joop den Uyl’). Daarin klinkt het bijbelse spraakgebruik duidelijk door.

‘Leerling’ is een algemeen woord voor iemand die onderwijs ontvangt. Het verschil met het bijbelse spreken is dat bij ons het leerlingzijn vooral wordt geassocieerd met naar school gaan. Het klinkt als minderjarig en onvolwassen zijn. Het gegeven, zoals we dat in de Bijbel tegenkomen, dat iemand in heel zijn leven en in allerlei situaties leerling kan zijn, is minder ontwikkeld.

Woorden

In Nederlandse vertalingen van het Oude Testament komt slechts vier keer het woord ‘leerling(en)’ voor. Dit gaat steeds terug op de Hebreeuwse stam lamad. In de Septuagint wordt dit afwisselend vertaald met een vorm van het woord manthanein (‘leren’), met behulp van paideia (‘onderricht’) of didaktos (‘onderwezene’). Het nieuwtestamentische woord mathètès (‘discipel’) vinden we daar niet. Daarmee beperkt dit woord zich uitsluitend tot het Nieuwe Testament, waar het ruim 250 keer voorkomt (alleen in de evangeliën en Handelingen).

Betekenis in context

Oude Testament

Algemeen

In 1 Kronieken 25:8 wordt gesproken van de ‘leerling’ als iemand die ‘zanger-in-opleiding’ is voor de tempeldienst. Zo iemand stond blijkbaar onder begeleiding van een leermeester en leerde zo de kunst van zingen en musiceren.

Verder wordt nog drie keer van ‘leerling(en)’ gesproken in het boek Jesaja. In de moeilijke tekst 8:16 gaat het waarschijnlijk om een leerling van de profeet, die de opdracht krijgt om Jesaja’s onderwijs te bewaren. Jesaja 54:13 belooft dat in de toekomst alle Israëlieten leerlingen van God zullen zijn (vgl. Joh. 6:45). Over de derde tekst in Jesaja gaat het hieronder.

De Knecht als leerling

In Jesaja 50:4-5 begint het derde ‘Lied van deKnecht’. In 49:1-7 (het tweede lied) wordt deze ‘knecht’ beschreven als (een plaatsvervanger van) Israël, die van de moederschoot af is geroepen om een ‘licht der volken’ te zijn. Dit derde lied, waar de ‘knecht’ als leerling wordt beschreven, bouwt daarop voort. Het leerling-zijn houdt hier in dat de knecht door de Here wordt onderwezen om anderen te dienen en daarvoor lijden als loon ontvangt. Hij vertrouwt echter op God, die hem zal rechtvaardigen en zo de schuld van zijn aanvallers aan het licht zal brengen. Het is dan geen grote overgang naar het vierde ‘Lied van de Knecht’ (Jes. 52:13-53:12), dat de beroemde Messiaanse passage bevat over de man van smarten, die plaatsvervangend lijdt voor zijn volk.

Nieuwe Testament

Wat is een discipel?

Het woord ‘discipel’ of ‘leerling’ betekent in het Nieuwe Testament te allen tijde iemand die een leermeester volgt en van hem onderwijs ontvangt. Dit onderwijs is niet alleen kennisoverdracht, maar het is een ‘totaalpakket’: de leerling deelt het leven van de meester, heeft een persoonlijke band met hem en leert van zijn woorden en zijn voorbeeld. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in Jezus’ onderwijs in Johannes 13 (de voetwassing), waarin Hij in woorden en daden een gedragspatroon neerlegt voor de leerlingen. Met behulp van moderne terminologie zouden we kunnen spreken van ‘onderwijs en vorming’. Ons woord ‘leerling’ dekt die lading dus eigenlijk niet, tenzij we willen denken in termen van education permanente.

De leermeester (Hebreeuws: rabbi; Grieks: didaskalos) is in het Nieuwe Testament vrijwel altijd Jezus, maar een enkele keer wordt gesproken van ‘discipelen’ van Mozes (Joh. 9:28), van de Farizeeën (Mat. 22:16; Mar. 2:18), van Johannes de Doper (Mat. 9:14 enz.) en van Paulus (Hand. 9:26; 19:9). Het was in de traditie van het jodendom gebruikelijk dat leerlingen een religieuze leider uitkozen om van hem onderwijs te ontvangen en hem te volgen. In dat licht is het opmerkelijk dat in de evangeliën het initiatief bij Jezus ligt. In Marcus 1:16-20 lezen we hoe Jezus zijn eerste discipelen ziet en roept en hoe zij vervolgens hun bezigheden verlaten en Hem volgen. Johannes 1:35-40 beschrijft hoe twee discipelen van Johannes de Doper die Jezus aanvankelijk op eigen initiatief volgden, door Hem worden aangesproken, waarna Jezus het initiatief overneemt en hen aanneemt als zijn leerlingen.

Wie waren de discipelen?

Jezus had een intieme kring van twaalf vertrouwde discipelen om zich heen verzameld. Deze kring wordt aangeduid met ‘de twaalf discipelen’ of soms kortweg met ‘de twaalf (Mat. 26:20; Joh. 6:67 enz.). Het getal ‘twaalf’ is niet willekeurig: het verwijst zowel terug als vooruit. Enerzijds herinnert het aan de twaalf stammen van Israël. Daarmee stonden de twaalf discipelen symbool voor het hele volk waarvoor Jezus zich geroepen wist en waarnaar Hij zijn leerlingen in eerste instantie uitzond (Mat. 10:6; 15:24). Tegelijk wijst het getal twaalf vooruit naar het toekomstige volk van God, dat niet wordt beperkt door etnische grenzen, maar dat wel zijn wortels erkent (Mat. 19:28; Luc. 22:30). De leerlingen waren daarmee de voorhoede van dit vernieuwde en herstelde volk van God.

Binnen de groep van twaalf was er een ‘kerngroep’ van drie discipelen voor wie Jezus bijzondere liefde had: Petrus, Jakobus en Johannes. Zij waren de eerste geroepen discipelen (Mat. 4:18-22 enz.) en deelden sommige van zijn diepste momenten (Mat. 17:1; 26:37 enz.). Dat echter niet alleen: juist zij ontvingen ookberispingen. Dat gebeurde op het moment dat zij meenden aan hun positie bijzondere voorrechten te kunnen ontlenen (Mat. 20:2023 enz.). Niettemin bleef Petrus tot het einde toe een bijzondere vertrouweling en ook na Jezus’ hemelvaart was hij de vanzelfsprekende leider van de groep volgelingen van Jezus. Buiten de groep van twaalf waren er ook andere mensen die Jezus volgden. In de eerste plaats was er een grote groep mensen om Hem heen, die luisterde naar zijn woorden. Deze groep wordt de ‘schare’ (menigte) genoemd. Verder is er sprake van een groep van zeventig die Jezus aanstelde naast de twaalf en erop uitzond om het Koninkrijk Gods te verkondigen (vgl. Luc. 9:2 met 10:1). In Johannes 6:60-66 wordt gesproken van grote groepen ‘discipelen’ in de begintijd van Jezus’ optreden. Deze verlieten Jezus toen zij zijn woorden niet langer konden verdragen.

Jezus’ onderwijs aan zijn discipelen

De twaalf discipelen gelden als Jezus’ bijzondere vertrouwelingen. Hij vraagt van hen totale toewijding (Luk. 14:26-27). Zij hebben dan ook alles verlaten en zijn Hem gevolgd. Daarom zullen zij de meest vooraanstaande plaats innemen onder de volgelingen van Jezus en in de toekomst zitten aan zijn rechterhand (Mat. 19:27-30; Mar. 10:28-31).

Hun bevoorrechte positie blijkt ook uit het feit dat Jezus bijzonder onderwijs over zijn identiteit voor hen reserveert. Een patroon dat we vaak tegenkomen in de evangeliën is dat Jezus een verhaal of gelijkenis vertelt aan de ‘schare’ en die vervolgens in de kring van zijn twaalf leerlingen uitlegt (Mat. 13:1-53 enz.). Soms wendt Hij zich in het bijzonder tot zijn leerlingen wanneer Hij iets vertelt (Luc. 12:1 enz.). Jezus verbiedt de leerlingen te vertellen dat Hij de Messias is (Mat. 16:20; Mar. 8:30; Luc. 9:21). Ook moeten zij bepaalde ervaringen voor zich houden tot na de definitieve openbaring van wie Jezus is (Mat. 17:59; Mar. 9:9).

Zo wijdt Hij hen langzamerhand in in het feit van zijn aanstaande sterven en opstanding (Mat. 16:21 enz.), iets wat bij hen niet veel begrip ontmoet (Mar. 8:31-33). Hoe dan ook worden de discipelen, vooral door Matteüs, Marcus en Lucas, vaak afgeschilderd als mensen die niet begrijpen wie Jezus is en wat Hem bezighoudt (Mat. 26:8-13; Mar. 1:35-38 enz.). Marcus zegt zelfs: ‘Hun hart was verhard’ (6:53). Zij schermen Hem af voor mensen in nood (Mat. 15:23 enz.), begrijpen geregeld de diepere betekenis van zijn woorden niet (Mat. 16:5-7; Mar. 5:31), verwachten dingen van Hem die Hij niet wil waarmaken (vgl. Hand. 1:6) en tonen anderzijds weinig geloof bij dingen die Hij wel wil doen (Mat. 14:1519; 15:32-36 enz.), één uit hen verraadt Hem (Mat. 26:20-25 enz.), een ander ontkent dat hij Jezus heeft gekend, zij slapen wanneer Hij lijdt (Mat. 26:37-45; Luc. 22:45) en ten slotte laten zij Hem in de steek (Mat. 26:56). Zelfs na zijn opstanding twijfelen sommigen van hen nog aan Jezus (Mat. 28:17).

Een enkele keer echter breekt het inzicht bij hen door. Vaak is het Petrus die daarbij het woord voert (Mat. 16:13-16; Mar. 8:27-29; Luc. 5:8). Niettemin gaan deze momenten van diep inzicht soms ook weer gepaard met onbegrip (vgl. Mat. 16:16-23 enz.). Ditzelfde geldt in het Evangelie van Johannes, maar daar wordt meer aandacht besteed aan de momenten van inzicht en begrip die de discipelen wel degelijk hadden. Vaak staat dit in verband met een bijzonder betekenisvolle daad van Jezus. Zo kan gezegd worden dat Jezus’ discipelen in Hem geloofden na het wonder in Kana (Joh. 2:11), dat zij zich een profetie herinneren na Jezus’ ruiming van de tempel (Joh. 2:17). Ook volgens Johannes breekt het echte begrip echter pas door na Jezus’ opstanding. Dan vallen dingen op hunplaats die tijdens Jezus’ leven nog raadselachtig waren (Joh. 2:22; 12:14-16). In deze zin functioneren de discipelen in de evangeliën ook om de eenzame weg van Jezus des te scherper te tekenen. Niet alleen zijn familie, maar ook zijn trouwste vrienden begrijpen Hem niet werkelijk en kunnen uiteindelijk niets voor Hem betekenen.

Intimiteit en navolging

Vooral Johannes besteedt verhoudingsgewijs veel aandacht aan het zogenaamde ‘besloten onderwijs’ dat Jezus middels een aantal toespraken geeft aan de kleine kring van zijn twaalf leerlingen. Dit onderwijs behoort tot de meest geliefde delen van het Nieuwe Testament, vanwege het ontroerende spreken over vriendschap, liefde van God en mensen, opoffering, dienstbaarheid en de toekomst (Joh. 13-16 enz.). Nergens krijgen we dieper zicht op het gemeenschapskarakter van discipel-zijn. Jezus noemt zijn discipelen zijn ‘vrienden’ (Joh. 15:15). Met andere woorden, zij zijn niet slechts een verzameling individuen, maar een gemeenschap die haar onderlinge verbondenheid ontleent aan Jezus. Wie Jezus volgt, maakt deel uit van zijn familie (zie ook Mat. 12:49). In deze gesprekken wordt ook vooruitgekeken naar de tijd dat Jezus niet meer op aarde is en meer mensen dan alleen een intieme kring Hem zullen volgen. Jezus laat zien dat ook toekomstige volgelingen hier in zijn gedachten zijn. ‘Ik bid U niet alleen voor dezen (= de twaalf), maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn…’ (Joh. 17:20-21).

De intieme band tussen Jezus en zijn leerlingen is ook bepalend voor de weg van de navolging (Joh. 1:37, 38, 40; 8:12; 10:27-28; 13:36-38). In de kern komt dit erop neer dat de leerlingen Jezus’ missie zullen delen. Zoals Hij hen ooit heeft beloofd dat zij, net als Hij, vissers van mensen zullen zijn (Luc. 5:1-10 enz.), zegtHij nu: ‘Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend Ik jullie’ (Joh. 20:21). Dit ‘zoals’ zegt iets over de stijl waarmee de leerlingen de wereld ingezonden worden. Net als Jezus zullen zij afzien van eigen roem en heerlijkheid. Hun leven zal opofferend zijn. Zo verbindt Jezus het volgen van Hem met zijn eigen weg naar het kruis (Luc. 9:18-27). Een discipel is niet meer dan zijn heer, wat betekent dat hij diens lot zal delen wanneer hij werkelijk discipel wil zijn (Joh. 15:20; zie ook Mat. 16:24; 19:2730; Mar. 8:34-38). Tegelijk zegt het iets over de Opdrachtgever: net als Jezus zullen zijn volgelingen mogen gaan, in het diepe vertrouwen dat zij Gods werk doen en in de kracht van de Geest. ‘En Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde’ (Joh. 20:20). Een christen volgt de veldheer die voorop gaat en de littekens draagt van een gevecht dat al gewonnen is.

De aanduiding ‘discipel’ na Jezus’ hemelvaart

De term ‘discipelen’ krijgt na Jezus’ hemelvaart de ruimere betekenis van ‘volgeling’, die bij zijn leven op aarde af en toe al doorschemerde. Overigens gebruikt Jezus bij zijn ontmoeting met de elf overgebleven discipelen op de berg in Galilea ook al de term ‘discipelen’ om de toekomstige christenen aan te duiden (Mat. 28:19). In het boek Handelingen worden de twaalf discipelen voortaan ‘apostelen’ of de ‘twaalf genoemd, maar niet langer ‘discipelen’.

‘Discipelen (des Heren)’ is voortaan een aanduiding voor allen die Jezus volgen (Hand. 6:1 enz.). De term kan afgewisseld worden door ‘christenen’ (Hand. 11:26). Nieuwe bekeerlingen worden aangeduid met de term ‘discipelen’ (Hand. 14:21 enz.). Daarmee worden zij aangeduid als mensen die in een intieme verhouding van onderwijs en navolging tot Jezus staan. Zij zullen zijn lijden en zijn heerlijkheid delen (Hand. 14:22).

Kern

‘Discipelen’ zijn een gemeenschap van volgelingen van Jezus Christus. Zij hebben een persoonlijke band met Hem en ontvangen onderwijs en vorming van Hem. Dit gebeurt door zijn woorden, zijn daden en door het delen van zijn leven. Discipel-zijn is onlosmakelijk verbonden met een houding van onderlinge liefde en dienstbaarheid, met het delen van het lijden van Christus en de belofte van heerlijkheid.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: apostel, gelijkenis, leraar, navolging.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken