Menu

Premium

Leeuw

De leeuw wordt de koning der dieren genoemd. Algemeen is het gevoel dat hij het meeste recht heeft op die eretitel. Zijn uiterlijk maakt indruk. Hij is de grootste van de katachtige roofdieren. Zijn lange manen verschaffen hem koninklijke allure. Zijn moed en kracht zijn spreekwoordelijk. We zeggen niet voor niets dat iemand vecht als een leeuw of zo sterk is als een leeuw. Soms kan zelfs een leeuw worden overvleugeld. Soms blijken zijn moed en kracht niet opgewassen te zijn tegen slimheid en vernuft. Dat is het geval in het bekende middeleeuwse dierenepos Van den vos Reynaerde, geschreven rond 1250. Reinaert de vos wordt ervan verdacht enkele ernstige vergrijpen te hebben begaan. Koning Nobel de leeuw ondervraagt hem, maar wordt door de geslepen vos om de tuin geleid en blijkt niet in staat hem als een leugenaar te ontmaskeren.

Grondtekst

In bijbelse tijden waren leeuwen geen onbekende verschijningen in het land Israël. Dat blijkt uit het feit dat het Hebreeuws verscheidene woorden kent die met ‘leeuw’ – in Israël leefde de Afrikaanse leeuw – vertaald kunnen worden: ‘arie (Num. 23:24; Richt. 14:5,18; 1 Sam. 17:34-36; 1 Kon. 7:29,36; Spr. 22:13; 26:13; 28:15; Hoogl. 4:8; Jes. 38:18; Jer. 50:17; Amos 3:12; 5:19); ‘arjeh: synoniem van ‘arie (Gen. 49:9; Deut. 33:22; Richt. 14:5,8-9; 2 Sam. 17:10,23; 1 Kon. 13:24-28; Ps. 7:3; 10:9; 17:12; 22:14,22; Jes. 11:7; 15:9; 31:4; 35:9; 65:25; Jer. 12:8; 49:19; 50:44; Ez. 1:10; 10:14; Joël 1:6; Am. 3:4,8; Mi. 7:3); kefier betekent vooral ‘jonge leeuw’ (Richt. 14:5; Ps. 104:21; Jes. 31:4; Jer. 2:15; 51:38; Ez. 19:3; Zach. 11:3; etc.); diezelfde betekenis heeft sjachal (Job 4:10; 10:16; 28:8; Ps. 91:13; Spr. 26:13; Hos. 5:14; 13:7); lavie’ -leeuw(in) – komt minder vaak voor (Gen. 49:9; Num. 23:24; 24:9; Deut. 33:20; Jes. 5:29; 30:6); in één tekst staat levijja’ (Ez. 19:2); op een drietal plaatsen is lajisjte vinden (Job 30:6; Spr. 30:30; Jes. 30:6). In het Nieuwe Testament komt het Griekse woord leon slechts op een beperkt aantal plaatsen voor (2 Tim. 4:17; Hebr. 11:33; 1 Petr. 5:8; Op. 4:7; 5:5; 9:8,17; 10:3; 13:2).

Letterlijk en concreet

a.Bewoners van gebieden waar leeuwen actief zijn, weten uit ervaring dat met deze dieren niet te spotten valt. Ook de auteurs van de bijbelboeken wisten waarover ze schreven. In het oude Israël leefden leeuwen en zij vormden een voortdurende bedreiging voor de bevolking (Am. 5:19). Vermoedelijk waren ze vooral te vinden in bossen en struikgewassen aan de oevers van de Jordaan (Jer. 49:19). Onverhoeds overvielen ze mensen (1 Kon. 13:24; 20:36; Spr. 22:13) en dieren (Jes. 31:4; Mi. 5:7). Meestal konden omstanders niet veel anders doen dan machteloos toezien hoe de leeuwen hun prooi overrompelden en verscheurden. Wie zich met succes tegen een dergelijke overval verweerde, had alle reden daarop trots te zijn en kon op ieders bewondering rekenen: Simson (Richt. 14:5-6) en David (1 Sam. 17:34-38).

Beeldspraak en symboliek

a.Leeuwen spelen een belangrijke rol in de beeldspraak van de bijbel. Van eenvormigheid is geen sprake. Over de verschillende eigenschappen van de koning der dieren kan in zowel positieve als negatieve zin worden gesproken. Hij boezemt angst in en dwingt respect af. Om die reden werden leeuwen in de oud-oosterse wereld niet alleen met koningen, maar ook met goden in verband gebracht. In de tempel te Jeruzalem bevonden zich afbeeldingen van leeuwen (1 Kon. 7:29). Wanneer de profeet Ezechiël aan het einde van zijn geschrift in alle uitvoerigheid een ideaalbeeld schetst van een nieuwe tempel dan vergeet hij hen niet te noemen (Ez. 41:19). Leeuwen bevonden zich op de treden van de troon van koning Salomo: ‘De koning liet ook een grote troon maken van ivoor en die met fijn goud bekleden. Zes treden had die troon en een gouden voetbank die aan de troon bevestigd was, net als de armleuningen aan beide kanten van de zitting; naast de armleuningen stonden twee leeuwen. Op de zes treden stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten zes. Voor geen koning was ooit zoiets gemaakt’ (2 Kron. 9:1719).

b.Majestueus en angstaanjagend is het brullen van leeuwen. Volgens sommige profeten laat het spreken van God zich daarmee treffend vergelijken: ‘De Heer brult vanuit Sion, uit Jeruzalem weerklinkt zijn stem: hemel en aarde sidderen’ (Joël 4:16; vgl. Am. 1:2); ‘De Heer briest uit de hemel, uit zijn heilige woning dondert zijn stem. Hij brult tegen zijn stad … (Jer. 25:30). Het verschrikkelijk brullen symboliseert het feit dat God met groot gezag spreekt, maar illustreert tevens dat zijn spreken een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor al diegenen die naar zijn woorden niet wensen te luisteren. Dat blijkt ook uit enkele passages uit het boek van de profeet Hosea: ‘Ikzelf (God) zal mij als een leeuw tegen Efraïm keren, als een jonge leeuw tegen het huis van Juda. Ik verscheur ze en Ik ga weg, Ik haal ze weg en niemand ontrukt ze aan Mij’ (Hos. 5:14); ‘Ik (God) ben voor hen als een leeuw geworden, Ik loer als een panter langs de weg. Ik val hen aan als een berin die van haar jongen beroofd is, en Ik rijt hun borstkas open; als een leeuwin verslind Ik hen, zij worden door wilde beesten verscheurd. Het is uw ondergang, Israël, terwijl Ik toch uw helper ben!’ (Hos. 13:7-9).

c.Met een leeuw te worden vergeleken is eervol: ‘wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan een leeuw?’ (Richt. 14:18). Aan het einde van het eerste bijbelboek, in de afscheidswoorden van vader Jakob, wordt tegen Juda het volgende gezegd: ‘Juda is een jonge leeuw; met roof ben je groot geworden, mijn zoon! Hij vlijt zich neer, hij ligt als een leeuw, als de koning der dieren; wie waagt het hem te wekken?’ (Gen. 49:9). In het laatste bijbelboek valt de verrassende weerklank van deze woorden uit het eerste bijbelboek te beluisteren. Tegen de ziener van Patmos wordt het volgende gezegd: ‘Toen zei een van de oudsten tegen mij: “Droog je tranen. De Leeuw uit de stam Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen: Hij mag het boek openen en de zeven zegels verbreken’ (Op. 5:5). In deze apocalyptische tekst heeft de figuur van Jezus een opmerkelijke metamorfose ondergaan: de zachtmoedige koning rijdend op een ezel (Mat. 21:5) is veranderd in een leeuw die strijdt en overwint.

d.Over leeuwen kan niet alleen positief worden gedacht en gesproken. Ze jagen angst aan. Ze overvallen mens en dier. Zaaien dood en verderf. Het is begrijpelijk dat in de bijbel leeuwen ook verschrikkingen symboliseren: ‘Hele kuddenstieren staan om mij heen, die zware beesten van Basan dringen op, leeuwen sperren hun muil naar mij open met doordringend, verscheurend gebrul’ (Ps. 22:13-14). Gewelddadigheden worden met leeuwen vergeleken (Jes. 15:9; Ez. 19:2-9); valse profeten (Ez. 22:25); vijandige vorsten (Spr. 19:12; 28:15); goddelozen (Dan. 6:1-29: het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil); heidenen (2 Tim. 4:17; Hebr. 11:33); en ten slotte ook de satan/duivel met zijn trawanten: ‘Wees nuchter en waakzaam. Uw vijand, de duivel zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om die te verslinden’ (1 Petr. 5:8); ‘Toen zag ik uit de zee een beest opstijgen. Het had tien hoorns en zeven koppen, en op zijn hoorns tien diademen, en op zijn koppen stonden godslasterlijke namen. Het beest dat ik zag, leek op een luipaard, zijn poten waren als die van een beer en zijn muil was als een leeuwemuil’ (Op. 13:1-2).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 7; 10; 17; 22; 34; 57; 91; 104; Gezang 10; 45; 107 (= Gezangen: 554); 125; 212; 272; Alles I; 13; II: 38; Bijbel I: 38; III: 29; Gezegend: 30; 98; 209; Liederen: 66; Mond: 23; ZAD II: 2; 29; 37; Zingend I-II: 271; IV: 75; Zolang: 93.

b.Poëzie:

J.Bernlef, Gedichten 1960-1990, Amsterdam 19848, blz. 219: ‘Het is niet wat men schiet’. Guillaume van de Graft,Verzamelde liederen, Baarn 1986, blz. 287: ‘Van de naam en het nieuwe begin’ (ook als lied te zingen). Judith Herzberg, Doen en laten, Amsterdam 19977, blz. 16: ‘Het zijn de kleine vossen niet alleen…’. Sonja Prins, Vrijheid om te zijn, Amsterdam 1977, blz. 90: ‘Leeuw’.

c.Verwerking:

Kracht en macht zijn de meest in het oog springende facetten van de leeuw-symboliek. Zowel vroeger als in onze tijd. De leeuw was bijvoorbeeld in Egypte en Assyrië de symbolische bewaker van paleizen, heiligdommen en graftomben. In de Nederlandse cultuur treffen we vaak de leeuw aan op wapenschilden. Het dier is zelfs ons nationaal symbool, dat bij internationale sportfestijnen luidruchtig en creatief tot uitdrukking wordt gebracht (zie het volkse: ‘Hup, Holland hup, laat de leeuw niet in zijn hempje staan…’). Met deze voorbeelden – zie ook het in de inleiding genoemde dierenepos-kunnen we de betekenis van de leeuw illustreren en in verbinding brengen met de bijbelse leeuwsymboliek. Als thema’s signaleren we onder andere: kracht en macht (en hun tegengestelde begrippen), overwinning en strijd, heerschappij, gezag, vijandschap en angst.

Verwijzing

In het algemeen is er een verwantschap met ‘dier‘ en de leeuw als roofdier bevat een verbinding met ‘roofvogel‘. Zie verder ‘koning‘ en ‘lam‘ (als tegenpool).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken