Menu

Premium

Leven

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

In de geloofstaal is ‘leven’ het bestaan van mensen, dieren en planten, zoals het door Gods schepping tot aanzijn is geroepen. De levensadem van de mens is een geschenk van God. Hij kan de mens in het leven houden en redden van een dreigende dood. Bovenal is ‘leven’ voor de geloofstaal leven in gemeenschap met de Here God en Jezus Christus. Dat leven heet in het Nieuwe Testament ook ‘eeuwig leven’.

In de cultuurtaal staat ‘leven’ voor biologisch leven, iemands levensduur of iemands levenswijze (‘een lui (of een dubbel) leven leiden’). Met ‘het politieke leven’ of ‘het kerkelijke leven’ bedoelt men wat er omgaat of wat iemand doet in politiek of kerk. In heel andere zin wordt het woord leven gebruikt voor ‘herrie’ of ‘lawaai’ (‘maak niet zo’n leven’) of voor prostitutie (‘zij werkte in het leven’).

Woorden

Het gewone woord voor ‘leven’ of ‘levensduur’ is in het Oude Testament chaj(im) (bekend uit de joodse toast lachajim, ‘op het leven’, verbasterd tot ‘daar ga je’). Ook nefesj(ziel) kan ‘leven’ betekenen, maar bij nefesj is meer het aan het lichaam gebonden levensprincipe bedoeld, terwijl bij chajim de nadruk ligt op het leven als geschenk van God. Het woordje chaj, ‘levend(e)’ wordt gebruikt voor God, mensen en dieren (chaja, ‘levende wezens’), maar nooit voor planten; wel is sprake van ‘levend (= stromend) water’ en van ‘levend (= rood) vlees’. Het werkwoord chaja ‘leven’ betekent ook ‘tot leven komen’ of ‘genezen’ van een ernstige ziekte, en tevens ‘wonen’ (vgl. het Engelse ‘to live’). Het is opvallend dat het begrip ‘leven’ (800 x in het Oude Testament) het meest voorkomt in de boeken Genesis, Ezechiël en Psalmen, ontbreekt in Kronieken, Ezra, Nehemia en slechts zelden (14X) voorkomt bij de profeten (afgezien van Ezechiël). Vaak vindt men de tegenstelling ‘leven en niet sterven’.

Het Grieks heeft zowel in de Septuagint als in het Nieuwe Testament voor ‘leven’ gewoonlijk dzoot, een enkele maal bios (bekend uit ons woord bioscoop, ‘kijken naar het leven’); het werkwoord ‘leven’ is dzan of (zelden) bioun of diagein.

Betekenis in context

Oude Testament

Al het leven is van God

Genesis 1 verhaalt hoe God al wat leeft geschapen heeft. Met name het leven van de mens geldt als geschenk van God. Volgens Genesis 2:7 ‘formeerde de here God de mens van stof uit de aardbodem en blies Hij de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen’ (SV: ‘een levende ziel’). Het leven van de mens blijft afhankelijk van die levensadem. Als God die wegneemt, sterft de mens en keert hij weder tot stof (Ps. 104:29). In zijn zorg voedt en onderhoudt Hij al wat leeft, zelfs het ‘gedierte des velds’ (lett.: ‘het levende van het veld’ = het wild, Ps. 145:15-16; 104:14-30; Ex. 23:11).

Uit Hizkia’s danklied (Jes. 38:9-20) blijkt een aantal dingen, namelijk dat alleen een ‘gezond’ leven als echt leven gold; dat men ernstige ziekte ervoer als een afdalen in het dodenrijk, waar men God niet kon loven (vs. 10, 18; vgl. Ps 6:3-6; 88:4-7, 11); dat men genezing ervoer als geschenk van God, die weer ‘doet leven’ (vs. 16) en dat het loven van God kenmerkend is voor iemand die werkelijk leeft (vs. 19).

Een lang, verzadigd leven als dat van Abraham (Gen. 25:8) was een door God geschonken heilsgoed (Ps. 91:16). Tegelijk is de psalmist zich bewust van de kortstondigheid en vergankelijkheid van het leven: ‘wij voleindigen onze jaren als een gedachte (…) want het gaat snel voorbij en wij vliegen heen’ (Ps. 90:9-10; vgl. 89:48; 103:15-16; Job 7:6; 9:25; 1 Kron. 29:15). De kwetsbaarheid en bedreiging van het leven hangt in het Oude Testament nauw samen met de (ver)houding van de mens tegenover God. De ongehoorzaamheid van de mens jegens Hem had niet alleen de dood als oordeel, maar ook allerlei ellende tot gevolg (Gen. 3:3, 16-19). De keerzijde is er echter ook: de mens die Gods verordeningen in acht neemt ‘zal daardoor leven’ (Lev. 18:5; vgl. Job 36:8-12). Ezechiël stelt ieder verantwoordelijk voor zijn daden jegens de Here: de goddeloze die volhardt in zijn ongerechtigheid, zal sterven (33:9), maar wanneer een goddeloze zich bekeert – hetgeen Gods liefste wens is – dan zal hij daarom leven (33:11, 15, 19). In Spreuken 1-9 biedt vrouwe Wijsheid het leven als heilsgoed aan: ‘Mijn zoon, (…) bewaar mijn geboden en leef’ (7:2). Wie de ware wijsheid, de vreze des Heren, vindt, heeft het leven gevonden (8:35, 12-13; vgl. 3:1, 4-10, 13, 20-22; enz.). Wie haar echter afwijst, stort zich in verderf en verschrikking, in benauwdheid en angst, en vindt de dood (1:24-32; 8:36).

Het leven van Israel als volk

Ook het leven van Israël als gemeenschap is afhankelijk van de relatie van het volk tot de Here God. Zo stelt Mozes Israël voor de keuze tussen het leven en de dood, het goede en het kwade. Israël kan alleen het beloofde land binnengaan en er blijven leven, als het de Here liefheeft, wandelt in zijn wegen en zijn geboden onderhoudt (Deut. 30:15-16; 4:1; 5:33; 11:8-9). Dat is ook bedoeld in het vijfde gebod: het verlengen van de levensdagen ziet hier niet op een langer individueel leven voor iemand die zijn ouders eert, maar het geldt voor Israël als volk: dat kan alleen ‘in het land’ voortbestaan, wanneer het respect toont voor de ouders en ‘oudsten’, die namens God het gezag uitoefenden.

De levende God

Enkele malen wordt de Here ‘de levende God’ genoemd. Hij is dat als de Heilige, bij wiens ‘stem uit het vuur’ een sterveling niet in leven kan blijven (Deut. 5:26), maar Hij krijgt die naam vooral in confrontatie met heidense tegenstanders als Goliat (1 Sam. 17:26, 36; vgl. 2 Kon. 19:4, 16 = Jes. 37:4, 17) en in de bestrijding van het dienen van dode afgodsbeelden (Jer. 10:1-10). Hij is dan de altijd ‘levende God’ in tegenstelling tot de baäls, de natuurgoden, die in het vruchtbare seizoen leven, maar sterven in de dorre zomer, waarin de doodsgod Mot heerst. De Here is met name ‘de levende God’, omdat bij Hem de ‘bron des levens’ is (Ps. 36:10) en omdat Hij het leven geeft en bewaart (Job 3:20; Mal. 2:5; Ps. 103:4). Naar Hem ‘dorst’ de psalmist daarom (Ps. 42:3). De ‘God die eeuwig leeft’ is ook de betrouwbare, bij wiens leven men zweert (Dan. 12:7) met de woorden: ‘Zo waar de Here leeft’ (41x, vooral in de boeken Richteren tot en met Koningen, bijv. 1 Sam. 14:39, 45; vgl. ‘zo waar Ik leef, bijv. Jer. 22:24).

Het leven hiernamaals

Zelden spreekt het Oude Testament van een leven na de dood. Slechts een enkele (late?) tekst getuigt er expliciet van: ‘Herleven zullen uw doden – ook mijn lijk -, opstaan zullen zij’ (Jes. 26:19; vgl. Dan. 12:2). Toch was de notie van een opstanding blijkbaar niet onbekend. Anders is moeilijk te begrijpen hoe Ezechiël (37) het beeld van het herleven van doodsbeenderen kon gebruiken om Israëls herrijzen na de ballingschap te profeteren. In elk geval vinden wij in de psalmen de overtuiging dat het aardse leven niet het hoogste goed is: ‘Uw goedertierenheid is beter dan het leven’ (Ps. 63:4), en bovendien het vertrouwen dat de gemeenschap met God hier op aarde een voortzetting na de dood krijgt: ‘Ik zal bestendig bij U zijn…; Gij zult mij leiden door uw raad en daarna mij in heerlijkheid opnemen’ (Ps. 73:23-24; vgl. 49:16). Zo werd immers ook Henoch ‘opgenomen’ en voer Elia ten hemel (Gen. 5:24; 2 Kon. 2:11)

Nieuwe Testament

Tweeërlei leven

Evenals het Oude spreekt ook het Nieuwe Testament van Gods zorg voor al wat leeft. Jezus vermaant: ‘Weest niet bezorgd over uw leven.’, over voeding en kleding. De hemelse Vader zorgt ervoor, zoals Hij ook doet voor vogels en planten (Mat. 6:25-34). Het gaat hier over het natuurlijke leven van de mens, evenals in Lucas 8:14, waar sprake is van ‘lusten des levens’ die het zaad van het woord verstikken. En als de Goede Herder zijn leven ‘inzet’ of ‘aflegt’ voor zijn kudde, betreft dat ook zijn aardse leven (Joh. 10:11, 15, 17-18; 1 Joh. 3:16). Een dubbel aspect van ‘leven’ zit in Jezus’ woord: ‘ieder, die zijn (aardse) leven (lett. ‘zijn psyche’) zal willen behouden, die zal het (ware leven) verliezen, maar ieder, die zijn (aardse) leven verloren heeft om Mijnentwil,die zal het (ware leven) vinden’ (Mat. 16:25; Mar. 8:35; Joh. 12:25). Alleen in een zelfverloochenend leven met de Here, die zijn leven gaf als losprijs voor velen, is het ware leven te vinden (Mat. 20:28). Met name Johannes getuigt van dat ‘leven’, dat van den beginne af in het Woord (Christus) was als ‘het licht der mensen’ (1:4). Jezus is ‘het brood des levens’ dat ‘aan de wereld het leven geeft’ (6:33-35; vgl. 6:53). Hij is de weg, de waarheid en het leven’ (14:6). Door de ‘Geest die levend maakt’ (6:63) kunnen wij ‘door het geloof het leven hebben in zijn naam’ (20:31). Kortom: ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven, wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet’ (1 Joh. 5:12). Wie gelooft in Hem die Jezus gezonden heeft en de broeders (de medegelovigen) liefheeft, is overgegaan uit de dood in het leven (Joh.5:24; 1 Joh. 3:14).

Eeuwig leven

Johannes noemt het ware leven ook ‘het eeuwige leven’ (of ‘eeuwigheidsleven’). Eeuwig is daarbij niet zozeer een tijds- als wel een kwaliteitsaanduiding. ‘Dit nu is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt’ (17:2-3). Dat eeuwige leven begint hier en nu reeds: ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven’ (3:36, 15-16; vgl. 5:24; 1 Joh. 5:12). Een enkele maal betrekt Johannes ‘eeuwig leven’ op het hiernamaals, bijvoorbeeld als hij Jezus’ woord citeert over ‘de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven’ en als hij de belofte van het eeuwige leven laat volgen door: ‘ik zal hem opwekken ten jongsten dage’ (6:27, 40). In de andere evangeliën is het eeuwige leven een heilsgoed voor de ‘toekomende eeuw’ (Mar. 10:30; Luc. 18:30), dat de Zoon des mensen bij zijn komst ‘op de troon zijner heerlijkheid’ zal toebedelen aan ‘hen die aan zijn rechterhand zijn’, met de woorden: ‘Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af’ (Mat. 25:34).

Ook voor Paulus is het eeuwige leven ‘het einde’ van een leven in dienst van God, aan de mens geschonken als genadegift van God (Rom. 6:22-23). In de Openbaring van Johannes heet dat ‘de kroon des levens’ voor ‘wie getrouw is tot de dood’ (Op. 2:10; vgl. Joh. 1:12). Alleen zij die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam zullen het nieuwe Jeruzalem binnengaan. Hun zal Christus ‘te eten geven van de boom des levens (.) in het paradijs Gods’ (Op. 2:7, 10; vgl. 22:2, 14; Jak. 1:12) en daarmee is de vloek van de zondeval (Gen. 3:22-24) tenietgedaan.

Kern

Alle leven is door God geschapen. Leven en geschapen zijn horen bij elkaar. Omdat het leven gave van God is en onder zijn zorg en hoede staat, past het ons Hem te prijzen, naar zijn geboden te leven, en respect te hebben voor het leven van mens en dier. De huidige discussie over menselijk ingrijpen om kunstmatig leven van dieren en mensen tot stand te brengen, stelt kerk en christenen voor wezenlijke problemen. Enkele vormen van menselijk ingrijpen, zoals de reageerbuisbevruchting, mogen nog ethisch aanvaardbaar en voor sommigen zelfs een zegen zijn; andere vormen, zoals het klonen van (menselijk) leven, lijken moeilijk te verenigen met het geloof dat het leven door God gegeven is. De klacht over de vergankelijkheid van het leven in de psalmen heeft een keerzijde in het vertrouwen dat een leven met God bij de dood niet kan ophouden. Door Jezus’ kruis en opstanding kreeg dat vertrouwen een nieuwe impuls: het uitzicht op een eeuwig leven, dat in het leven op aarde begint en zijn bekroning vindt in het vaderhuis met de vele woningen. De christelijke gemeente leeft in de spanning tussen dankbare waardering vanhet leven nu als gave Gods en het verlangen naar het leven van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: dood, heiligheid, schepping, vergankelijkheid, vertrouwen.

Wellicht ook interessant

Opengeslagen Bijbel
Opengeslagen Bijbel
None

Gods transcendentie en Jobs geloof 

Katja Tolstoj hield op 2 februari 2024 een toespraak op de presentatie van het boek De bijbel als biografie van God en mensen. Geschiedenis en hergebruik van teksten, geschreven door Eep Talstra. In deze schriftelijke uitwerking van de toespraak werkt ze drie punten uit: de benadering van Talstra, relevantie van het werk voor een vruchtbare dialoog tussen systematische theologie en Bijbelwetenschappen en haar persoonlijke interesse voor het vraagstuk van het lijden en de eigenschappenleer van God. 

Symbolen vanuit de christelijke traditie op digitale wijze afgebeeld in een foto van een man die op een laptop werkt
Symbolen vanuit de christelijke traditie op digitale wijze afgebeeld in een foto van een man die op een laptop werkt
None

Taalkunde, theologie en de computer

Willem van Peursen hield op 2 februari 2024 een toespraak bij de presentatie van het boek De bijbel als biografie van God en mensen. Geschiedenis en hergebruik van teksten, geschreven door Eep Talstra. In deze schriftelijke uitwerking van de toespraak gaat Van Peursen in op twee centrale vragen: hoe kunnen we een christelijke geloofsleer formuleren die recht doet aan de inzichten van de bijbelwetenschappen. En krijgen nieuwe digitale methoden als statistiek, machinelearning en AI een plaats in de werkkamer van de exegeet?

Nieuwe boeken