Levinas en het geld
Dat geld de diabolische macht heeft om alles, ook mensen, tot handelswaar te transformeren, wordt door de profeet Amos vastgesteld. God handhaaft zijn oordeel over Israël, zo roept Amos uit, ‘omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen en de arme om een paar schoenen’ (2:6). Het is een van de bijbelteksten die Levinas aanhaalt. Aan wat hier gezegd wordt over het vermogen van geld om mensen tot verhandelbare dingen te laten verworden, doet hij niets af. Van een denker die alle vormen van totalitair denken scherp kritiseert en opkomt voor de personaliteit van mensen, kan ook niet anders verwacht worden. En toch verzet hij zich tegen globale veroordelingen van de waarde van het geld en de handel, zoals ze bijvoorbeeld in het Communistisch Manifest (1848) te vinden zijn: ‘de bourgeoisie heeft tussen mens en mens geen andere band overgelaten dan die van het naakte belang, de gevoelloze ‘contante betaling’’. In zijn in 1843 verschenen traktaat over het ‘joodse vraagstuk’ verklaarde Marx het jodendom tot oorsprong en symbool van dit burgerlijke kapitalisme. De wereldlijke god die het vereert is geen andere dan het geld.