Met de kinderen: De geest
Bij Johannes 3,1-16
Verhaal
Er was eens een geest die in een fles zat. Het was wel krap, want in de fles zat ook nog water. Daar moest hij de fles mee delen. ‘Ik weet niet of ik dit nog langer wil,’ zei de geest.
‘Hoezo?’ vroeg het water. ‘Zit je niet lekker zacht op mij, daar boven in de fles?’
‘Jawel,’ zei de geest, ‘maar ik voel me zo nutteloos. Een geest hoort niet in een fles. Tenminste niet altijd. Hij moet er ook eens uit.’
‘Ja, daar heb je gelijk in. Water moet ook niet stilstaan maar stromen,’ moest het water toegeven. ‘Als ik nu eens flink tegen je billen duw, en jij zet je handen stevig tegen de kurk!’
Dat deden ze. En plop! Daar vloog de kurk van de fles.
Door de schok viel de fles om. Het water liep eruit, precies op een zaadje in de droge grond. Dat begon te ontkiemen. En toen het plantje opkwam, blies de geest er speels tegen aan, zodat het soepel heen en weer bewoog en groot en sterk werd.
Het werd nacht. De geest werd bang en kroop terug in de fles.
Het water lachte hem uit en zei: ‘Bangeschijter! Kijk eens naar mij, ik zit al voor de helft in dit plantje. Stel je voor dat ik terug in de fles kroop, dan ging het hartstikke dood!’
De geest schaamde zich en kwam weer uit de fles. Hij begon te zwerven, woei eens hier, woei eens daar, een bries tot het morgen werd.
‘Kijk het plantje eens, het groeit als een tierelier!’ riep het water.
De geest zag het en sloeg zijn armen om het water heen. En samen zongen ze: ‘Water en geest, wij gaan nooit verloren!’ De geest zong het hardst, want hij had de meeste lucht.
Gesprek
Voor of na het verhaal kun je met de kinderen filosoferen over de aard van water en geest. Kun je het voelen, ruiken, horen, zien, proeven? Wat heb je eraan?