Nieuwe hoop vanuit de Tora
Alternatief bij Pinksteren (Ruth 2)
Wat met Pasen gezaaid is, wordt met Pinksteren geoogst. Pinksteren is in het jodendom immers een oogstfeest: het Wekenfeest. Na het ‘opstaan’ (Hebr.: qum, Ruth 1,6) van Naomi in Moab, gloort er nieuwe hoop in Betlehem (Ruth 2). Daar is de gersteoogst net begonnen (1,22). Op de achtergrond spelen beloften uit de Tora. Vijfmaal klinkt de naam van de Eeuwige (Hebr.: jhwh, 2,4.4.12.12.20). Driemaal klinken de woorden ‘gunst, genade’ (Hebr.: chen, 2,2.10.13) en ‘aankleven’ (Hebr.: dabaq, 2,8.21.23).
Een nieuwe hoofdrolspeler wordt voorgesteld, niet zomaar de eerste de beste, maar ‘uit de familie’ (Hebr.: mimmisjpachat, 2,1.3 – NB14) van Elimelech. Hij is ‘een dappere en kloeke man’ (Hebr.: ’isj gibbor chajil, 2,1 – eigen vertaling). Zijn naam Boaz (Hebr.: bo‘az, ‘in hem is kracht’) herinnert aan een zuil van de tempel (1 Kon. 7,21). Ruth gaat ‘aren lezen’ (Hebr.: laqath bhasjsjhibalim, 2,2), ‘achter iemand in wiens ogen ik genade, gunst (Hebr.: chen) vind’ (2,2 – eigen vertaling). Naomi geeft toestemming: ‘Ga, mijn dochter’ (Hebr.: lekhi bhitti, 2,2 – eigen vertaling). ‘Bij toeval valt haar toe’ (Hebr.: wajjeqèr miqerèha, 2,3 – NB14) het velddeel dat van Boaz was. Wat een toeval! Of is hier meer aan de hand? Gaat het om genade, om ‘heilige Geest’, al wordt die niet genoemd?
Aren lezen achter de maaiers
In Leviticus 23,15-22 wordt het Wekenfeest besproken, met het uitdrukkelijke voorschrift om iets van de oogst – ‘de rand van de akker’ en ‘wat blijft liggen’ (NBV) – te laten liggen voor de armen en de vreemdelingen (23,22). In Rechters 19 hebben we gehoord hoe slecht er in de dagen van de rechters (Ruth 1,1) in Gibea met vreemdelingen uit Betlehem werd omgegaan. Hoe zal Boaz handelen? Veelbelovend groeten Boaz en de maaiers elkaar over en weer met de naam van de Eeuwige (Hebr.: jhwh ‘immakhèm (…) jebharèkhekha jhwh, 2,4).
Dan vraagt Boaz aan de voorman van de maaiers: ‘Bij wie hoort deze jonge vrouw?’ (2,5). In het antwoord wordt Ruth door de voorman beschreven als een ijverige Moabitische jonge vrouw, die met Naomi is teruggekeerd uit Moab (2,6-7). Ook horen we hoe Ruth (in 2,2) een beroep heeft gedaan op de regels van het (aren) ‘oplezen’ (Hebr.: laqath, tien keer in Ruth 2: 2,2.3.7.8.15.15.17.17.18.19). Nu richt Boaz zich rechtstreeks tot Ruth (2,8-9). Ruimhartig past Boaz de Tora-regels toe. Hij zegt immers: ‘Ga nooit op een ander veld oplezen’, en: ‘Kleef hier aan bij de jonge vrouwen van mij’ (2,8 – eigen vertaling). ‘Aankleven’ is een themawoord (Hebr.: dabaq, 2,8.21.23) dat ook herinnert aan Ruth 1,14 en Genesis 2,24. Het gaat om Ruths veiligheid. Boaz legt dat nader uit: ‘Gebied ik de jongens niet om jou niet aan te raken?’ (2,9 – eigen vertaling, vgl. ook NB14).
De vleugels van de Eeuwige
Ruth is degene die het woord ‘gunst, genade in jouw (of: wiens) ogen’ (Hebr.: chen be‘enèkha, 2,2.10.13) in de mond neemt. Zij verbaast zich erover dat zij ‘erkend wordt’ door Boaz (Hebr.: nakhar, hif., 2,10.19), terwijl zij ‘vreemdelinge’ (Hebr.: nakhrijjah, 2,10) is. In Boaz’ antwoord horen we de eerdere woorden van Ruth tegen Naomi (1,16-17) weerspiegeld: ‘Dat je (…) na de dood van je man je vader en moeder en het land van je geboorte verliet en ging tot een volk dat je gisteren en eergisteren niet kende’ (2,11 – eigen vertaling).
Zoals zij tegen Naomi heeft gezegd: ‘Jouw God is mijn God’ (1,16 – NB14), zo wenst Boaz haar dat de Eeuwige (Hebr.: jhwh, 2,12 – eigen vertaling) ‘je rijkelijk moge belonen’ (NBV) – ‘de Eeuwige, de God van Israël onder wiens vleugels (Hebr.: kenafim) je een toevlucht hebt gezocht’ (2,12 – NBV04). Deze ‘vleugels van de God van Israël’ zullen straks een concrete gestalte krijgen in de ‘vleugel’ van Boaz (3,9 – niet letterlijk vertaald in de NBV04 en de NBV21).
De Tora ook toegepast naar de geest
Nadat de jongens haar te drinken hebben gegeven (2,9), geeft Boaz haar zelf te eten (2,14). Bovendien ‘gebood hij zijn jongens door te zeggen: Ook tussen de garven mag zij oplezen en je zult haar niet beschamen, je zult voor haar zelfs uit de arenbundels trekken, ja, trekken en het laten liggen, dat zij het opleest, en jullie mogen niet op haar schelden’ (2,15-16 – eigen vertaling). Voedsel en bescherming worden geboden aan deze weduwe en vreemdelinge. Zo worden de Tora-regels over aren lezen (Lev. 19,9-10; Lev. 23,22; Deut. 24,19) niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest ruimhartig uitgelegd en opgerekt. Bij deze gersteoogst wordt een vreemdelinge betrokken, zoals eens de vreemdelingen in Jeruzalem op het Pinksterfeest (Hand. 2).
Hoop en zegen
Er komen nog twee Tora-regels aan de orde. Allereerst gaat het om losserschap in verband met verloren familiair landbezit (Lev. 25,23-28). Nadat Ruth aan Naomi heeft getoond wat zij aan gerst heeft opgelezen (2,17-19), vertelt zij: ‘De naam van de man bij wie ik het gedaan heb vandaag, is Boaz’ (2,19 – eigen vertaling). Daarop zegt Naomi: ‘Gezegend is hij bij de Eeuwige (Hebr.: jhwh), die zijn blijk van trouw (Hebr.: chèsèd) niet nalaat aan de levenden en de doden’ (2,20 – eigen vertaling). Onthuld wordt wat wij als lezers al hoorden (2,1): ‘Verwant (Hebr.: qarobh) is de man aan ons, een van onze lossers is hij’ (2,20 – eigen vertaling). Dit belooft wat, vooral in combinatie met een andere Toraregel rond het zwagerhuwelijk (Deut. 25,5-10).
Misschien klinkt dit door in het al genoemde themawoord ‘aankleven’ (Hebr.: dabaq), dat eerst door Boaz werd gebruikt (2,8) en nu door Ruth wordt herhaald en uitgevoerd (2,8.21.23; vgl. Gen. 2,24). Ruth ‘kleeft’ ook ‘aan’ aan haar schoonmoeder (vgl. Ruth 1,14) door bij haar te ‘blijven zitten’ (Hebr.: jasjabh, 2,23). Ondertussen worden de gersteoogst en de tarweoogst voltooid (2,23).
Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.