Menu

Premium

Onder uw vleugels rusten wij

4e zondag van de Advent (Lucas 1,26-38)

Lucas vertelt het verhaal van de aankondiging aan Maria, de annunciatie. Traditioneel wordt de annunciatie beschouwd als het moment van Jezus’ menswording. Maar als we de tekst lezen met aandacht voor Lucas’ septuagintische taalgebruik, verschijnt toch een ander accent. Dan zien we hoe een vrouw in een vernederende situatie de belofte krijgt van bescherming onder Gods vleugels. Zij is zelf een van die vernederden over wie zij later in het Magnificat zal zingen.

In de leesroosters die uit de vroege middeleeuwen zijn overgeleverd, komt het verhaal van de annunciatie twee keer voor. De eerste keer is op het feest van Maria Boodschap, 25 maart, negen maanden voor de geboorte. Dat is begrijpelijk, want de aankondiging door de engel werd beschouwd als het moment van de conceptie. De tweede keer dat de annunciatie gelezen wordt, is tijdens de speciale vastendagen tussen de derde en de vierde zondag van de Advent (de Quatertemperdagen). Dat lijkt minder logisch, want waarom zou je deze tekst lezen zo vlak voor het Kerstfeest?

We moeten echter bedenken dat vóór Franciscus van Assisi de eerste kerststal bouwde, het accent bij het Kerstfeest niet op de geboorte zelf lag, maar op de Komende. Hier speelt dan ook een andere gedachte mee, namelijk dat de gemeente reikhalzend uitziet naar de komst van een Redder. Die gedachte zit óók in de tekst van Lucas, maar krijgt nauwelijks aandacht. Het oecumenisch leesrooster wil de oude traditie recht doen en plaatst in het B-jaar de annunciatie op de vierde zondag van de Advent. Een goede aanleiding om het aspect van de Komende te onderzoeken.

Overkomen en overschaduwen

Centraal staat de vraag van Maria: ‘Hoe zal dit zijn, omdat ik geen man ken?’ (1,34). Die vraag wordt gewoonlijk begrepen als: ‘Hoe kan ik zwanger worden zonder man?’ Dan wordt ‘kennen’ (Gr.: ginooskoo) gelezen zoals in Genesis 4,1, als weergave van het Hebreeuwse ‘kennen’ (Hebr.: jada‘), in de zin van ‘gemeenschap hebben’. Op zich zou dat kunnen, maar het is wel een erg androcentrische leeswijze, die je bovendien in de problemen brengt. Want hoe moet je dan het antwoord van de engel verstaan: ‘Heilige geest zal over jou komen en kracht van de hoogste zal je overschaduwen; daarom zal ook wat geboren wordt heilig genoemd worden, zoon van God’ (1,35).

Dan moet je de woorden ‘overkomen’ (Gr.: eperchomai) en ‘overschaduwen’ (Gr.: episkiazoo) met een seksuele code vertalen, maar dat kan niet gezien het Grieks. Nergens in de hele Griekse literatuur, noch in de Septuaginta hebben deze beide begrippen ook maar iets van een seksuele connotatie.

Het gebruik van het woord eperchomai komt nog het meest overeen met Jesaja 32,15 LXX: ‘Totdat komt over jullie de geest vanaf de hoge.’ Daarmee wordt de terugkeer van vruchtbaarheid en gerechtigheid in het land aangegeven, en in het algemeen de komst van een tijd van recht en vrede. Het woord episkiazoo wordt in de Griekse literatuur meestal gebruikt om de bescherming van het land door een vorst of hemelgod aan te geven.

De vorst/god spreidt zijn vleugels uit en overschaduwt daarmee het land, wat een garantie is voor bescherming, vruchtbaarheid en recht. Zo wordt episkiazoo ook in Psalm 90,4 LXX gebruikt, waar God je zal overschaduwen met haar vleugels en je zo zal beschermen. In Psalm 139,8 LXX zal God je beschermen door je hoofd te overschaduwen op de dag van oorlog. In het Nieuwe Testament komen we episkiazoo tegen tijdens de verheerlijking op de berg (Marc. 9,7; Mat. 17,5; Luc. 9,34). Hier zijn de leerlingen overschaduwd door Gods Aanwezigheid. Daarbij klinkt Exodus 40,35 LXX mee, waar de wolk van Gods Aanwezigheid in de woestijn de tabernakel overschaduwt en vervult.

In de context van de annunciatie kun je zeggen dat de engel een antwoord geeft op de vraag hoe het nou verder moet met deze tienermoeder, vader onbekend. In sterk septuagintische termen laat Lucas de engel zeggen dat de Komende haar beschermende vleugels zal uitspreiden over de verdrukte en dat er een tijd van recht en vrede komt, in haar reactie in het Magnificat (Luc. 1,46-55) bezingt Maria zichzelf als representant van al die vernederden in het land, voor wie nu eindelijk een tijd van recht aanbreekt.

Vader van de vaderlozen

De woorden van de engel dat ‘ook wat geboren wordt, zoon van God genoemd zal worden’, betekenen dat het kind onder het bereik van God valt. ‘Zoon van’ geeft in het Hebreeuws immers niet alleen een letterlijke relatie aan, maar ook een kwalificatie. In vertaling en uitleg van deze woorden wordt het Griekse kai meestal overgeslagen, alsof het slechts een nevenschikkend ‘en’ is. Er is veel voor te zeggen om het met ‘ook’ te vertalen. Ook dit kind wordt zoon van God genoemd, omdat Hij deel is van het hele volk Israël dat zoon van God is, zoals Hosea 11,1 al zegt. Je kunt in de woorden van de engel bovendien een verwijzing lezen naar Psalm 67,6 LXX waar God vader is van de vaderlozen.

Ook van dit vaderloze kind is God vader. De lezing uit 2 Samuel 7 is in dit opzicht wel een gelukkige keuze: in vers 14 zegt God dat Hij een vader zal zijn van de toekomstige koning en dat deze voor Hem een zoon zal zijn.

De vertelling van Lucas is dubbelzinnig. Mogelijk wilde hij de bijzondere menswording van Jezus onderstrepen, beducht voor praatjes dat Jezus een onwettig kind zou zijn. Gezien het septuagintische register dat Lucas hanteert, gaat het in ieder geval over de Komende, die bescherming en bevrijding biedt aan vernederde mensen: ‘Onder uw vleugels rusten wij’ (LB 275:1). Ook dat is menswording, maar dan in de zin van ‘een mens die weer overeind mag staan voor God’ (Luc. 1,52b).

Deze exegese is opgesteld door Ari Troost.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken