Menu

Basis

Ongelooflijk ongelovig

Een kritische noot bij het succes van de Ongelofelijke

Beeld van een podcastmicrofoon in geel licht
(Beeld: KinoMasterskaya via iStock)

Gemeenteleden vragen aan Evert Jan de Wijer of hij ook met rode oortjes naar de Ongelofelijke podcast luistert. En of hij het niet geweldig vindt dat het boek De ongelofelijke geschiedenis met grote stapels prominent in de boekhandel aanwezig is. Evert Jan vindt dat inderdaad ongelofelijk, maar niet, naar hij vreest, op de manier waarop zijn gemeenteleden het bedoelen. Hij waagt zich aan een kritische column.

De secularisatie heeft zijn werk gedaan. Nu de laatste leden op wie deze secularisatie nog enige aantrekkingskracht had de gemeente inmiddels hebben verlaten, heeft de kerk een ander gezicht gekregen. Er heerst een zekere stoerheid bij wie daar nog zijn overgebleven. Het christendom mag weer. Sterker nog: het is inmiddels hip and happening en wat is er nu mooier dan dat wetenschappers van naam en faam als Beatrice de Graaf haarfijn aantonen hoezeer onze cultuur nog altijd doordesemd is van christelijke waarden en normen die veel minder seculier van aard zijn dan precies deze secularisatie ons heeft willen doen geloven. En waar wij in onze post-seculiere samenleving collectief een morele leegte ervaren, zou het geen slecht idee zijn om deze te vullen met een voluit religieuze klassieke deugdenleer.

Natuurlijk moet ik mij de gewetensvraag stellen waarom ik niet sta te juichen om deze triomfantelijke revival van het christendom. Een collega die ik als theologische geestverwant beschouw, begon wat te schutteren toen ik verzuchtte dat ‘wij theologen’ inmiddels de christelijke partij als een serieuze gesprekspartner beschouwen. Hij dacht inmiddels ook een beetje mee met Henri Bontenbal. Maar de vraag blijft hangen wat daar dan op tegen kan zijn?

Op zijn best zijn de podcastserie en het boek van de ‘Ongelooflijke’ te beschouwen als een noodzakelijk tegenwicht tegen allerlei lukrake claims rondom de beschermwaardigheid en de verdediging van de ‘joods christelijke’ cultuur van uiterst rechts. Dat doen Stefan Paas en Beatrice de Graaf vaardig en met verve. Tegenover de Heilige Christelijke Oorlog van Pete Hegseth en zijn getatoeëerde kruistochtleuzen op zijn arm, worden terecht begrippen als naastenliefde en vredelievendheid geplaatst. En meer in het algemeen worden door hen, al is het zuinig, de schaduwzijden van de christelijke traditie niet verzwegen. Toch blijf ik me afvragen waarom het zo nodig is om het hoegenaamd christelijk karakter van onze cultuur zo te benadrukken en vervolgens of dat ten goede komt aan het fundamenteel kritische en profetische karakter van de kerk?

Om met dat eerste te beginnen. Onze Westerse cultuur is niet christelijk. Het is op zijn best een amalgaam van vele tradities waarin van alles meedoet: Germaanse, Islamitische en Mediterrane tradities, hellenistisch-klassieke en natuurlijk ook het christendom. Al doet men er goed aan dat laatste op zichzelf al te begrijpen als een mengvorm en bemiddeling via Rome en Jeruzalem. ‘Europa’ is op zijn best iets als een scheve schaduw van de openbaring van God. Men treft er hoogstens zijn voetsporen aan, zijn vestigia Dei, maar Europa ‘is’ niet christelijk. Voordat je het weet, ga je Gods hand in de Europese geschiedenis ontdekken, zoals de theoloog Van Ruler ooit het recht van kolonisatie van Indonesië verdedigde. Iemand als de theoloog Miskotte was geen fan van Augustinus, niet toevallig één van de meest geciteerde theologen in de podcasts van de Ongelooflijke. Bij Augustinus trof Miskotte een onaanvaardbare synthese tussen Aristoteles en het fundamenteel ‘vreemd-kritische’ karakter van de openbaring van God in onze cultuur aan. Ook vandaag zou je je inderdaad kunnen afvragen hoe specifiek christelijk nu precies de introductie van een deugdenleer is. Is dat niet als zodanig en in zijn aantal van zeven zelfs letterlijk een mengvorm van klassieke en christelijke waarden?

Opnieuw: wat is daartegen? Mijn belangrijkste bezwaar is dat het uiteindelijk een vorm van christendom is dat zich een status zoekt. Al zou het alleen maar zijn in de vorm van hoog opgestapelde boeken in de boekhandel. Precies in haar minderheidspositie begint dit christendom zich stevig en publiek te roeren. Nu gebeurt dat in handen van schrijvers als Stefan Paas en Beatrice de Graaf genuanceerd en ook kritisch tegenover deze traditie. Maar het is fundamenteel niet anders dan hoe zich ook vanuit diezelfde minderheidspositie rechts-conservatieve krachten meer en meer gaan manifesteren.

Kan het anders? Vooruit: van mijn kant dan ook maar een kleine geschiedenisles. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus verweet de eerste christenen een ‘odium humani generis’: een haat tegenover hun eigen menselijk geslacht. Meer in het algemeen werden zij beschreven als ‘atheoi’, primair atheïst. Mij zijn deze omschrijvingen dierbaar en nog altijd heel bruikbaar in onze huidige tijd. Christenen doen niet mee. Zij zijn blijvend in verzet. Zij willen alleen aan God gehoorzaam zijn en wantrouwen daarom elke structuur, elke cultuurvorm, elke maatschappijvorm die mensen op de knieën willen hebben. Die om absolute aanbidding en gehoorzaamheid vraagt. Daar geloven christenen niet in. In die zin is hun het atheïsme als levensvorm het meest nabij. Zij verhouden zich kritisch met alles wat zich als onontkoombaar presenteert en geen nader vragen verdraagt. Steeds weer brengen zij de netelige stelling uit de opera Porgy and Bess, niet toevallig in een Afro-Amerikaans milieu gesitueerd: It ain’t necessarily so. Dat vraagt de gemeente aan alles en iedereen, inclusief haar eigen christelijke traditie. Dat maakt hen fundamenteel tot vreemdelingen en bijwoners in elke cultuur, inclusief de hoegenaamd christelijke. Zij blijven doorvragen naar de humaniteit en de medemenselijkheid in wat zich manifesteert aan normen en waarden in elke traditie. Aan niemand anders dan wat God hen heeft geopenbaard in Tenach en Evangelie geven zij gehoor. In die zin zijn zij inderdaad ongelooflijk. Maar dan toch vooral ongelooflijk ongelovig.

Evert Jan de Wijer

Evert Jan de Wijer (1964) is predikant in Wassenaar. Hij promoveerde op een vergelijkend onderzoek van de cultuurbeschouwing van K.H. Miskotte met die van Thomas Mann en schreef God op het boekenbal, over bijbelse verhalen en bestsellers in de boekhandel. De relatie tussen de moderne cultuur en de bijbelse theologie loopt als een rode draad door zijn denken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken