Op weg naar het doel
6e zondag na Epifanie (Psalm 32, 1 Korintiërs 9,24-27 en Marcus 1,40-45)
‘Kies je eigen weg’ wordt meestal bedoeld als het loslaten van knellende banden en verbanden. In de Bijbel betekent het kiezen van je eigen weg juist het aanhalen van de band met God. Niet als een knellend korset, maar een weg waardoor je volledig tot je – van God gegeven – recht kunt komen.
Psalm 32 spreekt van God die een weg wijst (32,8). Die weg komt niet zomaar, maar wordt gegeven tezamen met inzicht en raad. En ‘op jou rust mijn oog’ (32,8; NBV21). Dat heeft mensen doen denken dat de Eeuwige als een Big Brother elke misstap op je levensweg ziet en bestraft. Voor wie zo leeft voelt de gewezen weg als een gevaarlijke weg, die beknelt door zijn zwart-wit karakter van goed en fout. De psalmist wil het in een andere context zetten, zo blijkt uit 32,9 dat met 32,8 een eenheid vormt. Paarden en ezels zijn volgens de psalm redeloze dieren die door hun eigenaar door middel van een bit op de juiste weg gehouden moeten worden. Mensen zijn begiftigd met de rede, het verstand, en kunnen zichzelf daardoor op de weg houden.
In vers 8 wordt niet voor niets gezegd dat er inzicht en raad gegeven wordt: die zorgen ervoor dat je als mens – anders dan het paard of de ezel van deze psalm – je eigen door God gegeven weg kunt gaan. In deze context van inzicht en raad, van verstand en rede, is dan het oog van de Eeuwige juist een ondersteuning om op zijn weg te gaan.
Zelfbeheersing
Dat gaat niet vanzelf, daar is Paulus zich als geen ander van bewust. In 1 Korintiërs heeft hij dat al genoegzaam duidelijk gemaakt. Hij geeft er veel voor op, maar wil tegelijk ook nergens aanspraak op maken (9,12), om zo onafhankelijk te blijven en zelf de weg die hem door God gewezen wordt, te gaan.
Hij heeft een doel: het verkondigen (9,16). Aan het einde van het hoofdstuk vat hij dat, zoals hij dat zo vaak doet, in een beeld. Dit keer is het een beeld uit de wereld van de sport: de wedloop. In de wedloop gaat het om wie als eerste de finish bereikt, alleen die krijgt een prijs. Paulus roept op te rennen ‘als de atleet die wint’. Om te winnen is een duidelijk doel nodig. Veel trainingen gebruiken deze vorm van visualisatie: stel je voor wat je wilt bereiken, dan lukt het eerder of makkelijker. Maar behalve dat je het doel voor ogen moet hebben, moet je je ook volledig overgeven aan de wens om te winnen. Bovendien is er strenge zelfbeheersing (Gr.: enkrateuetai – 9,25) nodig. Het behalen van je levensdoel vraagt dus om een balans tussen wat nodig is en wat gedaan moet worden.
Op je doel af
Het is een gesprek tussen idealen en werkelijkheid, tussen wat je zegt en wat je doet. Het doel waarvoor je het doet, waarvoor je de weg gaat, is voor Paulus dusdanig groot dat het alle inzet waard is: het gaat om het deel krijgen aan de beloften van het evangelie (9,23). Het gaat niet om een vergankelijke (Gr.: fthartos) krans, maar om een onvergankelijke (Gr.: afthartos – 9,25). Die bereik je alleen na harde training en discipline, zo blijkt ook uit 2 Timoteüs 2,5. Net zoals vandaag de dag veel sporters – professioneel en amateur – alles in hun dagelijks leven richten naar hun sport, van voeding tot vrije tijd, zo is er in de Griekse oudheid een training van tien maanden voor men als atleet de spreekwoordelijke ring betreedt.
Volledige overgave en inzet gaan samen met zeer strenge zelfbeheersing. Zou dat niet zo zijn, dan is het risico dat het doel niet bereikt wordt, of dat de sporter ten onder gaat aan de inspanningen. In 9,27 maakt Paulus nog eens heel persoonlijk duidelijk dat hij dat zelf ook probeert, omdat hij vindt dat hij niet van een ander kan vragen wat hij zelf niet doet. Paulus geeft alles voor het evangelie (9,23). Zijn zelfbeheersing blijkt onder meer daaruit, dat hij afziet van het recht om te leven van de giften van anderen (9,15-19) en dat hij zich onderwerpt aan de joodse wet terwijl hij dat niet hoeft (9,20). Omdat Paulus het doel wil bereiken, zet hij al deze middelen in (vgl. Jak. 1,12).
Als je wilt, kun je het
Zo komt de melaatse bij Jezus in Marcus 1: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken’ (1,40). De melaatse is gekomen met een doel voor ogen. Het gaat niet over de vraag of Jezus het kán, maar of Hij het wíl. De man gelooft door zijn manier van vragen al dat Jezus het kan. Jezus antwoordt: ‘Ik wil het’ (Gr.: theloo), en de man wordt rein. Daarna vraagt Jezus hem het stil te houden.
Marcus heeft elders in zijn evangelie meer van dergelijke zwijggeboden over wat Jezus doet opgenomen. Het is de vraag of dit vers ook onderdeel is van de theorie dat Marcus met een Messiasgeheim werkt, waarin Jezus’ werkelijke aard geheim moet blijven. Gezien de context van dit vers past het meer in het vergroten van het aanzien van Jezus. Want doordat de man niet zwijgt, maar het juist verder vertelt, wordt het voor Jezus onmogelijk nog openlijk in een stad te verschijnen, en is Hij gedwongen zich op eenzame plaatsen buiten de steden op te houden (1,45). Het gevolg is dat er steeds meer mensen komen. Op deze manier is het spreken van de man als een blokkade op de weg, waardoor de route van Jezus meer naar de mensen zal leiden. De weg wordt omgelegd. En uiteindelijk zal Jezus op deze weg zijn doel bereiken.
Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.