Menu

Premium

Opgepast

Bij Johannes 21,15-24

Simon en Andrea hadden zelf geen dieren. Maar hun tante Mieke en oom Paul hadden twee poezen. Als die oom en tante weg waren, mochten de kinderen op de poezen passen. Simon kreeg een sleutel. Andrea kocht stiekem een duur blikje poezenvis, om ze te verwennen. Ze gingen wel twee keer per dag, omdat ze het anders zo zielig vonden dat de beestjes alleen waren. Als je kwam, zaten ze al achter de deur.

Deze zaterdag gingen ze al heel vroeg, want ze moesten zelf een dagje weg, naar Kinderwonderland, met de bus. Je snapt het wel, ’s avonds dachten ze niet meer aan de poezen. Pas de volgende dag, toen ze kindernevendienst hadden, dacht Simon eraan. ‘Je moet altijd doen wat je belooft,’ zei juf Karin. Papa en mama gingen koffiedrinken, maar de kinderen renden naar het huis van de poezen. Ze waren er niet. Ze waren de hort op, door het luikje. Wat waren de kinderen ongerust! Gelukkig, ’s avonds waren de poezen er weer gewoon en de etensbakjes waren leeg.

‘Ging het goed?’ vroegen tante Mieke en oom Paul, toen ze weer terug waren. Toen stotterde Simon: ‘We willen het niet meer, we zijn ze een keer vergeten…’ ‘Simon, jij kunt toch zo goed oppassen,’ begon oom Paul. ‘Simon, jou kunnen we toch vertrouwen. Volgend jaar willen we naar Nieuw-Zeeland, we rekenen op je.’ Simon wilde eigenlijk niet meer, maar ja, nu moest het wel. ‘Oké,’ zei hij zachtjes, ‘ik zal het doen, beloofd.’ Hij was opeens heel erg blij vanbinnen. Hij wilde eigenlijk elke dag wel even bij de poezen gaan kijken. Andrea wilde het liefst zelf een poes.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken