Over de laatste dingen
Bij Lucas 21:5-19
‘Er wordt zo weinig gepreekt over de wederkomst,’ zullen sommige behoudende of evangelisch angehauchte gemeenteleden misschien denken als ze Lucas 21 horen. Vooral in de PKN roeren dominees het onderwerp nauwelijks aan. Als het over de toekomst gaat, wordt de toon utopisch en vaag. Er mankeert ‘nog’ van alles aan deze wereld en het is nog een lange weg naar het Koninkrijk. Maar hoe een en ander in zijn werk zal gaan, blijft volslagen onduidelijk. De dominee weet het niet, de gemeenteleden ook niet.
De gemeente hoort deze zondag het eerste gedeelte van Jezus’ tempelrede. Het is een eindtijdrede, die uitloopt op de komst van de Mensenzoon. Typisch apocalyptische verschijnselen als aardbevingen en tekenen aan de hemel staan in één perspectief met de ondergang van Jeruzalem en de vervolging van Jezus’ leerlingen. In de verzen 5-19 staat vooral de vervolging centraal; vervolging als zijnde een onontkoombaar perikel, voorafgaand aan de grote Dag.
Wanneer zal dit geschieden?
Tijdens het lezen stapelen zich de problemen bij ons lezers op. Wat staat de tekst ver van ons af! Wat kan ik er weinig mee! De ondergang van Jeruzalem, voor Lucas’ eerste lezers nog een reusachtige gebeurtenis, qua gevoelswaarde te vergelijken met de Holocaust, is voor ons een droog feit van lang geleden. De wanneervraag (21,7) waar Jezus’ rede een antwoord op is, is voor ons bijna even gênant en zinloos als de waaromvraag. De vervolging waarover Jezus het heeft, is voor ons eerder een kwestie veraf waarover Amnesty International zich moet buigen, dan een noodzakelijke voorbode van de Komst.
Gemakkelijker landt misschien Jezus’ waarschuwing aan het begin van zijn rede. Als Hij van wal steekt om de wanneervraag te beantwoorden, waarschuwt Hij dat zijn luisteraars niet achter iedere eindtijdprediker aan moeten lopen. Ook moeten ze niet verbijsterd zijn door alles wat er op de wereld gebeurt. Het is allemaal niet meteen het einde (8-9). In december 2012 zou volgens sommigen de wereld vergaan. Ach ja, en zo zijn er meer geweest. We halen sceptisch onze schouders op. Het zal onze tijd wel duren. Al krijg je soms het gevoel dat we de wereld naar een zelfbestierd einde aan het helpen zijn.
Naherwartung als kader
Of Jezus’ waarschuwing dus voor ons bedoeld is, vraag ik me af. Als ik naar mezelf kijk, heb ik zo’n waarschuwing niet nodig. Ik moet de woorden van vers 8-9 niet zomaar annexeren voor mij eigen Predikerachtige levensgevoel. Want, al komt het einde niet direct, het kómt wel! Alleen is er discussie over volgorde en tijdspanne. Maar dat het komt, staat buiten kijf. En ook dat dit einde ook een begin is, een Aankomst. En ook dat de schrikbarende gebeurtenissen hieromheen door een geheimzinnig ‘moeten’ geregeerd worden.
Er zijn al zo veel eeuwen verstreken sinds Jezus deze woorden sprak… Zo veel is er geweest dat het einde leek in te luiden, en toch sleepte de wereld zich weer verder. Steeds was er weer een doorstart, een restauratie, een retour à la normal. Geleerden vertellen ons wat we eigenlijk allang wisten: het Nieuwe Testament wordt beheerst door de Naherwartung. De oude wereld loopt op zijn laatste benen; de rechter staat voor de deur. Zonder die spanning hangen de ethiek en het ethos ervan in de lucht en kunnen we hooguit een enkele mooie bloem plukken, meer niet. En zijn we daar niet toe gedwongen, gezien de twintig eeuwen die inmiddels zijn voorbijgegaan?
Rek in het kader
Misschien kunnen we het ook anders zien. Misschien zit er meer rek in het apocalyptische kader dan we denken. Omdat God lééft. Jona had ook een Naherwartung waar niets van kwam. Zijn God was niet gebonden aan zijn plannen. Wel is Hij trouw aan zijn intenties. In de tweede Petrusbrief wordt de vertraging uitgelegd als goddelijk geduld. Zo komt het, dat ‘de eeuwen zich ertussen schuiven’, zoals Noordmans het ergens verwoordt. Maar, zegt hij dan, het heimwee naar het Koninkrijk blijft levend. Het grote verband blijft bepaald door de naderende Komst, ook als de bergtoppen die naast elkaar leken te liggen, in werkelijkheid kilometers van elkaar verwijderd zijn. Het is één geheel.
Hoe zou het zijn om de krant te lezen met de apocalyptische bril op? Dan zijn de gebeurtenissen niet alleen aanleiding om te vragen ‘hoe er een God kan zijn als…’ De gebeurtenissen worden dan letters en vormen een zin. Het is alleen de vraag of wij kunnen lezen. Niets minder staat er op het spel dan de juiste duiding van het wereldgebeuren waarin we ons bevinden en de juiste houding van de gemeente daarin. Waakzaam en nuchter moeten we zijn. Alleen nuchterheid is niet genoeg; is bij nader inzien helemaal geen nuchterheid, maar roes.
Inwijding
Misschien leren wij pas lezen als we ons bevinden in wat Jezus voorop zet: de vervolging. ‘Voor al deze dingen’ heet het in vers 12. Het geeft tijd, maar ook een prioriteit aan. ‘Overlevering’ is de term (12.16). Je gaat van hand tot hand, als een voorwerp dat te heet is om lang vast te houden. Het oude stoot het nieuwe af. Je belandt voor koningen en heersers. Je deelt mijn lot. Ik zal je helpen. Studeer niet op apologetiek (wel op je preek, dominee!); Ik geef je woorden (zie Hand. 6,10).
Iets in mij zegt: inwijding in het geheimzinnige ‘moeten’, in de apocalyptische zienswijze, vindt plaats waar wij lotgenoten van Jezus worden. Hij overzag de wereld vanaf de schandpaal. Misschien dat wij, in de nabijheid van Christus, onze eigen vorm van Naherwartung ontwikkelen. Hopelijk wordt van daaruit een nieuw spreken over de (weder)Komst mogelijk.