Over het doorbreken van een kwade macht
Bij Marcus 9,14-29
De genezing van de jongen van een ‘stomme geest’ bevindt zich in het Marcusevangelie tussen de eerste en tweede aankondiging van Jezus’ lijden, en maakt daardoor deel uit van de beschrijving van Jezus’ weg naar Jeruzalem.
Ervoor bevindt Jezus zich in een gesprek met de leerlingen na de verheerlijking op de berg, dat uitmondt in de voor dit verhaal uiterst relevante vraag: ‘Wat is dat: verrijzen van de doden?’ (Marc. 9,10). Erna volgt de tweede lijdensaankondiging, tijdens een soort privé-onderwijs van Jezus aan zijn leerlingen terwijl ze door Galilea trekken. Deze narratieve context en de nadruk binnen het verhaal op dialoog, maken achterdochtig voor de beschrijving ervan primair als wonderverhaal. De genezing zelf neemt namelijk maar twee verzen in beslag (9,25-26, eventueel 27); de inleidende gesprekken en het afsluitende commentaar krijgen veel meer aandacht. Tegelijkertijd staat het verhaal in de beweging van Jezus’ tocht van de berg van de verheerlijking naar de tweede aankondiging van zijn lijden en daarmee naar Jeruzalem.
Geloven of vertrouwen
De gesprekken van Jezus met de menigte en de vader van de bezeten jongen nemen nog de meeste plaats in (9,16-24). Zij monden uit in een dialoog over geloven/vertrouwen (Gr.: pisteuoo), wat de basis blijkt voor iedere vorm van genezing of geestuitdrijving. De uitroep van de vader: ‘Ik heb vertrouwen. Kom mijn gebrekkig vertrouwen te hulp’ (9,24) – in de christelijke traditie als ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!’ tot een schietgebed geworden – anticipeert op de slotwoorden van Jezus: ‘Dit soort kun je niet anders uitdrijven dan met gebed’ (9,29). Beide uitspraken corrigeren de nadruk die de leerlingen op het eigen kunnen leggen: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ (9,28) evenals de vader van de jongen zelf: ‘Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat’ (9,18). Ze passen goed bij Jezus’ vertwijfelde uitroep in vers 19, waar Hij zijn toehoorders apistos, vaak vertaald met ‘ongelovig’, noemt. De betekenis van deze uitroep wordt echter pas duidelijk wanneer apistos hier analoog vertaald wordt aan vertrouwen/geloof in andere verzen van deze perikoop; het gaat namelijk bij Jezus’ toehoorders eveneens minder om een verkeerd geloof dan om een gebrekkig (geloofs)vertrouwen.
Gebed om geloof
Het gebed tot God, in dit verhaal belichaamd door Jezus, om vertrouwen of geloof, is uiteindelijk de sleutel die tot het breken van de macht van deze geest leidt. Met de notie van het breken van de macht van een geest is waarschijnlijk ook de kern van het verhaal bereikt: de macht van dat wat een mens kapot maakt, wordt doorbroken door God, die hier optreedt in en door Jezus. Het is passend dat juist dit verhaal is ingebed tussen de verheerlijking op de berg – een vooruitwijzing naar Jezus’ verheerlijking in zijn verrijzenis, expliciet aan de orde gesteld in de vraag van de leerlingen over wat opstaan van de doden nu is (9,10) – en de tweede aankondiging van Jezus’ lijden. Wat met de bezeten jongen in het klein en schijnbaar gebeurt (de jongen lijkt dood nadat de geest is uitgevaren), zal met Jezus in het groot en werkelijk gebeuren: de macht van de dood zal worden gebroken door zijn verrijzenis. Zo vormt dit verhaal een narratief antwoord op de vraag van de leerlingen in 9,10, die natuurlijk ook de vraag van de lezer kan zijn.
Meer dan een wonderbaarlijke genezing
Daarmee komt de kern van dit wonder van Jezus aan de oppervlakte. Het gaat om meer dan ‘alleen maar’ een wonderbaarlijke genezing, namelijk om het doorbreken van de macht van dat wat een mens tot minder dan een mens maakt. Het gaat ook om leven vanuit een vertrouwen dat dit soort machten uiteindelijk overwonnen zal worden door de grond van alle bestaan, God. Dit mag een psychologiserende uitleg van dit wonderverhaal zijn, dat zeker elementen van een antiek verstaan van ziekte en genezing in zich heeft – zo zijn er theorieën te over dat het hier om een genezing van epilepsie zou gaan. Toch is het meer dan dat alleen, en wel omdat ook in het antieke denken over genezing de strijd tussen ‘machten’ wel degelijk een belangrijke rol speelde – en deze interpretatie haalt dat naar voren. Het is ook meer dan alleen een psychologiserende uitleg, juist omdat iedere interpretatie van dit verhaal recht moet doen aan het feit dat de macht van het kwaad hier op een heel concrete, belichaamde manier doorbroken wordt. Net zoals dat het geval zal zijn in de verrijzenis van Jezus zelf, staat de concrete, aardse, lichamelijke gestalte van ‘heil’, ‘welzijn’ (Gr.: sootèria) op de voorgrond.
Een interpretatie langs deze lijnen kan op verschillende manieren vruchtbaar zijn voor de prediking in de eenentwintigste eeuw. Ten eerste: de betekenis van een genezing, c.q. exorcisme, in de eerste eeuw wordt verhelderd. Het gaat om het doorbreken van een kwade macht, meer dan om een wonderbaarlijke genezing op zich. Ten tweede: doordat de basis van het doorbreken van deze macht komt te liggen in de sfeer van het gebed en het (geloofs)vertrouwen, kan de tekst ook dichter bij het wereldbeeld anno nu komen te liggen. Vertrouwen is nu even fundamenteel voor een gelukt bestaan als het toen was en dit verhaal reikt Jezus aan als iemand die vertrouwd kan worden, met een vertrouwen dat het kwade overwint en leven mogelijk maakt. Ten derde: doordat het overwinnen van de ‘stomme geest’ op een zeer lichamelijke manier gebeurt, houdt deze tekst twee dingen nadrukkelijk bijeen die in de moderne westerse theologie en spiritualiteit uiteen dreigen te vallen: lichaam en geest. Ten slotte: het verhaal geeft zoals gezegd antwoord op de vraag van de leerlingen in 9,10: wat is nu opstaan uit de doden precies?
Bij Marcus 9:14-29