Menu

Premium

Paradijs

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Om op het spoor te komen welke beelden de mens van vandaag bij het woord paradijs heeft, zouden we een rondgang door het uitgaansleven kunnen maken. Menig centrum voor vermaak en ontspanning draagt in zijn naam het woord paradijs. Vakantiecatalogi weten te vertellen van reizen met paradijselijke trekken of maken je nieuwsgierig naar oorden waarin we opnieuw het paradijsgevoel kunnen beleven. In dit profane en soms wat banale gebruik ontwaren we een bepaald beeld van het paradijs. Het staat voor rust, schoonheid, op adem komen en plezier hebben. En deze inhoud is afgeleid van het paradijs als ruimte waar het bestaan volmaakt is.

De bijbel spreekt ook over het paradijs, maar minder dan de aandacht ervoor in de christelijke traditie doet vermoeden. De bijbel heeft het eerder over ‘tuin’ (zie aldaar).

Grondtekst

Slechts driemaal spreekt het Oude Testament van pardes, ‘paradijs, tuin’ (Hoogl. 4:13; Pred. 2:5; Neh. 2:8). De laatste tekst vermeldt de ‘bewaker van de pardes’, dat is de tuin of het park van de koning. Het woord pardes is afkomstig uit het Perzisch, waar het primair een ‘omheinde ruimte’ betekent. Het Griekse para-deisos toont verwantschap met de stam prds. De Septuaginta vertaalt het merendeel van het Hebreeuwse gan en ganah, ‘tuin, hof’, met paradeisos.

Dit Griekse woord verschijnt driemaal in het Nieuwe Testament (Luc. 23:43; 2 Kor. 12:4; Op. 2:7), anders dan in het Oude Testament verwijst het naar een plaats na de dood, in de hemelse sferen, bij Christus (vgl. 4 Ezra 7:36; 8:52; Testament van Levi 18:10).

Letterlijk en concreet

a.De meeste oude culturen kennen de mythe van een volmaakte tuin waar vrede en gelukzaligheid heersen en waar elk gevaar ontbreekt. Mensen leven met elkaar in liefde en God wandelt tussen de mensen; de totale natuur straalt harmonie uit. Men dacht de hof als een omheind gebied, vaak in het middelpunt van de aarde of de kosmos. Later, na het sterven, zullen de rechtvaardigen terugkeren naar dit verborgen oord. Zo’n mythe bemoedigt mensen en geeft hun kracht voor vandaag en hoop voor morgen. Het Oude Testament heeft geen paradijs-mythe ontwikkeld. Weliswaar weet Israël van een goddelijke hof die de mens door ontrouw heeft verspeeld (Gen. 2-3), maar daaruit is geen samenhangend gedachtegoed van een paradijs voortgekomen. In deze hof van Eden (2:8,10),door latere tradities in jodendom en christendom paradijs genoemd, heerst de ware sjalom. Daar ontwikkelt zich de paradijs-mythe tot een plaats waar de rechtvaardigen na hun dood verzameld worden ; aan het eind der tijden zal het verloren paradijs weer hersteld worden als plaats voor een bestaan in volle vrede (Luc. 23:43; 2 Kor. 12:4; Op. 2:7).

b.Ook een prachtige, aardse tuin heet paradijs. De prediker weet ervan: ‘.ik plantte wijngaarden, legde hoven (meervoud gan) en paradijzen (meervoud pardes) aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen’ (2:5). Nehemia vertelt van een zekere Asaf, bewaker van het koninklijke ‘paradijs’ (2:8). Welke koninklijke tuin hier wordt bedoeld, is onzeker.

Beeldspraak en symboliek

a.In het Oude Testament treffen we alleen de beeldspraak van het paradijs aan in de liefdespoëzie. De bruidegom noemt zijn bruid een paradijs van granaatappelbomen, met heerlijke vruchten en welruikende planten (Hoogl. 4:13). Met deze metafoor tekent hij zijn lief naar wie hij hartstochtelijk verlangt in verrukkelijke schoonheid. De granaatappel symboliseert de levenslust en vruchtbaarheid. Zie verder bij ‘tuin’, onder B.

b.In het Oude Testament is de hof van Eden, het paradijs, verbonden met de aarde (Gen. 2-3). Dat wil zeggen: met de mens op de aarde. De vraag naar het paradijs – symbool voor de tastbare goedheid van God voor mens en schepping -mogen we naar oudtestamentisch inzicht niet loskoppelen van de vraag naar de plaats en de bestemming van de mens op aarde. Ook al is het paradijs een goddelijke tuin, de tuin blijft verstrengeld met de aarde. In de verbeelding van de mens is de oertuin steeds aanwezig. Het is dat oerbesef van leven voor Gods aangezicht in vrede en volmaaktheid. Dat bepaalt de menselijke arbeid, inzet, hoop en zin. Het verhaal van de hof bevat een rijke symboliek, telkens verwijzend naar het bestaan van de mens op aarde en zijn arbeid in de akker. De tuin is bovenal een ontmoetingsplaats voor man en vrouw, God en mens, mens en dier. De boom des levens, symbool voor leven dat tot bestemming komt, staat in het midden van het paradijs. Het midden symboliseert het midden van de wereld. Zoals Jeruzalem met het heiligdom theologisch gezien – niet geografisch! – de navel van de volken is, zo geldt de tuin met in zijn midden de levensboom als het centrum van de wereld. In de tuin ontspringt een rivier. Water en tuin horen bij elkaar, veronderstellen elkaar. Water laat vruchten groeien, vruchten geven voedsel, voedsel brengt leven. De rivier stroomt naar de vier windrichtingen. De vierde stroom is de Eufraat, de rivier die herinnert aan Babel, ballingschap. Alles mag de mens eten, slechts een ding niet, namelijk de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad. Dit ene gebod of verbod staat voor alle geboden en verboden. Wat God van de mens vraagt, is de grens van het leven niet te overschrijden. God vraagt te kiezen voor het leven. Eten van deze boom brengt geen leven, maar vervreemding en dood. De mens overschrijdt die grens. De gevolgen zijn rampzalig. Ontmoeting moet vanaf nu bevochten worden, vervreemding ligt telkens op de loer. Bewaren en bewerken van de tuin verandert in zweten en zwoegen op de akker. Eten is niet zonder meer met leven verbonden, brood (lèchèm) en strijden (lchm) hangen in het Hebreeuws met elkaar samen. Het verhaal van de hof van Eden is aanvankelijk niet iets dat voorbij is en niets meer met het leven op aarde te maken heeft. De kernmerken van de tuin worden tot richtingwijzers voor het dagelijkse leven en werken.

Er gebeurt nog iets anders met dit verhaal. In de beleving van Joden en christenen geldt de hof van Eden als het paradijs, ook al komt het woord als zodanig daar niet voor (wel in de Griekse vertaling ervan). De verloren hof van Eden, het paradijs, wordt tot toekomstbeeld. In die zin, dat bij de verschijning van de Messias de aarde wordt getransformeerd tot paradijs. Inde messiaanse tijd zullen begin en einde bij elkaar komen en zal het leven zich ontvouwen zoals het door God is bedoeld (Jes. 11:6; 65:25; vgl. Ez. 36:35). Alhoewel Jesaja de oertuin van God niet noemt, veronderstelt hij hem wel.

c.Voor christenen komt de nadruk te liggen op het zogenaamde hemelse paradijs, de zijnswijze na de dood. Daartoe heeft het Nieuwe Testament aanleiding gegeven, en latere joodse literatuur borduurt hierop door. Driemaal horen we over het paradijs. Het allerbekendste is het woord van Jezus tot zijn lotgenoot aan het kruis. Deze vraagt Hem: ‘Gedenk mij, wanneer U in het koninkrijk komt’ (Luc. 23:43). Het antwoord van Jezus luidt: ‘Heden zul jij met Mij in het paradijs zijn.’ De nadruk ligt niet zozeer op de plaats waarheen de misdadiger met Jezus heengaat, maar op het samen zijn met Jezus. Eerder hadden we verwacht dat Jezus zou zeggen: ‘Heden zul jij met Mij in het koninkrijk zijn’. Door het paradijs te noemen, komt de tuin van Genesis 2 in beeld, waar de sjalom tussen God en mens centraal staat; aan deze sjalom hebben Jezus en de hulp roepende man deel – waar en hoe dan ook. Ook bij de apostel Paulus komen we het paradijs tegen (2 Kor. 12:2-4). Hij vertelt van een buitengewone ervaring van jaren geleden; nog steeds is hij ervan onder de indruk. Hij voelde zich op dat moment door een hand opgetrokken in de derde hemel, tot in het paradijs. De apostel verbindt het paradijs met de hemelse sferen, met de omgeving van Gods volmaaktheid. Even heeft hij in een visioen daaraan deel gehad. De woorden ontbreken hem om de indrukken van wat hij heeft gezien te beschrijven. Tot slot komt het begrip voor in de brief aan de kerk van Efeze, in de visioenen van Johannes (2:7). De gemeente die trouw blijft en overwint, zal Christus te eten geven van de boom des levens die in het paradijs van God is. Aan het slot van Openbaring verschijnt de levensboom nogmaals (22:3-4). Daar staat hij in de stad, hier in het paradijs; daar dienen zijn bladeren tot genezing van de volken, hier de vruchten tot heil van de gemeente. De levensboom krijgt wereldwijde en inclusieve contouren. Het paradijs met levensboom verwijst, wat het woordgebruik betreft, terug naar het begin, maar verwijst wat het inhoudelijke betreft beeldend vooruit naar de toekomst, als ieder en alles heel zal zijn.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Gezang 49; 147; 165; 192; 193; 202; 206; 229; 277; 284; 479; Bijbel I: 4; Evangelie III: 43; Gezegend: 193; 264; Hoop: 62; Liederen: 11; 12; Liturgie: 522; Vertel: 1; Zingend I-II: 23; III: 20; V: 83; VI: 106.

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 516: ‘Paradijs’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 3: ‘Paradijs’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 20: ‘Tuin der Hesperiden’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 85: ‘Aan een boom’.

c.Verwerking:

Als wij het begrip paradijs in de mond nemen,wat bedoelen we dan? Deze vraag zou als uitgangspunt voor de uitleg ervan kunnen dienen. Wat bedoelen we met paradijs in gedichten, in liederen, in overlijdensadvertenties, in uitvaartdiensten, in.? Ook kunnen we luisteren naar wat andere heilige boeken vertellen over paradijsgedachten, zoals de koran (37:40-61; 40:7374; 52:17-28; 76:12-22; 78:31-37). De thema’s die we signaleren zijn onder andere: volmaaktheid, hoop, bestemming, verlangen en eeuwigheid.

Verwijzing

Aangezien het paradijs aanvankelijk als een tuin werd opgevat, verbaast het ons niet dat er grote overeenkomst is met ‘tuin‘. Zie verder: ‘draak‘, ‘slang‘ en ‘dier‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken