Menu

Premium

Preekschets 1 Koningen 19:4

1 Koningen 19:4

Zevende zondag na Pinksteren

En zelf trok Elia één dagreis ver de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten, verlangend naar de dood, en zei: ‘Het is genoeg geweest, Heer’…

Schriftlezing: 1 Koningen 19:1-18

Het eigene van de zondag

In deze zomerse, liturgisch gezien neutrale tijd van het jaar, is het aardig bijbelteksten eens vanuit een specifieke vraagstelling te bespreken. Kijkend naar de profetische teksten willen wij in drie schetsen de vraag beantwoord zien of er iets bijzonders te zeggen valt over de persoonlijke omgang van de profeten met God als opdrachtgever van de boodschap die zij te brengen hebben. Bij onder anderen Elia, Elisa en Jeremia is er sprake van persoonlijke moeite met het profetisch ambt en (een verschillende mate van) verzet tegen de bron van de boodschap; God zelf. We zullen zien dat Elia en Jeremia zich expliciet verzetten tegen de gevolgen van hun profetische optreden voor hun eigen leven. Bij Elisa ligt zijn moeite implicieter in het verhaal verborgen. Zijn ontsteltenis slaat niet op zijn eigen leven, maar op de gevolgen van zijn optreden voor het leven van een onschuldige ander.

Uitleg

Elia is de profeet die in het liturgische leven binnen het jodendom altijd een grote rol heeft gespeeld. Opvallend genoeg is in het boek Koningen de rol van Elia tamelijk marginaal. In slechts zes hoofdstukken speelt hij een centrale rol; daarbuiten wordt hij nauwelijks genoemd. Hij wordt aanvankelijk geportretteerd als een dapper en onverzoenlijk ijveraar voor God; met name hoofdstuk 18 getuigt daarvan. Des te opmerkelijker is het, dat in het aansluitende hoofdstuk een geheel andere Elia wordt neergezet.

De inleiding geeft in 1 Koningen 19:1 en 2 aan, dat er bij monde van een bode dreigende taal door koningin Izebel gesproken wordt aan Elia’s adres. Dat is op zich niet verbazend, want zij is zijn grote tegenspeler en hij heeft de Baal vereerders net een zeer gevoelige slag toegebracht. Elia’s grote godsvertrouwen verdwijnt als sneeuw voor de zon. Izebel, met haar macht over politiek en godsdienst, maakt de onuitroeibaarheid van de aanbidding van de afgoden duidelijk. Het maakt Elia zo bang dat hij ‘gaat voor zijn leven’ (vers 3). Hij trekt de woestijn in, vooralsnog een dagreis ver. Hij wil zijn leven en de daarmee verbonden opdracht teruggeven in de hand van de Heer. ‘Het is genoeg’ (vs. 4). Hij geeft zich aan de slaap over. God stelt hem niet op de proef. Vrijwel onmiddellijk is er sprake van een bode van God die de doodsbedreiging van de bode van Izebel tenietdoet door Elia de weg ten leven te wijzen. Allereerst moet hij eten en drinken. Elia doet als gezegd, maar legt dan opnieuw het moede hoofd te rusten (vs. 6). Ook de bode treedt in herhaling, raakt Elia opnieuw aan en stuurt hem vervolgens op weg.

Het tweede traject van de woestijntocht, dat veertig dagen en nachten diep de woestijn inloopt tot aan de berg Horeb, lijkt Elia zijn kracht hervonden te hebben (vs. 8). Opvallend is natuurlijk dat Elia Mozes’ tocht naar de Horeb in omgekeerde richting volbrengt. Ook hij schuilt in een spelonk en ook hem wordt daar een Gods-verschijning geopenbaard. Ook hij kent zijn moment van grote zwakte en twijfel. Waarom is er deze verwijzing naar Mozes? Elia moet blijkbaar net als Mozes het volk terugleiden naar God, nu de koning zich niet van die taak kwijt. Met Elia als tweede Mozes komt er voor het volk een nieuwe, een tweede kans tot bekering en behoud. De spannende vraag in het boek Koningen is of het volk van die kans gebruik maakt of niet (Kevers, 25/26).Op de Horeb komt God zelf naar Elia toe. Tot twee keer toe vraagt God hem hier op de man af, zonder tussenkomst van een bode: wat doe je hier? Wat is er met je aan de hand? (vs. 9 en 13). En twee keer antwoordt Elia met precies gelijke bewoordingen. Hij ziet de opdracht niet zitten; het lijkt hem zinloos (vs. 10 en 14). Vooral de herhaling van deze woorden is opmerkelijk omdat God in de tussenliggende verzen zich expliciet gemanifesteerd, ja als het ware blootgegeven heeft. Hij is verschenen, voorbijgegaan (vs. 11) en daarbij is het er met aardbeving, orkaanwind en vuur heftig aan toegegaan. Desondanks ‘was de HEER daarin niet’ (11 en 12). Pas het ‘suizen van een zachte stilte’ (vs. 12) doet vermoeden (al wordt het niet met zoveel woorden gezegd), dat God zelf aanwezig is. Het is dat geluid dat enige verandering in Elia teweegbrengt (‘en het geschiedde’). Hij treedt naar buiten, het gezicht verborgen, om Gods stem te horen. Het bewerkt niet dat hij zichzelf nu ook van een andere kant laat zien. Hij volhardt in zijn moedeloosheid.

God doet vervolgens wat hij ook met andere mismoedige profeten doet (vgl. Jer. 20): Hij gaat over tot de orde van de dag en stuurt Elia terug aan het werk. Hij moet Hazaël zalven tot koning van Aram, Jehu zalven tot koning van Israël en Elisa tot profeet in zijn eigen plaats. De conclusie ligt voor de hand dat Elia’s falen en vluchten hem niet in dank afgenomen worden, waardoor hij op termijn plaats moet maken.

Zo zien we hier twee gezichten van zowel de profeet als God zelf. Heldhaftig optreden van de profeet wordt vergezeld door overweldigend optreden van God (18:38). De kleinheid van de profeet wordt weerspiegeld door een manifestatie van de Heer die bescheiden is, intiem bijna, en duidelijk dieper gaat dan de heftigheid van natuurverschijnselen. De schrijver gebruikt hier als het ware de volhardend depressieve reactie van de profeet om des te sterker aan te geven, hoezeer God clementie heeft met zijn gezondenen. Zij mogen mens zijn, ook in hun kwetsbaarheid. De relatie tussen God en profeet wordt door de twijfel van de profeet niet verbroken.

Aanwijzingen voor de prediking

Een profeet is ook maar een mens. Dat is op zich verrassend. Je zou verwachten dat als iemand voor zichzelf zo duidelijk weet dat hij een bijzondere taak van God zelf ontvangen heeft en de legitimatie daarvan op overweldigende wijze waar kan maken, dat hij dan verder onbevangen door het leven stapt. Maar zo werkt het dus niet. Zoals zo vaak, laat de bijbeltekst zien hoezeer de meest godsgetrouwe mens ten prooi vallen kan aan verleidingen van velerlei aard. Hier geeft Elia toe aan de angst. Hij is niet zozeer bang om zijn eigen leven te verliezen (hij geeft het in de woestijn graag uit handen), maar hij is bang dat de zaak waar hij voor staat geen goede afloop zal kennen. Dat Gods werk en aanwezigheid niet vanzelfsprekend het gewenste en bedoelde effect hebben op het aardse leven, merkt Elia in de confrontatie met Izebels dreiging. Daar moet je tegen kunnen. Elia geeft zich helemaal over aan de twijfel, die leidt tot hardnekkig zelfbeklag.

Met de moedeloosheid die de kerk en de gelovige kenmerken kan, is dit zeker te vergelijken. Waar moet het heen met deze wereld? Waar zien we temidden van de dominantie van anti-machten, de aanbeden afgoden van onze tijd, nog de werking, de overmacht van de Heer? Heeft het zin te getuigen van de liefde van God, te strijden voor de gerechtigheid? De verleiding kan groot zijn je terug te trekken en het moede hoofd in de schoot te leggen. Wie niets meer verwacht, kan ook niet teleurgesteld worden.

God onthoudt ons zijn antwoord niet. Opvallend is hoezeer God zich onmiddellijk buigt over deze zelfmedelijdende knecht. Eerst in de gestalte van de bode, daarna in ‘levenden lijve’. Een meer bemoedigend antwoord aan de profeet is niet denkbaar. God zelf geeft zich helemaal. Daarmee laat Hij zijn trouw zien, zijn mededogen, misschien wel zijn begrip voor de twijfel van deze mens. Tegelijkertijd maakt Hij duidelijk dat het in het al dan niet succesvolle optreden van Elia niet gaat om de persoonlijke zaak van de profeet, maar dat de profeet het werk van Gód ter sprake brengt. God zelf staat garant voor deze geschiedenis met zijn volk.

Daar zit ook een verkapte reprimande in. En dat leidt tot het derde aspect van het handelen van de Heer: Hij stuurt zijn gezondene weer gewoon op pad.

Deze drievoudige reactie van de Heer: zijn toeneiging, de impliciete terechtwijzing (‘wat doe je hier’) en het opnieuw op weg sturen van zijn getuige, lenen zich nadrukkelijk om in troost en vermaning naar de gemeente toe vertaald te worden.

Liturgische aanwijzingen

De ambivalentie van Elia wordt in het NT belichaamd door Petrus. Matteüs 16:13-23 is als evangelielezing te gebruiken.

Er zijn vele liederen die de ambivalentie van de gelovige ten opzichte van God vertolken. Bijvoorbeeld: ‘Hoor. Maar ik kan niet horen’ (GvL 618). Prachtig zijn in dit verband uit het LvdK de gezangen 88, 395 en 484. Gezang 284 geeft uiting aan het verlangen van de mens naar bevestiging en een lied als Gezang 480 brengt de opgeroepen emoties weer op een hoger plan tot rust. Overigens lijkt het mij belangrijk om de diensten die in dit kader van de aangevochten profeten gehouden worden, te beginnen met een lofpsalm als Psalm 100. Gods goedheid en trouw vormen het kader waarbinnen alle aanvechting een plaats kan krijgen.

Geraadpleegde literatuur

Paul Kevers (red.), Elia: profeet van vuur, mens als wij, Leuven 1997; Klaas A.D. Smelik, 1 Koningen (serie Belichting van het bijbelboek), Brugge 1993.

Wellicht ook interessant

None

Boekbespreking God zelf ontmoeten

Er verscheen opnieuw een mooi vormgegeven, doordacht en praktisch boek van de hand van de inmiddels bekende Jezuïet en internetpastor Nikolaas Sintobin (verbonden aan de Krijtberg in Amsterdam). Geïnspireerd door de Ignatiaanse spiritualiteit schreef hij intussen meerdere boeken, waarin hij wegen wijst om mensen in de drukte van het leven te helpen stil te worden tot God. Deze priester is ervan overtuigd, mede uit eigen ervaring, dat het mogelijk is om zó te bidden bij een open bijbel dat het leidt tot ontmoeting met de eeuwige God zelf. Je kunt die weliswaar niet organiseren, maar je kunt wel een weg gaan, die leidt tot grotere openheid en meer ontvankelijkheid. De ontmoeting zelf, het spreken van God tot ons hart, blijft een ‘verrassend godsgeschenk’.

Nieuwe boeken