Menu

Premium

Preekschets 1 Korintiërs 9:22a

1 Korintiërs 9:22a

Zestiende zondag na Pinksteren

Voor de zwakken ben ik zwak geworden om hen te winnen.

Schriftlezing: 1 Korintiërs 9:1-8 en 15-27

Uitleg

Hoofdstuk 9 sluit aan op hoofdstuk 8. Hoofdstuk 8 eindigt met Paulus’ uitspraak dat hij ‘in eeuwigheid geen vlees (wil) eten’. In hoofdstuk 9 wordt de thematiek van het niet willen gebruikmaken van bepaalde rechten uitgebreider behandeld, met name met betrekking tot de plicht van de gemeente om de apostelen te onderhouden. Paulus laat allerlei dingen bewust na om de zwakke gelovigen niet in verwarring te brengen. Dat het voor Paulus een zeer aangelegen punt is, blijkt wel uit de sterke bewoordingen die hij gebruikt. Zie het aangehaalde woord uit 8:13, en zie ook 9:15, waar hij zegt liever te sterven dan van al deze rechten gebruik te maken.

Vrijheid is het kernwoord in dit hoofdstuk. Gelet op de betoogtrant van dit hoofdstuk is Paulus kennelijk genoodzaakt zich tegen anderen te verdedigen. In deze uitleg ligt de nadruk op de verzen 19-23. Enkele aantekeningen over de voorafgaande verzen willen echter behulpzaam zijn om de essentie van Paulus’ gedachtegang beter te kunnen weergeven.

In de verzen 1-3 schrijft Paulus in het enkelvoud; daarna gaat hij over op het meervoud (vanaf vs. 4). Hij laat merken dat hij niet alleen staat in zijn ambtsopvatting. Hij ziet af van de vrijheid om te eten en te drinken. Bedoeld is, volgens Wolff en anderen, dat de apostel recht heeft om te eten en te drinken op kosten van de gemeente (Wolff 1982, 22; Conzelmann 1969, 180 noot 15). Maar zou Paulus alleen het financiële aspect op het oog hebben? Zou hij hier toch ook niet willen beweren dat een apostel de vrijheid heeft om te eten en te drinken zonder rekening te houden met de joodse spijswetten? Of dat hij de vrijheid heeft om vlees te eten dat uit de heidense tempels afkomstig was (vs. 4). Want als Paulus in eeuwigheid geen vlees meer wil eten (8:13), dan is dat niet omdat hij daartoe geen recht zou hebben, maar omdat hij zijn broeders geen aanstoot wil geven.

Mijns inziens mist men echter de pointe van dit hoofdstuk als de kwestie van het levensonderhoud als het voornaamste punt zou worden gezien. Het gaat vooral om het motief achter dit alles. Waarom maakt Paulus geen gebruik van zijn rechten (vs. 12)? Dat heeft alles te maken met het feit dat hij zich als apostel geroepen weet om een christocentrisch leven te leiden, een leven dat de kruisvorm vertoont.

De kwestie van de sterken en de zwakken is een ingewikkeld probleem. Aan de ene kant lijkt het erop dat Paulus zich te snel en te gemakkelijk aanpast aan de wensen van de zwakken: geen vlees eten, en dus afstand bewaren van allerlei heidense praktijken. Dat is de houding van iemand die een joodse leefwijze van waarde acht. Aan de andere kant zegt Paulus dat hij de Grieken een Griek wil zijn (degenen die zonder de wet zijn, is hij geworden als zonder de wet, vs. 21). Daarin vertoont zijn houding overeenkomst met die van de sterken. Het is het praktiseren van de vrijheid van een christen.

Het doel van Paulus’ aanpassing is om de Joden te winnen voor het evangelie van Jezus Christus (vs. 20). Hij zoekt zijn kracht niet in de confrontatie, want hij wil geen vervreemding van zijn broeders. De sterke christen zal dit anders benaderen. In een Joodse omgeving zal zo iemand demonstratief deze wetten naast zich neerleggen. Maar op die manier zullen de Joden niet gewonnen worden voor het evangelie.

Paulus gaat een belangrijke stap verder als hij zegt: degenen die zónder de wet zijn ben ik geworden als zonder de wet. De heidenen zijn zonder de wet, maar leven de sterken ook niet zonder de wet? Het is de vraag wat precies bedoeld wordt met ‘zonder de wet’ en ‘niet (meer) onder de wet’. Is het ‘zonder de wet’ niet kenmerkend voor de sterken? Zij laten zich immers voorstaan op hun vrijheid. Wie met Wolff meent dat Paulus hier bezig is om zijn zendingsmethode te concretiseren (Wolff II, 32), zal Paulus’ betoog uitsluitend willen betrekken op de heidenen.

Hoe dan ook, Paulus wil de heidenen een heiden zijn. Dat moet in joodse oren bijzonder aanstootgevend geklonken hebben. Het heeft er alles van weg dat Paulus zich presenteert als een sterke christen. Toch is er een ingrijpend verschil met de sterken. Dat verschil is het motief. Paulus’ motief is niet gericht op emancipatie, maar is missionair. Wat betreft de vrijheid wil Paulus leven als een zwakke in het geloof en ziet hij af van tal van rechten. Wat betreft de zorg voor de heidense medemens en het verlangen dat het evangelie voortgang zal vinden, wil hij inderdaad sterk en moedig zijn en wil hij de stap wagen om naast de heiden te gaan staan.

De zwakken moeten deze ‘aanpassing’ niet opvatten als een vorm van vleselijke vrijheid, maar als het dragen van het kruis van Christus. Zij moeten leren inzien dat deze vrijheid hen des te meer tot vreemdelingen op aarde maakt. Want deze aanpassing geschiedt ter wille van het evangelie, om mensen te winnen voor het evangelie. Deze ‘aanpassing’ is geen verloochening van het evangelie, maar brengt het diepste motief van de incarnatie aan het licht. Het is een indalen in de mensenwereld. De zwakke christenen blijven zwak – er is een innerlijke distantie tot de wereld – en tegelijk moeten zij sterk zijn: niet kiezen voor het isolement, maar vrijmoedig getuige zijn van Jezus Christus en zich niet te lang laten ophouden door praktische kwesties. Deze tweeledige houding van enerzijds distantie bewaren ten aanzien van de heidense wereld en anderzijds moed en vrijheid aan de dag leggen, maakt de houding van de zwakken boeiend en inspirerend.

Aanwijzingen voor de prediking

Hoe staat de christen in de samenleving? De problematiek die hier aan de orde is, herinnert aan de tweeledige titel van Luthers geschrift over de vrijheid van een christen. Er is sprake van een dialectiek: aan de ene kant is de christen heer over alle dingen en niemands onderdaan. Maar evenzeer geldt dat de christen een dienstbare knecht is van alle dingen en de onderdaan van iedereen. Een betere parafrase van de tekst – en vooral van vers 19! – is niet zo gemakkelijk te geven. Een sprekend citaat: ‘Wer kann nun ausdenken die Ehre und die Höhe eines Christenmenschen? Durch sein Königreich ist er alle Dinge mächtig, durch sein Priestertum ist er Gottes mächtig, den Gott tut, was er bittet und will, wie da steht geschrieben: “Gott tut den Willen derer, die ihn fürchten, und erhöret ihr Gebet”’ (M. Luther, 276). Vanuit een innerlijke, koninklijke en priesterlijke gezindheid komt het tot een echte christelijke praxis.

Men zal Luther niet zó moeten verstaan dat hij een tegenstelling bedoelt tussen gezindheid en daad, alsof de daad inferieur is en een negatieve klank zou hebben. Het is veeleer de tegenstelling van wet en evangelie en van vlees en Geest. Vanuit de innerlijke vrijheid kan de mens pas komen tot een christelijke levenshouding, die niettemin verborgen is en geen definitieve gestalte aanneemt. Geen gestalte aannemen maakt een bepaalde vorm van zich aanpassen noodzakelijk, maar dan een aanpassing die alles te maken heeft met de overtuiging dat geen enkele gestalte het heil kan bevatten. Deze levenshouding staat onder eschatologische spanning.

In 1 Korintiërs 9 komt de problematiek van sterken en zwakken tot een afronding. De afronding bestaat niet uit een afwijzen van het één ten gunste van het ander. Sterk zijn en zwak zijn worden in een dialectische verhouding geplaatst. Namelijk zo, dat de christen zijn weg moet gaan in liefde tot het evangelie en zich daaraan dienstbaar moet maken. In zekere zin is hij dan zwak, omdat zijn identiteit in het evangelie ligt en niet in hemzelf. Toch is dat zijn kracht. De christen die het evangelie gebruikt als een middel om zich te emanciperen, lijkt sterk, maar is in feite zwak. Zwak en sterk moeten kruiselings met elkaar verbonden worden, zoals Luther doet in zijn Vrijheid van de christen. Het christenleven is een voortdurend proces waarin de christen datgene wat hem sterk maakt als zijn zwakte beschouwt en in datgene wat hem zwak doet zijn zijn kracht mag ontdekken.

Zoals het leven van een atleet (vs. 24-27) moeilijk voor te stellen is zonder dat hij moet afzien, zo is het moeilijk zich een christen voor te stellen zonder lijden. Lijden op een speciale manier: niet alleen vanwege tegenstand en spot, maar vooral vanwege het zich aanpassen aan een wereld waarin de christen een vreemdeling is. Deze aanpassing wordt niet ervaren als een verworvenheid, maar als een expressie van de voorlopigheid waarin wij leven. Het is geen assimilatie, maar een vorm van incarnatie, die juist in het kruis dragen zijn kern heeft.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 36:2; 71:1, 2, 3; 86:4, 7; 131. Gezang 177:7; 344; 469 (LvdK).

Geraadpleegde literatuur

M. Luther, Ausgewählte Werke, Zweiter Band, (Borcherdt u. Merz).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken