Menu

Premium

Preekschets Galaten 2:19

Galaten 2:19

Derde zondag na Pinksteren

Want ik ben gestorven door de wet en leef niet langer voor de wet, maar voor God. Met Christus ben ik gekruisigd.

Schriftlezing: Galaten 2:1-21

Uitleg

De brief aan de Galaten is het beste te verstaan vanuit een ervaring van grote vreugde en bevrijding. Deze ervaring was de Galaten ten deel gevallen door het bezoek en de prediking van de apostel tijdens diens tweede zendingsreis (Hand. 16:6). De prediking van Israëls God, die zich in de Messias zo diep naar de mensen toe had gebogen, had de Galaten diep geraakt. Het evangelie schonk hun een nieuw bestaan en maakte hen van bange, gebonden mensen tot vrije en verantwoordelijke mensen. Iets van deze emoties vinden we bijvoorbeeld terug in Galaten 4:12-15.

Tijdens zijn derde reis bezocht de apostel de gemeenten van de Galaten opnieuw, maar later tijdens diezelfde reis kwamen er geruchten, dat er in de gemeenten veel mis was gegaan. De gemeenten waren waarschijnlijk bezocht door een groep christenen uit de joden. Zij beweerden, dat als je christen wilde zijn, datje dan eigenlijk ook jood moest zijn en dus besneden moest worden. Grollenberg geeft een goede impressie van de gesprekken die men in de gemeenten voerde. ‘Dat nieuwe geloof van jullie, zeiden ze (de latere bezoekers), dat is een illusie. Het brengt je niet bij die ene ware God. Jullie weten toch, dat Hij de God van Israël is, de God van de joden. Met hen alleen heeft Hij zich verbonden en het teken van het toebehoren bij dat verbond is de besnijdenis (…) Maar geldt dat nu allemaal nog, nu God zijn Messias gezonden heeft, vroegen de Galaten. Ja, is het antwoord. Ja, nu wil Hij nog veel duidelijker dan vroeger de niet-joden betrekken in zijn verbond en ook hen laten leven volgens zijn wet. Maar Paulus heeft ons toch nooit gezegd, dat dit allemaal moest? Nee, natuurlijk niet. Die Paulus is geen echte apostel’ (Grollenberg, 71). Naast de inhoud van de boodschap stond dus ook de persoon van de apostel ter discussie.

Paulus reageert buitengewoon emotioneel op deze berichten. De discussie over de betekenis van de joodse wet voor de christenen raakt tegelijk zijn werk en bevoegdheid als apostel. Het tekstgedeelte Galaten 2:15-21 is het slotstuk van een grotere geheel (Gal. 1:6-2:21). De beide thema’s van inhoud en apostolisch gezag lopen hierin door elkaar heen. In de verzen 1:11-24 onderstreept de apostel vooral zijn onafhankelijkheid van de apostelen in Jeruzalem. Tegelijk was er een groot verlangen bij Paulus om ‘zijn’ evangelie te bespreken met de leiders in Jeruzalem. Immers: was de Messias die aan hem verschenen was inderdaad dezelfde, als degene met wie Petrus en Jakobus hadden geleefd? Na veertien jaar is Paulus in Jeruzalem geweest voor een gesprek. Waarschijnlijk doelt de apostel op het zogeheten apostelconvent in Jeruzalem (Hand. 15). De berichten van Paulus in Galaten 2:1-10 en de berichten in Handelingen 15 lopen niet helemaal parallel. (Voor een discussie hierover verwijs ik naar de commentaren; zie ook Grollenberg, 41.) In Galaten 2:6 en 9 valt de relativering op van het gezag van Jakobus en Petrus. Tegelijk wordt benadrukt, dat de apostelen uit Jeruzalem Paulus tot niets verplichtten en dat zij daarmee zijn prediking erkenden: heidenen, die in de Messias gaan geloven, hoeven zich niet te laten besnijden (vs. 3 en 6).

De historische achtergrond gaat langzaam over in een meer thematisch betoog. Ik ben het eens met de opmerking van Van Stempvoort, dat we het woordje ‘rechtvaardig’ niet te koel juridisch moeten interpreteren (Van Stempvoort, 46). ‘Het gaat om een van de grote woorden van het oude en het nieuwe Israël.’ Ook moeten we niet snel en gemakkelijk oordelen over het jodendom als geheel in Paulus’ dagen. De eigenlijke vraag, die aan de orde was, was de vraag naar Gods openbaring. Waar en in wie heeft God zich helemaal uitgesproken? In de tora of in Christus? Het is niet eenvoudig om in de brieven van Paulus het woordje ‘wet’ goed te interpreteren. Soms wordt de tora als een soort persoonlijke grootheid aangeduid, soms wordt uitdrukkelijk gedacht aan de 613 rabbijnse geboden en verboden en soms lijkt het woordje ‘wet’ bijna samen te vallen met een heilshistorische periode. In het jodendom was het contactpunt met de Eeuwige toch vooral de openbaring in de geboden en verboden van de tora. Tegelijk zegt de apostel, dat joden zelf ook weten, dat het doen van de geboden van de tora op zich niet voor God rechtvaardigt (vs. 15). Vers 17 is een vers dat moeilijk te interpreteren is. Het is mogelijk, dat Paulus hiermee de houding van Petrus bedoelt (vs. 11-14). Immers door eerst tafelgemeenschap met de heidenen te hebben, liet Petrus merken dat hij in de vrijheid stond. Daarna onttrok hij zich er weer aan uit vrees voor mensen uit de kring van Jakobus. Zo brak hij af, wat hij had opgebouwd en zo bewees ook Petrus – een geboren jood – dat hij een zondaar was. Leidt Christus heidenen nu in de zonde? Dat toch niet!

De verzen 19 en 20 lijken mij mystieke woorden. Daarin schuilt de verrukking van de apostel over datgene, wat hem bij Damascus is overkomen. De ervaring van Damascus is toch de ontdekking, dat het contactpunt met God niet allereerst gelegen is in de tora, maar in de gekruisigde Heer. Het was voor de apostel zo overweldigend. Het was enerzijds een doodskus. Het systeem ging eraan en met het systeem het oude zelf van de apostel. ‘Door de wet’ (vs. 19) betekent ook: door een groot oordeel werd duidelijk, dat hij niet meer onder het oude systeem kon leven. De dood van het oude ‘ik’ was en is tegelijk de opstanding van een nieuw ‘ik’, dat geen krampachtig en handhavend ‘ik’ meer is. Het is een bevrijd ‘ik’, een ontspannen mens wordt geboren, die juist zo bruikbaar en dienstbaar voor de ander wordt.

Aanwijzingen voor de prediking

In het bijbelgedeelte sprak mij bijzonder aan, hoe Paulus omgaat met allerlei regels van mensen en met de druk tot religieuze prestaties. Bij Paulus ging het vooral om religieuze en morele regels, die het leven van de gemeente onder druk zetten. Dat kan voor ons nog steeds zo zijn, maar de druk om tot allerlei prestaties te komen, zit ook zeer diep in het moderne levensgevoel. Bij Paulus lezen we over een beslissend andere weg en een andere manier van leven.

De preek zou kunnen beginnen met het noemen van enkele religieuze regels of gewoonten, die er vooral vroeger waren en waar deze toe leidden. Een bakker vertelde me eens dat hij koekjes, die als hartjes gebakken waren, aan bepaalde mensen niet kon verkopen, want de koekjes deden aan het kaartspel denken! Veel van dergelijke regels zijn er niet meer. Het woordje ‘moet’, wordt in de kerk echter nog vaak gebruikt. Het thema kan dan verbreed worden met voorbeelden uit de maatschappij, waar mensen kunnen opbranden aan allerlei eisen die aan hen gesteld worden. Enerzijds lijden we in onze tijd aan een vergaande regelloosheid en aan morele wanorde. Anderzijds zijn er vele – soms onuitgesproken – regels en verwachtingspatronen.

Na deze fase kan de tekst zich laten horen. De situatie van de Galaten kan worden geschilderd. Allerlei details van de exegese kunnen helpen om de hoorders de emotie van het schriftgedeelte te laten voelen. Een wettische levenssfeer betekent niet alleen ‘een ander evangelie’, maar het betekent ook dat mensen concurrenten van elkaar worden en elkaar de maat gaan nemen. Op deze wijze kan de emotionele reactie van de apostel duidelijk worden en ook de uitval naar Petrus. Het evangelie zelf en het leven daaruit staan op het spel!

Vervolgens kan worden uitgelegd, hoe Paulus met deze druk is omgegaan. Als het gaat om de dwang van allerlei menselijke regels, zwakt Paulus niet enkele regels af of relativeert de druk tot prestaties. De apostel gebruikt de meest zware woorden over sterven en dood. We zullen de woorden wel moeten verstaan in het licht van zijn mystieke ervaring bij Damascus. Deze mystieke ervaring was enerzijds zeer confronterend en hard, maar zo hard en scherp kan Gods liefde zijn. Het ego van de apostel – zozeer verweven met het systeem van geboden en verboden – stierf en een nieuw perspectief ging open. De openbaring van Jezus Christus doet nog steeds hetzelfde. Niet in allerlei regels of verplichtingen klinkt Gods stem. Gods stem klinkt in zijn Zoon, die zich ontfermt over ons in onze zwakheid, gebrokenheid en verscheurdheid. Geloven betekent dan ook, dat wij ons leren overgeven aan Gods liefde en daarmee belijden, dat we het vanuit ons ego uiteindelijk niet redden. Wat bij Paulus een eenmalige, intense ervaring was, kan zich aan ons langzamer tonen en wij doen er misschien langer over om hierin te groeien. Het wezen is echter hetzelfde: het gaat om een bijzondere vrijheid. Geloven is geen zaak van regeltjes op zich, maar van een relatie, die gekenmerkt wordt door liefde.

Precies daar – bij deze dood – begint een heel nieuw leven. Daar is het onzekere sfeertje van de wet, het verdienen, beoordelen en veroordelen voorbij. Daar ligt ook een heleboel nieuwe energie en gaan we verstaan wat het evangelie bedoelt met het doen van Gods wil (Rom. 12:1, 2). Dat was ook de energie, die Paulus uiteindelijk dreef. Henri Nouwen schrijft, dat hij eens zeer vermoeid en gestrest op bezoek was bij zuster Theresa in Rome (Nouwen, 70). Hij vroeg haar ten einde raad, wat hij toch aan moest met al die druk. ‘Wat moet ik doen?’ Zuster Theresa antwoordde eenvoudig: ‘Henri, je moet niet iets doen. Als je elke dag tijd reserveert voor het gebed en aan Jezus denkt, komt alles goed.’

Liturgische aanwijzingen

Te denken valt aan Psalm 32:3; 95:1; Gezang 305; 330; 402.

Geraadpleegde literatuur

Dr. P.A. Van Stempvoort, De brief van Paulus aan de Galaten, Nijkerk 1979 en Henri Nouwen, Gracias, Dagboek uit Latijns-Amerika, Baam 1983.

Wellicht ook interessant

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken