Preekschets Johannes 2:1,2
Johannes 2:1, 2
Derde zondag van Epifanie
En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder van Jezus was daar; en ook Jezus en zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd.
Schriftlezing: Johannes 2:1-11
Het eigene van de zondag
De zondagen na Epifanie ademen het gevoel ‘nu komt de groene zomer’. We lezen van de eerste tekenen die Jezus doet. Zij maken iets zichtbaar van de reikwijdte van zijn betekenis.
Liturgische aanwijzingen
Voor de introitus kan er gedacht worden aan LvdK Psalm 33 of 67. Een passend loflied is ZG II, 111. Andere mogelijke liederen: LvdK Gezang 27; 74; 156 (coupletten 9, 10, 11); 166; 430, 487 (couplet 2); ZG II, 110 en V, 29 en 85 (couplet 5). Hooglied 1:1-4 laat zich goed bij Johannes 2 lezen.
Geraadpleegde literatuur
Jan Nieuwenhuis, Het laatste evangelie I, Kampen 1995, 53-60; Willem Barnard, De mare van God-bewaar-me, Zoetermeer 2002, 43-52; Nico ter Linden, Het verhaal gaat VI, Amsterdam 2003, 200-204.
Uitleg
Het verhaal van de bruiloft te Kana maakt onderdeel uit van een serie gebeurtenissen die begint in Johannes 1:19 en eindigt in Johannes 2:11. Deze gebeurtenissen spelen zich telkens af ‘op de volgende dag’ of ‘op de derde dag’. Bij elkaar opgeteld is er sprake van zeven dagen. Met deze zeven dagen aan het begin van zijn evangelie legt Johannes een link met het scheppingsverhaal uit Genesis 1. Alles wordt nieuw, vertelt hij, met het optreden van Jezus.
Het verhaal van de bruiloft te Kana komt aan het einde van deze eerste week van een nieuwe schepping. Deze bruiloft ‘geschiedde’ zoals er in het Grieks staat, ‘op de derde dag’. De derde dag: dat is in de Schriften de dag van het definitieve. Dan gebeurt er iets van Godswege. Iets dat uit de voegen van de geschiedenis barst. Een periode van wachten en uitzien wordt voltooid. Op zo’n derde dag zag Abraham de plaats waar hij Isaak moest offeren (Gen. 22:4), sloot God een verbond met zijn volk (Ex. 19:16), begon Jozua aan de overtocht over de Jordaan (Joz. 3:2), vroeg Ester koning Ahasveros om een gunst (Est. 5:1), en op de derde dag bemerkten de vrouwen die Jezus liefhadden dat zijn graf leeg was. Ook de bruiloft te Kana geschiedde ‘op de derde dag’.
Nu vertelt Johannes niet, wie op die dag de bruidegom en de bruid zijn. Dat geeft te denken. Als het Johannes niet gaat om de geluksdag van nn en nn te K., moet het hem om iets anders gaan. Eigenlijk kan het niet anders, of hij wil zijn lezers met deze bruiloft doen denken aan het verbond dat God met zijn volk gesloten heeft ‘op de derde dag’ (Ex. 19:16). Deze band lijkt immers op een huwelijk. De Eeuwige is de bruidegom van Israël, kunnen de profeten zeggen (zie o.a. Jes. 61:10-11 en Hos. 2:18-19). En ook in het Hooglied is de onderlinge liefde van twee mensen een beeld voor de verhouding van God en mensen – vandaar ook de keuze voor een tekst uit dit boek als oudtestamentische schriftlezing. Het gaat Johannes in zijn bruiloftsverhaal dus om de relatie tussen God en mensen. Het speelt zich af te Kana in Galilea. Kana: daar klinkt de naam van het beloofde land in door, Kanaan. Galilea: dat is het gebied ‘van de heidenen’, de streek waar Jezus vandaan komt. Vanuit deze onverwachte hoek komt de beweging, die van het land opnieuw een beloofd land kan maken.
Het spant er echter wel om, of dit inderdaad zal ‘geschieden’. Want de wijn blijkt op te zijn. En wijn is in de Schriften de drank van het Koninkrijk. Zo is het eerste wat Noach doet, wanneer hij na de zondvloed voet aan land zet, een wijngaard planten (Gen. 9:21), brengen de verspieders, die het beloofde land verkennen, een enorme tros druiven mee (Num. 13:23) en spreekt de profeet Amos over het komende Rijk van God in termen van ‘dan zullen de bergen druipen van jonge wijn’ (Amos 9: 13). De wijn is op, te Kana in Galilea. Er hapert dus iets in de band tussen God en mensen waardoor het feest van het Koninkrijk niet door kan gaan. Maria, de moeder van Jezus, is degene die de mensen dan op Jezus wijst. Zij heeft in dit verhaal de rol van een voorgangster, ook al lijkt het alsof Jezus afstand van haar neemt door tegen haar te zeggen: ‘Vrouw, wat heb Ik me u van node?’ Mogelijk wil Johannes hiermee benadrukken, dat Jezus zich in dit eerste openbare optreden meer een zoon van zijn Vader dan van zijn moeder betoont. Het is bovendien goed om te weten, dat zijn woorden aan het adres van Maria een citaat zijn uit het Oude Testament (1 Kon. 17: 18). Dat geldt ook voor de woorden van Maria: ‘Wat Hij u ook zegt, doet dat!’ (Gen. 41:55). Beide citaten zijn zorgvuldig gekozen, zowel in 1 Koningen 17 als in Genesis 41 gaat het over een tekort dat omgezet wordt in overvloed.
In dit verhaal wordt het tekort aangevuld vanuit zes watervaten. Barnard noemt het water in de vaten ‘waswater, reinigingswater, wetwater’. Het is met andere woorden niet zomaar water, het staat symbool voor de thora. Nu is het water in dit verhaal bijna op, de vaten zijn vrijwel leeg. Daarmee wil Johannes zeggen, dat de thora verdroogd is, dat de betekenis ervan de mensen ontgaat. ’t Is geen bron meer waar zij uit putten voor hun leven. Dat is wat er wat hem betreft hapert, tussen God en mensen. De thora zou op een nieuwe manier uitgelegd moeten worden, zodat de woorden ervan weer gaan spreken. En dat is nu wat Jezus doet. Hij zegt: ‘Vult de vaten met water’. Hij zorgt ervoor, dat de thora weer een bron wordt. Een voorteken van wat Hij bij al zijn reizen door het land zal gaan doen: de thora uitleggen door die zelf ook te vervullen. Als deze oude woorden zo weer levend water worden, een bron – ja, dan begrijp je dat er ook weer wijn zal zijn, de wijn van het Koninkrijk, van het feest van de gemeenschap tussen God en mensen …
Aanwijzingen voor de prediking
Het verhaal van de bruiloft te Kana is zo bekend, dat het moeilijk kan zijn om er als voorganger zelf warm voor te lopen. Soms helpt het dan, om het eerst eens te zoeken bij een kunstzinnige verwerking van de bijbeltekst. Wie van zichzelf weet dat hij/zij geraakt kan worden door klassieke muziek, zou bijvoorbeeld cantate BWV 3 ‘Ach Gott, wie manches Herzeleid’ (1725) van J.S. Bach kunnen beluisteren, die voor de tweede zondag van Epifanie bij dit verhaal gecomponeerd is. In deze cantate zingt de ik-persoon over zijn band met God als over een liefdesrelatie. Alle gevoelens, die bij zo’n relatie horen, leven in hem. Van onvervuld verlangen, angst voor verlies van ruimte voor zichzelf in de relatie, tot diepe vreugde over momenten van zoete overgave – ‘Du bist mein, und ich bin dein’. In de theologie heeft deze manier van spreken over de verhouding van God en mens de naam bruidsmystiek gekregen. Als je naar deze muziek luistert, voel je: zo innig, zo emotioneel spreekt lang niet iedereen vandaag over zijn relatie met God. Vaker wordt er afstand gevoeld. Dan gelooft men wel in ‘iets’ maar niet in iemand. Het ‘iets-isme’ is immers een nieuw begrip. Dit brengt je als voorganger bij de vraag, die onder je gehoor zou kunnen leven. Hoe onderhoud je een band met iets of iemand die zo ver van je af kan staan, die zo onzichtbaar blijft als de Eeuwige?
In het verhaal van de bruiloft te Kana is het de thora, die de verbinding legt tussen God en mensen. Je zou kunnen zeggen dat de Eeuwige in dit boek zijn hart open legt voor de mensen. Het is om met het Hooglied te spreken zijn manier om zijn volk te kussen. En Israël heeft uit ervaring geleerd, dat wie dit boek in zijn leven omarmt, de verborgen nabijheid van de Eeuwige bespeurt. Daarom is het ook zo dodelijk voor het geloof, als de woorden van de thora onder het stof komen te liggen. Als ze voor je gevoel in de verleden tijd blijven staan. Johannes vertelt dat het optreden van Jezus als effect had, dat de tegenwoordige tijd van de woorden van de thora voelbaar werd. De Geest van Gods nabijheid werd voelbaar. Men wist zich opnieuw verbonden met de Eeuwige. En die verbondenheid – die is het begin van het Koninkrijk.