Preekschets Johannes 4:28,29
Johannes 4:28, 29
Vijfde zondag van Epifanie
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de mensen: Komt mede en ziet een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?
Schriftlezing: Johannes 4:1-30 en 39-42
Het eigene van de zondag
De zondagen na Epifanie ademen het gevoel ‘nu komt de groene zomer’, het Koninkrijk begint. We lezen van Jezus’ eerste woorden en tekenen en van de eerste mensen die Hem volgen.
Liturgische aanwijzingen
Vanwege de lengte van het verhaal uit Johannes 4 is het aan te raden om niet ook een oudtestamentische tekst te lezen. In plaats daarvan kan Psalm 42:1 en 3 gezongen worden tussen Johannes 4:1-15 en 4:16-30; 39-42. Voor het loflied kan gedacht worden aan Gezang 16, voor de overige liederen aan Gezang 161, 170, 171 en 283 (alles uit LvdK).
Geraadpleegde literatuur
Jan Nieuwenhuis, Het laatste evangelie I, Kampen 1995, 85103; Nico ter Linden, Het verhaal gaat VI, Amsterdam 2003, 210-214; F.O. van Gennep, Naam geven wat ik zoek, Baarn 1991, 110-115.
Uitleg
Het weergeven van een gesprek is een bijzondere kunst. De evangelist Johannes beheerst die kunst – als lezer kun je dit al gemerkt hebben in hoofdstuk 3, waar de ontmoeting van Jezus met Nikodemus beschreven wordt. Ook Johannes 4 wordt voor het grootste deel in beslag genomen door een gesprek; ditmaal tussen Jezus en een anonieme Samaritaanse vrouw.
Jezus is zojuist in Jeruzalem geweest, voor het Paasfeest. Op de terugweg naar Galilea komt Hij door Samaria. Geografisch gezien is dat logisch, want Samaria ligt tussen Judea en Galilea in, maar in zijn plaats zouden de meeste andere joden een omweg genomen hebben. Samaritanen waren voor hen halve heidenen, omdat zij de thora erkenden als heilige Schrift, maar de profeten en de geschriften niet. Voor Jezus is dit geen reden om hen te vermijden. Op reis door hun gebied komt Hij bij de bron van Jakob. Dit is het eerste stukje van het beloofde land, dat waarachtig van Israël was. Jakob kocht het na de verzoening met zijn broer Ezau (Gen. 33: 18v.) Jozef werd er begraven (Gen. 24:32). Op deze symbolische plek rust Jezus even uit en ontstaat het gesprek met de Samaritaanse vrouw. Jezus neemt daarin tot zeven keer toe het woord. De vrouw antwoordt Hem zes keer. Haar zevende antwoord krijgt gestalte in wat ze doet. Het getal zeven onderstreept dat het hier om herschepping gaat!
Het is het zesde uur als de vrouw aan komt lopen met een lege waterkruik. Dit is het heetste moment van de dag. Niemand zal zich dan op straat begeven, behalve zij die geen zin hebben in ontmoetingen en zich verschuilen willen. De vrouw gaat water putten. Dit kan betekenen dat ze in letterlijke zin dorst heeft. Maar het kan er ook op wijzen dat ze ergens anders behoefte aan heeft; dat ze dorst naar God en naar nieuwe grond onder haar kennelijk wankele voeten. Bij de bron van Jakob kan ze voor beide soorten van dorst terecht; dit is immers zowel een waterput als een bron van verhalen over oorsprong, doel en zin van je leven.
Jezus spreekt haar aan. Hiermee doorbreekt Hij twee taboes. Joden hielden afstand van Samaritanen en mannen richtten zich niet zomaar tot vrouwen in het openbaar. Hij zegt: ‘Geef Mij te drinken’. Met deze woorden begint het gesprek, maar eigenlijk is alles er al mee gezegd. Want in dit ene zinnetje vat Jezus samen, wat de bron van Jakob een dorstig mens te bieden heeft, wat de Geest is van de verhalen van Israël. Deze Geest zit verpakt in de omkering die Jezus hier maakt. De vrouw komt om iets te halen en Hij vraagt haar Hem iets te geven. Op een dieper niveau wil daarmee gezegd zijn: als je iets uit je leven wilt halen moet je beginnen met brengen, geven. Wil je leven doel en zin krijgen, dan moet je delen. Wat in je vermogen ligt: doen. Zeven keer komt in dit gesprek een vervoeging van het werkwoord didoomi (geven) voor, en zeven keer komt het woord hudoor (water) voor. Alsof deze twee woorden elkaar uitleggen. Het water van de thora bestaat in een opdracht: geven.
Net als Nikodemus gaat de Samaritaanse vrouw aanvankelijk alleen op de letterlijke betekenis van Jezus’ woorden in. Het is alsof ze al genoeg teleurstellingen gehad heeft en zich daarom niet laat meeslepen door mooie woorden. Je hoort dit in haar derde antwoord: ‘Heer, geef mij dit water opdat ik geen dorst heb en niet hierheen hoef om te putten’. Dan zegt Jezus: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’. Dit klinkt als een vreemde sprong in het gesprek, maar in die tijd was je echtgenoot je eerste naaste, de eerst aangewezen persoon aan wie je kon ontdekken wie je was, wat je te geven had. ‘Ik heb geen man’, antwoordt de vrouw en dan zegt Jezus: dat klopt, ‘gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt is uw man niet’. Deze woorden van Jezus worden heel verschillend uitgelegd. Nu eens krijgen ze een moralistische lading: de vrouw heeft er op los geleefd: dan een feministische: ze is een zelfstandige vrouw. En soms krijgen Jezus’woorden een symbolische uitleg. Ze heeft het bij andere goden gezocht. Maar of zij nu vijf mannen versleten heeft, vijf godsdiensten of vijf beroepen; zij weet hoe dan ook niet wie ze is, wat zij te geven heeft. Met zijn vraag: ‘Ga, roep uw man’ laat Jezus de vrouw merken dat Hij gezien heeft, dat zij een zoeker is. En nu zij zich gezien weet, krijgt de vrouw zelf ook oog voor wie Jezus is. Is dat niet het kenmerk van een echte ontmoeting? Dat je elkaar gaat zien, zoals je bent? Eerst denkt zij aan een profeet. Dan moet ze onwillekeurig ook aan de Messias denken. Het is de zevende keer dat Jezus spreekt, als Hij antwoordt: ‘Ik die met u spreek, ben het’. In deze uitspraak zit de Godsnaam verborgen! Het is iets van God als mensen elkaar zien en als zij zichzelf vinden, herschapen worden.
De Samaritaanse vrouw hield zich zowel voor zichzelf als voor anderen verscholen toen zij naar de bron toeliep. In het gesprek met Jezus vindt zij zichzelf. Zij leert zichzelf kennen als zoeker naar een dimensie meer. Het is haar zevende antwoord, dat zij deze gave gaat inzetten voor anderen. Zij loopt weg bij de put – de lege waterkruik laat zij staan – om de mensen in haar omgeving aan te sporen ook iets te doen met hun dorst naar God en op zoek te gaan. ‘Komt mede en ziet een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik heb gedaan; zou deze niet de Christus zijn?’ Zij is Jezus’ eerste apostel, in het Johannesevangelie .
Aanwijzingen voor de prediking
Door het gesprek met Jezus komt het in het leven van de Samaritaanse tot een omkeer. Van een vrouw die zichzelf verscholen houdt, voor anderen zoals voor zichzelf, wordt zij iemand die zichzelf gevonden heeft en de gave die haar eigen is, inzet voor anderen. Wanneer je als voorganger je gemeente mee wilt nemen in deze ommekeer, is het van belang dat de kerkgangers zich kunnen herkennen in de beginsituatie van de vrouw. Je kunt daarvoor zorgen door een aantal vragen te stellen bij haar gang naar de bron, midden op de dag. Kennelijk heeft ze geen zin in ontmoetingen. Waarom zou dat zijn? Overkomt dit jou ook wel eens, dat je mensen schuwt? Wie kent die momenten eigenlijk niet waarop je onzeker bent en zwak in je schoenen staat? Momenten waarop je wel in elkaar zou willen duiken van gevoel van tekort? Momenten waarop je de wereld en de blikken van andere mensen niet aan kunt? De herkenning kan ook tot stand komen door het gebruik van beeldende kunst. Daarbij kan gedacht worden aan de beelden van de Belgische kunstenares Berlinde de Bruyckere. Zij maakt beelden van verscholen vrouwen. Zij zijn óf in dekens gewikkeld en daardoor onzichtbaar, óf hun haren hangen zó voor hun gezicht dat het niet te zien is. Haar beelden roepen zoveel emotie op dat de herkenning vanzelf gaat. Je kunt ze vinden via www.galleriacontinua.com (zie o.a. het beeld met de naam ‘Hanne’). Misschien zijn ze op de liturgie af te drukken.
De vrouw komt tot omkeer doordat zij gezien wordt door Jezus. Dit maakt dat zij gehoor kan geven aan zijn oproep om zichzelf niet langer verborgen te houden, maar de mensen om haar heen te geven wat zij in zich heeft. Geven is dus een kernwoord in deze tekst. Dit woord is alleen allerminst eenduidig. Er zijn verschillende soorten van geven. Er is een slachtofferachtig soort van geven, zo van ‘ik zal het wel weer doen’. Er is een berekenend soort van geven, zo van ‘ik doe dit nu wel, maar alleen omdat ik dan straks iets terug kan vragen’. Een wanhopig soort van geven, zo van ‘wat ik ook doe het is nooit goed genoeg’. En een venijnig soort van geven, zo van ‘kijk mij eens beter zijn dan jij’. De manier van geven waar de thora je toe uitnodigt is anders. Die heeft iets van ‘het doet mij plezier dat ik iets voor jou kan doen’. Er zitten geen haken en ogen aan. Het is een vrije soort van geven. Geven, dat tegelijk ontvangen is; doel en zin ontvangen. Geven, dat kan blijven stromen, iets heeft van een bron.