Menu

Premium

Preekschets Matteüs 15:28

Matteüs 15:28

Jubilate

U hebt een groot geloof!

Schriftlezing: Matteüs 15:10-28

Het eigene van de zondag

Eerst lijkt het erop dat er geen reden is om Jezus te bejubelen op deze zondag Jubilate. Jezus komt bij ons aanvankelijk bot en discriminerend over in dit bijbelgedeelte. Tenslotte bejubelt Hij het grote geloof van deze heidense vrouw. Waarom vindt Hij dit geloof zo groot? Omdat zij Jezus in zijn eigen woorden durft te vangen. Zij is een voorbode van Pinksteren.

Uitleg

Een synoptische vergelijking levert het volgende op. Lucas heeft dit verhaal niet. Marcus geeft het beknopter weer. ‘Markus zeigt den Heidenchristen, dass die Vorrangstellung des jüdisches Volkes anzuerkennen ist… Matthäus macht den strengen Judenchristen klar, dass der Glaube den Heiden den Weg zu Jesus öffnet’ (H.J. Held, geciteerd door Grundmann, 377). Matteüs kleurt de hoofdpersoon als een driedubbele buitenstaander en heiden: ze komt uit het buitenland (of het gesprek werkelijk plaatsvindt buiten de grens, is niet met zekerheid uit vers 21 op te maken en is ook niet van doorslaggevend belang); ze is een Kanaänitische (in het OT heeft het woord een sterk negatieve klank; slechts eenmaal staat het in het NT en wel hier) en ze is vrouw. Shockerender kan het voor joden niet zijn dat zij nu juist zo’n groot geloof heeft. De nadruk op geloof is (evenals het werkwoord ‘volgen’) karakteristiek voor Matteüs (zie bijv. 8:10, 13; 9:2, 29). Omdat de discussie over rein en onrein meeklinkt, laat ik de lezing beginnen bij vers 10.

Er zit veel beweging in dit gedeelte: veelvuldig worden werkwoorden gebruikt als ‘komen’. Maar zal het afstand nemen het winnen of de nabijheid? Zal het afstoting worden of aantrekking?

Opvallend is ook dat zij Jezus drie keer aanspreekt met ‘Kurios’. De eerste keer staat er zelfs de van de joden overgenomen en dus door haar erkende titel ‘Zoon van David’ bij. Het tweemaal herhaalde krazein (= schreeuwen) benadrukt dat haar dochter er erg aan toe is (terribly possessed, tormented by a devil, Handbook, 509). Tevens dat ze haar hoop nu helemaal gesteld heeft op Jezus. Maar helaas wordt dit door de discipelen meer als gênant ervaren dan als messiaanse muziek.

Schrijnend is het zwijgen en de dubbele afwijzing van Jezus. Het karakteristieke vers 24 rijmt op 10:6 en benadrukt dat Jezus’ missie helemaal toegespitst is op zijn eigen volk, ‘als einen durch die Weissagung einmalig qualifizierte Zeit’ (Goppelt, 547). Hoewel beide vertalingen mogelijk zijn: ‘de verloren schapen, namelijk het huis van Israël’ en ‘de verloren schapen van (dus als een gedeelte van) Israël’, hier gaat het vooral om de tegenstelling tussen Israël en de heidenvolken.

Pas na zijn sterven en opstanding waaiert het heil door middel van de evangelieverkondiging uit over alle volken. De wijzen uit het Oosten (2:1-12), de heidense hoofdman (8:5-13) en de heidense vrouw zijn de vreemde vogels die de grote zomer met de grote oogst aankondigen. Ze vallen op door hun groot geloof, dat zich uit in een ootmoedige overgave. ‘En dan buigt ze zich vervolgens zo diep onder het Woord van Christus, dat ze onder het hek doorkruipt dat God om Israël heen gezet heeft’ (De Jong, 76). Zo blijkt: ‘Was dem Heiden den Anteil an Gottes Gabe vermittelt, ist sein bitternder Glaube’ (Grundmann, 377).

Juist door de concentratie van Jezus’ missie op Israël, komt de tegenstelling tussen de over reinheid debatterende joodse leidsmannen (schijnheiligen en blinden genoemd in de verzen 7 en 14) en het grote geloof van de onreine vrouw des te scherper naar voren. Laat Jezus zich door die leidslieden eigenlijk nooit uit het veld slaan (22:46), in déze woordenstrijd verliest Hij het. Noordmans (267v) merkt op, dat ‘ze Hem vangt in zijn eigen woorden’. Zij overtuigde Hem van de zin en de betekenis van zijn eigen evangelie. Bij Iwand (98) ontdekte ik dat Luther (die erg veel ophad met ‘dis arme wib’) dit ook al zo meesterlijk onder woorden bracht. Ze is te vergelijken met Jakob (Gen. 32:26). Het is de aanhouder die wint.

Het lijkt erop dat Jezus hier moeilijker doet dan Elia, die als profeet in hetzelfde gebied opereerde (1 Kon. 17:8-16), maar ook moeilijker dan Hij zichzelf opstelde in Matteüs 8:7. Tussen de dubbele wonderbare spijzigingen (14:13-21 en 15:32-39) bedelt deze vrouw om kruimels. Volgens Barnard (117, 133v) scharniert het Mateüsevangelie om het grote geloof van deze vrouw. Ze maakt het Jezus – en zo God – moeilijk. ‘U geschiede gelijk gij wilt’, lijkt hier tegenover ‘Uw wil geschiede’ te staan.

Voor het aanhoudend pleiten voor haar doodzieke kind – ondanks de afwijzing door Jezus – wordt het werkwoord proskuneo (= aanbidden) gebruikt. Vergelijk Matteüs 2:2, ‘The root meaning is approach in a dog-like fashion’ voor een koning of heilige persoon (Handbook, 511).

Opnieuw lijkt ze geen voet aan de grond te krijgen bij Jezus, die haar terugwijst met: het is niet goed (fair; right; proper) om ‘hondjes’ te geven wat kinderen toekomt. Het Nieuwe Testament gebruikt nergens de denigrerende benaming honden voor heidenen, daarom heeft de vertaling ‘hondjes’ de voorkeur. Vervolgens beroept de moeder zich dan op het gebruik dat bazen na de maaltijd het brood (hoofdvoedsel) op de grond gooien voor de honden (vgl. Luc. 16:21). Zo neemt de vrouw de beeldspraak van Jezus over en geeft er een draai aan om daarmee haar ‘please’ (vs. 27)te onderstrepen.

Abrupt eindigt het verhaal met: ‘at that very moment’ was haar dochter genezen. Ze krijgt van Jezus waarvoor ze komt. Ze heeft echter dankzij de aanvechting veel meer gekregen, namelijk een groot geloof!

Aanwijzingen voor de prediking

Van belang is het benoemen van onze verbazing over de afwijzende houding van Jezus tegenover deze vrouw. Zijn antwoorden op haar hartstochtelijk vragen om hulp komen cru, strak en formalistisch over. Het roept bij mij het beeld op van een dokter die discrimineert en van een driemaal herhaalde koude douche. Dit klopt niet met zijn uitstraling van hulpvaardigheid en genade. Benut dit shockerende om duidelijk te maken hoezeer het nodig is dat Jezus eerst zijn missie voltooit: Gethsemane, Golgotha en Pasen leggen pas de basis voor de evangelieverkondiging onder Israël en de volken. En dan blijft het nog: éérst de jood en dan de Griek. Tegelijk is dit verhaal een prachtige voorbode van Pinksteren. Deze heidin is een van de eerstelingen van de grote oogst. Een zwaluw die de grote zomer nabij brengt.

Sterker dan onze verholen of uitgesproken kritiek op Jezus’ houding, moet echter de exclamatie van Jezus: ‘U hebt een groot geloof!’ in het middelpunt van de preek staan. Een positieve jaloezie mag gewekt worden voor dit grote geloof door verschillende antwoorden te geven op de vraag: waarom noemt Jezus haar geloof groot? Een concrete invalshoek is: wanneer is je geloof groot genoeg om belijdenis te gaan doen, om aan het Avondmaal deel te nemen en om echt mee te gaan werken in de gemeente?

Hoe uit zich een groot geloof? Het in beweging komen naar Jezus toe in het vertrouwen dat je bij Hem met je grote nood aan het goede adres bent; het je niet laten afschrikken door koude douches veroorzaakt door Jezus zelf en door kerkmensen; het volhouden en dat ten behoeve van de gezondheid van je dochter; de grondhouding van worship; je eigen onwaardigheid of tweederangspositie onder ogen durven zien en dat in de verrassende combinatie met slagvaardigheid: het vindingrijk vangen van Jezus met zijn eigen woorden! Kortom: een groot geloof is een deemoedig kruimelgeloof. ‘Laat ook van die milde regen drupp’len vallen ook op mij; óók op mij

Het helpt mij om bij een groot geloof ook aan bepaalde concrete gelovigen nu (probeert u er een paar te noemen in de preek?) te denken. Aan identificatiefiguren is immers groot gebrek. In ieder geval kan in de preek veel meer en concreter doorgegeven worden wat pistis (geloof) is, dan de betekenis van ‘trust in His miraculous power’ (ThWNT, 206).

Liturgische aanwijzingen

Wie graag ook een lezing uit het Oude Testament kiest, kan denken aan Genesis 32:24-32 of 1 Koningen 17:8-16.

Liederen: Psalm 5:1, 6, 7; 25:8 (o.b.); 84:2 (o.b.); 102:8; 141:1; 72:10, 11 (o.b.); 123; 130:3,4. Gezang 409:1, 4, 5. Evangelische Liedbundel 147:1, 3.

Deze tekst is ook geschikt voor een dienst waarin openbare belijdenis van het geloof wordt afgelegd, soms voorafgaand aan de bediening van de doop.

Geraadpleegde literatuur

W.Grundmann, Das Evangelium nach Matthaus (ThHzNT), Berlijn 1975; L. Goppelt, Theologie des Neuen Testaments, Gottingen 1976; H. de Jong, Hete Hangijzers, Kampen 1999;

O.Noordmans, Verzamelde Werken VIII, Kampen 1980; H.J. Iwand in: Herr tue meine Lippen auf I, Wuppertal/Barmen, 1967; W. Barnard, Stille Omgang, Brasschaat/Tielt 1995; A Translator’s Handbook on the Gospel of Matthew, United Bible Societies (UBS), 1988; D.J. Bosch, Die Heidenmission in der Zukunftsschau Jesu, Zürich 1959; ThWNT VI.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken