Preekschets Matteüs 4:10
Matteüs 4:10
Tweede zondag na Epifanie
Daarop zei Jezus tegen hem:‘Ga weg, satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.’”
Schriftlezing: Matteüs 4:1-11
Het eigene van de zondag
Volgens het Dienstboek staat op deze tweede zondag van Epifanie altijd de bruiloft te Kana (Joh. 2:1-11) centraal in de verkondiging. In de lectio continuo uit het Matteüsevangelie gaat het over de verzoeking in de woestijn, een derde reactie op de verschijning van Jezus in de aardse werkelijkheid. Hier is het de duivel, satan, die de gelegenheid krijgt om tegen Jezus te ageren. Ondanks onze bekendheid met deze geschiedenis kunnen de gebruikte ‘mythologische’ beelden (Geest, duivel en engelen) vervreemdend werken. Wat in film en fictie acceptabel is, levert vraagtekens op bij de verwerking in kerk en verkondiging.
Uitleg
In het leven van Jezus is voor toeval geen plaats, lijkt het wel. De regie ligt stevig in de handen van God en de Geest. De Geest die bij de doop op Hem gekomen was, leidt Hem meteen na de doop de woestijn in. Het doel van zijn verblijf daar is ‘op de proef gesteld worden’ door de duivel. Anders dan Johannes de Doper wordt Jezus er niet met rust gelaten; kennelijk is deze episode een kritisch moment voor heel Jezus’ leven. Wanneer Hij hier buigt of breekt, zal zijn verschijning zinloos zijn en de komst van het Koninkrijk onmogelijk. De beslissing die hier valt, zal zijn hele leven bepalen. Daarmee is echter nog niet het laatste woord gezegd: ‘Es wird bis nach Gethsemane und Golgatha hin ein immer wieder neu erkämpftes Nein gegenüber dem Versucher sein’ (Iwand, 434).
Drie woorden voor duivel gebruikt Matteüs in deze perikoop: duivel (diabolos), satan (satanas) en ‘hij die op de proef stelt’ (peirazoon). Deze tegenstander van God en aanklager van mensen speelt zijn rol enthousiast en vol overtuiging.
Veertig dagen en veertig nachten vast Jezus; daarin hoor ik de symboliek van het bijbelse getal veertig én een herinnering aan het Oude Testament, aan Mozes en Elia, wet en profeten. Uitgerekend zij zijn straks in Matteüs 17:3 bij Jezus op de berg. Het vasten is nooit doel op zich, maar intensiveert de omgang met God en de concentratie op het gebed dat daarmee ook de notie van boetedoening in zich meedraagt. Nielsen stelt de vraag of daarmee ‘ook aan het vasten van Jezus plaatsvervangend verzoenende betekenis kan worden toegekend’ (vgl. ook Baarlink, 61).
Als Jezus er na die veertig dagen vasten ‘niet meer tegen kan’, begint het op de proef stellen. In zijn zwakheid zal Hij ontvankelijker zijn. Bij de eerste en tweede verzoeking sluit de duivel zich dan aan bij de hemelse stem uit vers 17; vragend trekt hij die woorden in twijfel. Voor Jezus zal de eerste prioriteit het stillen van zijn honger zijn. Waarom dan als een mens afhankelijk blijven? Spreek als Schepper, als God. In zijn antwoord citeert Jezus Deuteronomium 8:3 LXX. Boven alles en voor alles komt het Woord van God. ‘Wie God naar de mond ziet, zal hoe dan ook verzadigd worden’ (Van Bruggen, 70).
In de tweede verzoeking test de duivel hoe ver dat’gelovig vertrouwen dan precies gaat. En waarom Luther de duivel ‘de aap van God’ noemt, wordt duidelijk als hij op zijn beurt ook de Schriften van het Oude Testament gaat citeren. Nadat hij Jezus heeft meegenomen naar de heilige stad (Jeruzalem), naar het hoogste punt van de tempel, daagt hij Hem uit naar beneden te springen. Want als hij met Psalm 91 op God vertrouwt en de HEER zijn toevlucht noemt, mag Hij rekenen op engelen die over Hem waken en Hem op handen dragen. Jezus antwoordt met instemming en terechtwijzing. De Schriften zijn geen loca probantia, losse teksten om naar behoefte te gebruiken. Bijbel lezen is ook Schrift met Schrift vergelijken; Luther gebruikte het al als hermeneutisch principe: scriptura sui ipsius interpres. De Zoon van God zal niet tegen zijn hemelse Vader ingaan en zijn Woord wantrouwend uitproberen.
Voor de derde verzoeking kiest de duivel niet langer de invalshoek van de verleidelijke mogelijkheden die Hij als Zoon van God tot zijn beschikking had. Kennelijk is Jezus niet meer af te brengen van de weg die Hij gaan zal door vernedering en lijden. Maar de duivel weet wel een kortere route: een knieval voor hem als tegen- God levert Jezus het koningschap op, alle macht in de hemel en op de aarde (vgl. Mat. 28:18). Maar alle koninkrijken van de wereld wegen niet op tegen het Koninkrijk dat Hij op deze wereld komt brengen. Jezus’ antwoord begint dan ook met de totale afwijzing: Ga weg, satan! Dat is het tegengestelde van wat de duivel wilde horen. Voor de derde maal citeert Jezus uit Deuteronomium; het is volstrekt duidelijk wat het eerste gebod wil: alleen de Heer mag aanbeden en vereerd worden.
De duivel laat Jezus dan met rust; engelen komen meteen om voor Hem te zorgen (daarin blijkt tóch de betrouwbaarheid van Ps. 91). Hij wordt gesterkt. Dat is nodig omdat zijn weg doorloopt en de strijd nog niet ten einde is.
Aanwijzingen voor de prediking
-
‘De duivel bestaat, hij heet Al Pacino en speelt in The Devil’s Advocate’, zo begint Frits de Lange zijn artikel in Trouw waarin hij deze film analyseert en recenseert. Daarmee wordt al iets ervan zichtbaar dat het gemakkelijker is om op het witte doek de duivel te zien dan daarover in de bijbel te lezen. Als moderne gelovigen spreken wij over mythologische voorstellingen in de Schrift. De duivel wordt uitgelegd als iets psychologisch, symbolisch of ethisch, als een macht in ons en in onze keuzes en daden. Toch denk ik dat we daarmee de duivel en zijn bestaan tekort (of juist te veel eer) doen. Misschien kan een film als The Devil’s Advocate helpen om het realistische van de duivel in beeld te brengen voor mensen aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Wie de derde verzoeking naast de film legt, herkent de beelden: een jonge, briljante advocaat ziet op het dak van een wolkenkrabber hoe heel New York aan zijn voeten ligt; macht en roem verleiden hem, roem en succes maken hem blind voor de naaste, voor de schepping en voor God. De Lange prijst de film als een tijdrede in beeldtaal die de geestelijke stand van zaken in onze cultuur peilt. Misschien is deze film daarom een goed startpunt voor de verkondiging, om op een realistische manier te spreken over de gedaante waarin de duivel zich vandaag kan manifesteren in onze werkelijkheid. Veel troost ontvangt de bezoeker van de bioscoop niet in deze film: God is afwezig en blijft afwezig, zo lijkt het.
-
Daarmee is de boodschap van de film een andere dan die perikoop ons voorhoudt. Waar Matteüs inzet met de Geest die de leiding heeft en eindigt met de zorg van de engelen, laat hij zien dat God de touwtjes van het wereldgebeuren in handen heeft. De duivel kan zijn uiterste best doen om op de proef stellen of te verleiden, maar zijn heerschappij is beperkt (Op. 12:12). Eens zal voorgoed tot hem gezegd worden: Ga weg, satan!
-
Nielsen karakteriseert de duivel als de stem die vragend ingaat tegen de oorspronkelijke stem. Door te vragen en te verdraaien, wordt de waarheid eenzijdig belicht en tekortgedaan; daarmee wordt zij tot leugen. De mens blijkt daar uitermate gevoelig voor te zijn (vgl. de vraag van Gen. 3:1 en de leugen in Gen. 3:4-5). Geldt dat dan ook voor mensen in onze tijd? Met welke vraag brengt de duivel ons aan ‘het twijfelen? En wat is de leugen dan? Misschien wel dat wij steeds meer de scherpe kantjes kwijtraken van de boodschap van het kruis: een gekruisigde Christus (1 Kor. 1:18, 23). De in onze tijd steeds minder populaire lijdens- en heilsweg van Jezus Christus stond in deze perikoop op het spel. ‘Daarom was deze afweer van de duivelse verzoeking ook een kernuitspraak over zijn bereidheid om de weg van de Vader te gaan’ (Velema, 68).
-
Als het op de proef stellen door de duivel ten einde is, lijkt deze geschiedenis afgelopen: ‘de duivel liet hem met rust’ (vs. 11). Is Jezus in zijn verdere leven immuun voor deze verleider of blijft Hij lijden onder zijn duistere werk? Bij Lucas klinkt aan het einde van de verzoeking in de woestijn onheilspellend, dat de duivel ‘voor een tijd’ bij Hem vandaan ging (Luc. 4:13). In ieder geval worden mensen uit de kring rondom Jezus in de strijd betrokken. Wanneer.Petrus even na zijn indrukwekkende belijdenis: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’ (Mat. 16:16) Jezus terechtwijst (wegens het moeten lijden en gedood worden), noemt Jezus hem satan, omdat hij niet denkt aan wat God wil, alleen aan wat de mensen willen (Mat. 16:23; vgl. Mare. 8:33). De duivel werkt zelfs binnen de kring van de discipelen (vgl. Luc. 22:31). Matteüs verbindt overigens het verraad van Judas niet met de influistering door de duivel, zoals bijvoorbeeld Lucas en Johannes dat wel doen (vgl. Luc. 22:3; Joh. 6:70, 13:2, 27). Hoe dichter mensen bij Jezus staan, des te meer probeert satan hun geloof te laten bezwijken (vgl. 1 Petr. 5:8-11).
Liturgische aanwijzingen
Een aantal citaten uit het Oude Testament zouden kunnen dienen als oudtestamentische lezingen; misschien is dat echter wel theologisch interessant, maar voor hedendaagse hoorders minder relevant. Genesis 3:1-7 zou als ‘elementaire bijbellezing’ heel geschikt zijn. Als lezing uit de brieven stel ik Efeziërs 6:10-20 voor.
Mogelijke liederen: LvdK: Psalm 91; 119:59-61; Gezang 48:7; 96; 172; 423; 435:4; Evangelische Liedbundel 58.
Geraadpleegde literatuur
Zie bij zondag 8 januari; daarnaast: H.J. Iwand, Predigt-Meditationen I, Göttingen 19844, 432439; F. de Lange, Zoekende wie hij zal verslinden 1 Petrus 5:8, Trouw 31 januari 1998; Postille 49 (1997-1998), Zoetermeer 1997, 45-47; W.H. Velema, Het Woord werkt door. Studies & schetsen ten dienste van de prediking, Kampen 1973, 66-69.