Menu

Premium

Preekschets Ruth 4:17 – Vierde Advent

Vierde Adventszondag
Ruth 4:17

Aan Noömi is een zoon geboren; en zij noemden hem Obed. Deze is de vader van Isaï, de vader van David.

Schriftlezingen: Ruth 4 ; Matteüs 1:1-17

Het eigene van de zondag

In deze serie schetsen (zie ook: Preekschets Ruth 1:19 – Eerste Advent, Preekschets Ruth 2:20 – Tweede Advent en Preekschets Ruth 3:9 – Derde Advent) wordt het boek Ruth in de adventsperiode aan de orde gesteld. Dat wekt misschien verbazing. Aansluiting bij de joodse (na-talmoedische) traditie, waarin Ruth als een van de feestrollen voor het weken- of pinksterfeest op het rooster staat, zou meer voor de hand liggen. Toch biedt het boek in de tijd van voorbereiding op het kerstfeest tal van aanknopingspunten voor de verkondiging. Bij de uitleg prevaleert dan ook de heilshistorische invalshoek.

Uitleg

De gebeurtenissen in hoofdstuk 3 speelden zich af in de intimiteit van de dorsvloer, de ontwikkelingen in hoofdstuk 4 vinden in de openbaarheid van de stadspoort plaats (4:1). Dat is het centrum van rechtspraak en bestuur (vgl. Deut. 25:7; 1 Kon. 21:8). Met betrekking tot de juridische kant van wat Boaz bij de stadspoort wil regelen, moeten twee opmerkingen van historische aard gemaakt worden. In de eerste plaats: op de achtergrond speelt de kwestie van het erfrecht via vrouwen, waarover verschillende, tegenstrijdige gegevens bekend zijn (vgl. Num. 27:7-11; 2 Kon. 8:1-6), mee. In de tweede plaats: uit wat in 4:7 over het gebruik om een zaak te bekrachtigen vermeld wordt (vgl. Deut.25:9; Ps.60:10), blijkt, dat het boek Ruth later dan in de tijd van de Richteren geschreven moet zijn.

Boaz speelt de doortastende rol die Noömi hem toegeschreven heeft (3:18, vgl. 2:1). Hij wil Ruth, niet de hoer uit Moab (vgl. Num. 25) maar de gezegende in Israël (3:10), tot vrouw nemen en onderneemt daartoe meteen actie. Daarbij houdt hij zich aan de regels, wanneer hij de losser die de eerste rechten dan wel plichten heeft, de gelegenheid tot lossing biedt (4:3,4). Wel manoeuvreert Boaz handig, door eerst de aankoop van het stuk land dat hun broeder (hier in de omvattende betekenis van ‘verwant’, vgl. Gen. 20:5) Elimelek toebehoorde, aan de orde te stellen. Daarna rept hij van wat bij de aankoop inbegrepen is: de verwerving van Ruth, niet voor niets met nadruk ‘de Moabitische’ genoemd (4:5). De eerste losser is anoniem (‘Dinges’): hij mag geen naam hebben, omdat hij niet bereid is ‘…om de naam van de gestorvene op zijn erfdeel in stand te houden’ (vgl. 4:10,11; 14, waar de vrouwen de wens uitspreken, dat de naam van het kind van Ruth vermaard wordt ‘in Israël’). Literair gezien is de naamloze losser een contrastfiguur ten opzichte van de hoofdpersoon (vgl. Orpa in 1:6-14).

De getuigen stemmen met Boaz’ plannen in (4:11). Dat betekent, dat iemand van het volk dat tot het tiende geslacht niet tot de gemeente Gods mocht toetreden (Deut.23:3,4), bij Gods volk mag behoren. De zegenwensen van al het volk dat in de poort was en de oudsten behelzen vermoedelijk een standaardformule, ontleend aan het eigen leefmilieu. ‘Nieuw’ is, dat de wensen, waarin Rachel en Lea als aartsmoeders van de twaalf stammen van Israël voorkomen, op een niet-Judese, die van huis uit niets met Efrata en Betlehem te maken heeft, betrokken worden. Ruth moge stammoeder van geheel Israël worden. Als overeenkomst tussen Rachel, die hoewel zij de jongste was (Gen. 29:31) als eerste genoemd wordt, en Ruth is het gegeven dat zij de kinderzegen pas laat ontvingen (vgl. 1:4,5; Gen. 30:1,22,23). Dat Tamar genoemd wordt, geeft aan, dat plichtsvervulling inzake het leviraatshuwelijk hoog genoteerd stond (vgl. Gen. 19:32), hoe vanuit moreel oogpunt ook over de handelwijze van Tamar (en Juda) geoordeeld werd en wordt. In ieder geval wordt de ‘chronique scandaleuze’ van Genesis 38 niet verzwegen…

Zoals reeds in de vorige schetsen gemeld, is in het boek Ruth meer dan eens terloops sprake van goddelijke leiding. In 4:13 wordt van direct ingrijpen van Godswege verteld (vgl. 1:6): God schonk Ruth zwangerschap. Daarmee wordt de in 2:12 uitgesproken wens vlees en bloed. In de zegening van de vrouwen in 4:14 wordt gezegd, dat Noömi een losser ontvangen heeft; zoals de burinnen in 4:17 zeggen, dat aan haar een zoon geboren is, terwijl het in strikte zin om het kind van Ruth gaat. Mogelijk is in 4:16, waar Noömi het kind op haar schoot neemt, sprake van een ‘Kniesetzungsritus’ (Gerleman 19651, 19812, 38), een soort adoptieplechtigheid (vgl. Gen. 30:3-13; 48). Daarmee zou de pasgeborene een volbloed Judese moeder verkrijgen, via de ‘naturalisatie’ van Ruth. Hoe dat ook zij: door de geboorte van een kind wordt de toekomst niet alleen voor Boaz en Ruth maar ook voor Noömi ontsloten (vgl. Ps. 30:10; 88:11-14). In 4:14-16 wordt verwoord, dat de omstandigheden totaal anders zijn dat wat in 1:5,20,21 verteld wordt. Gebruikte Noömi het Hebreeuwse werkwoord nh in 1:21 in de (tweede) betekenis van ‘getuigen tegen’ (‘…daar de Here tegen mij heeft getuigd…’), de buurvrouwen suggereren, dat God op haar bittere klacht geantwoord (de eerste betekenis van nh) heeft.

In 4:17 wordt vermeld, dat de burinnen het kind een naam geven, terwijl zij de jongen later ‘Obed’ noemen. Mogelijk heeft hij eerst een Moabitische naam gekregen, terwijl die later gewijzigd is in een Hebreeuwse. De naam ‘Obed’ is veelzeggend: hij is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord bd, ‘dienen’. Abma stelt: ‘Hij dient om de ziel, het leven in het verbitterde bestaan van zijn oma te doen terugkeren. Als mensen van hun eigen belang afzien en dienen, wordt de zegen over hun leven uitgeroepen (2:20; 3:10; 4:14). Waar zó geleefd wordt is de Messias niet ver, Zijn wereld ligt in het handbereik van één die dient’ (Abma 19811,19892, p.64). Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament speelt de dienstknecht een belangrijke rol (Jes. 42:1-7 ; 49:1-7; 50:4-11; 52:13-53:12; Mar. 10:45; Filp. 2:7 – zie ook de vorige schets).

Het geslachtsregister in 4:18-22 wordt algemeen als een op 1 Kronieken 2:5-15 gebaseerde toevoeging beschouwd. Stond Boaz in 4:13-17 aan de zijlijn, in de lijst van voorouders van David neemt hij een duidelijke plaats in. Het boek Ruth eindigt met ‘David’ (4:22). Uiteindelijk gaat het om deze koning. Gerleman verdedigt de stelling, dat een oude traditie van Davids herkomst uit Moab (zie daarvoor 1 Sam. 22:3) aan het boek Ruth ten grondslag ligt. ‘Ruth zu judaisieren, sie religiös und politisch in Juda einzuverleiben, darum handelt es sich in dieser Erzählung (Gerleman 19651, 19812, 8).

Ook in het geslachtsregister van Jezus in Matteüs 1:1-17 neemt David een prominente plaats in: bij hem wordt aan zljn naam toegevoegd ‘de koning’ (1:6). In Jezus gaat het om de zoon van David (1:1). In Matteüs 1:5 wordt vermeld, dat Rachab, de prostitué (Joz. 2:1), de moeder van Boaz was (vgl. Luc. 3:32). Bovendien kwam zij uit Jericho. Zij was dus niet alleen een publieke vrouw, maar ook een niet-Israëlitische. Behalve Rachab en Ruth komen Tamar, en ‘de vrouw van Uria’ in Matteüs’ geslachtsregister voor (Mat. 1:3; 1:6). Nu wordt Tamars prostitutie in Genesis 38 niet negatief beoordeeld. Dat twee verwijzingen naar prostitutie in de Vroege Kerk te denken gaven, wekt evenwel geen verbazing. Daar komt een ander dubieus voorval bij: Davids overspel met de vrouw van Uria (zie daarvoor 2 Sam. 11,12). Loader schrijft: ‘Men heeft wel gepoogd te ontkennen, dat de verwijzingen naar deze vier vrouwen de joden uit Matteüs’ tijd aan bepaalde problematische en zelfs pijnlijke situaties herinnerde, maar het valt moeilijk in te zien dat het puur toevallig was, dat uitgerekend deze vier vrouwen opgenomen werden in de stamboom van de Zoon van David, die zelf immers onder verdachte omstandigheden geboren was (welke die omstandigheden waren wordt uitdrukkelijk vermeld in Mat. 1:25 en er wordt op gezinspeeld in Mat. 1:16, waar de vijfde vrouw uit de stamboom Jezus’ moeder Maria, genoemd wordt)’ (Loader 1994, 101).

Aanwijzingen voor de prediking

Tal van aspecten uit Ruth 4 hebben in de christelijke traditie een plaats in de verkondiging gekregen. Een voorbeeld: vaak is met een beroep op de handelwijze van Boaz een wettelijk kader voor de duurzame relatie van man en vrouw verdedigd. Zoals Boaz naar de stadspoort ging om volgens de regels te werk te gaan, zo behoren bruid en bruidegom naar het gemeentehuis te gaan om hun verbond officieel te bezegelen. Denigrerend spreken over het boterbriefje is dan niet op zijn plaats. Een ander voorbeeld: de eerste losser is meer dan eens ter sprake gekomen als iemand voor wie alleen het financiële belang telde. Gerleman merkt op, dat de Septuaginta als een tweede verklaring waarom de man van lossing afzag, vermeldt: “‘aus Mangel an Glauben“; es ist vielleicht nicht ausgeschlossen, in diesen Worten eine christliche Beeinflussung der Peschitta zu sehen; vgl. Rom. 4:20′ (Gerleman 19651, 19812, 37). In de verkondiging zou dan een pleidooi voor ruimhartigheid gevoerd moeten worden.

De boodschap van Ruth 4 is evenwel, dat God Noömi en Ruth toekomst geschonken heeft in de geboorte van een zoon, Obed. Dat is meer dan het ‘happy end’ van een streekroman uit het land waar het leven goed is of van een nummer uit de boeketreeks waarin de geliefden elkaar uiteindelijk vinden. Het gaat in het boek Ruth om de heilsgeschiedenis. In die geschiedenis heeft Ruth haar plaats gekregen, samen met haar zoon Obed, de grootvader van David. Op een gegeven (ja: werkelijk gegeven, van Godswege) moment kwam de zoon van David, Jezus Christus. In Hem hebben mensen toekomst, tot over de grens van het graf. Bij Jezus Christus is de echte rust (vgl. Ruth 3:1) te vinden. (Naar aanleiding van de naam Obed zou de prediker kunnen stilstaan bij degene die gekomen is om te dienen – Mar. 10:45 -, degene die de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen – Filp. 2:7.)

Liederen

Psalm19 (‘de psalm van de zondag’); 78:24,25; 89; 132; 149; Gezang 3; 25; 36; 67;97; 117:5,6,7; 125; 126; 127; 132; 476; Lam en Ter Burg, Verzamelbundel Alles wordt nieuw, 1983, IV,5; Troost, Zingende gezegend, 1995, 125; 191.

Geraadpleegde literatuur

  • Ruth. Een praktische bijbelverklaring Kampen, 1994, van J.A. Loader. Van dat commentaar heb ik veel gebruik gemaakt.

  • Daarnaast attendeer ik op Ruth. Verklaring van een bijbelgedeelte, Kampen 19811, 19892, van Henk Abma (zie ook de bijdragen van Abma in Postille 31 [1979-1980],p.143-152).

  • Tenslotte: Jan Chr. Vaessen heeft in zijn proefschrift Tussen Schrift en preek. Ontwerp van een analysemodel voor de bijbelinterpretatie in preken met gebruikmaking van de tekstuele hermeneutiek van Paul Ricoeur, Kampen 1997, enkele preken over Ruth opgenomen en geanalyseerd op ‘Schriftinterpretatie’.

  • Ruth en Noömi, twee vreemdgangers, Baarn 1993, van Ellen van Wolde.

  • Bij de tweede Schriftlezing verdient Betrachtung äber das erste Capitel des Evangeliums nach Mattheus (1844; Nederlandse vert. 1842-1845) van H.F. Kohlbrügge nog steeds overweging. Deze publicatie wekte ergernis vanwege de wijze waarop de auteur over de zonde van de ‘bijbelheiligen’ had geschreven en het zware accent dat hij aan de vleeswording des Woords had gegeven. Hij zou Jezus’ zondeloosheid geloochend hebben.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken