Menu

Basis

Rouw rond Sara

De belofte aan Abraham. Wiener Genesis, 6e eeuw. Klein-Azië. Östereichische Nationalbibliothek, Wenen.
De belofte aan Abraham. Wiener Genesis, 6e eeuw. Klein-Azië. Östereichische Nationalbibliothek, Wenen.

Bijbelverhalen komen niet uit de lucht vallen, al zijn ze voor miljoenen wel ‘van boven’. Zo gaan ze lang mee. Neem de cyclus verhalen over Abraham en Sara: je moet ze samen noemen, ze zijn niet ‘los verkrijgbaar’. Als je Abraham zegt, dan zeg je Sara. Dat wordt extra spannend als een van de twee wegvalt. Dat gebeurt en daarna verloopt de geschiedenis heel anders dan de lezer zou verwachten. Je kunt de laatste jaren van Abraham zonder Sara als ‘fout’ kwalificeren. In dit artikel probeer ik verhalend aan te sluiten bij het thema van dit volume van Schrift: ‘Rouw’. De dood en begrafenis van aartsmoeder Sara is bepaald niet standaard. Sara is uiteindelijk de eerste die een vaste voet aan wal van het land Kanaän zetten kan. Het begint met een graf.

In allerlei omgevingen waarin de verhalencyclus over Abraham en Sara ter sprake komt, begint men met Genesis 12: de opdracht van JHWH aan Abraham naar het land te reizen dat JHWH ‘zal laten zien’. Maar de vertelling begint eerder. Het letterlijke uitgangspunt is Ur Kasdiem, Ur der Chaldeeën. Chaldeeën is geen neutrale term. Het staat depreciërend voor het volk dat te zijner tijd Jeruzalem en de tempel zal vernietigen en de Judeeërs in ballingschap zal afvoeren naar Babel. Dááruit roept JHWH Terach en de zijnen weg. Inmiddels wordt de familie in Ur der Chaldeeën getekend als ‘klaar voor de start’ voor een vruchtbaar leven. Alleen van Sara wordt gezegd dat ze onvruchtbaar is. De familie wil naar Kanaän gaan, maar komt niet verder dan halverwege, Haran. Daar vestigen zij zich. En daarvandaan roept JHWH Abraham en Sara weg met een dubbele belofte: een eigen land en eigen nageslacht. Wat komt daarvan terecht?

Het kind, Isaak

Dit artikel is niet bedoeld als een theologie van Genesis. Ik heb alleen een paar theologische lijnen nodig om het slotverhaal te kunnen tekenen. Uiteindelijk wordt er uit Sara een kind geboren, een zoon, die jitschaq, Isaak, ‘hij lacht’ wordt genoemd (Gen. 21: 1-7). Je kunt ook ‘lachertje zeggen, want Isaak is nauwelijks de protagonist in het verhaal. Hij wordt dan ook niet door Abraham verwekt. In Genesis 21: 1-2 lezen we:

‘JHWH bezocht Sara, zoals Hij had gezegd
en JHWH deed aan Sara zoals Hij had gesproken.
Sara werd zwanger en baarde aan Abraham een zoon in zijn ouderdom.’

Wat de auteur hiermee wil zeggen, is evident: de zoon, lees: Israël, is niet zomaar een keer verwekt, is niet het product van manlijk gedrag, maar is door JHWH gewild en geschonken. Dat thema loopt ook door in het beroemde verhaal over de binding van Isaak, of zo u wilt: het offer van Abraham. Hij moet het kind dat hij met zoveel moeite heeft gekregen, weer afstaan. Dat verhaal is in drie delen gestructureerd, elk afgesloten met ‘Zo gingen zij (tweeën) tezamen (22:6.8.19).’ Ik heb ‘tweeën’ in 22:19 tussen haken gezet, want daar ontbreekt het in de Hebreeuwse tekst! In de rabbijnse traditie wordt daaraan zwaar getild. Daar wordt de rol van de aartsmoeder, van Sara, uitgewerkt. De lezer had haar tot nu toe gemist. Ze neemt afscheid met pijn in haar hart en ziet hen tweeën gaan, de vader en de zoon. Ze staat op de uitkijk en mist Isaak. Ze kan alleen maar concluderen dat Isaak is geofferd en ze sterft ter plekke. Daarna volgt de begrafenis waaraan een heel debat voorafgaat.

De dood van Sara

Van geen enkele vrouw in Tenach wordt haar leeftijd genoemd, behalve van Sara. Wat opvalt, is de literaire opbouw met het woord ‘jaar’:

‘Het leven van Sara was honderd jaar
en twintig jaar
en zeven jaar.
Dit waren de jaren van het leven van Sara.’  (Genesis 23:1)

Volgens een kanttekening in de Soncino Chumash wordt ‘jaren’ bij elk getal herhaald om aan te geven dat elk getal zijn eigen interpretatie heeft: Sara was op honderdjarige leeftijd even zondeloos als op twintigjarige leeftijd -want tot haar twintigste is haar zonde niet strafbaar en telt dus niet mee. Ze was net zo mooi op twintigjarige leeftijd als op zevenjarige leeftijd. Sara sterft in Kirjat Arba, ‘de stad van de vier’, en wel vier reuzen. Ook wordt de naam geassocieerd met de vier stellen die hier begraven zouden liggen: Adam & Eva, Abraham & Sara, Isaak & Rebekka en Jacob & Lea. Deze laatste opvatting sluit aan bij onze perikoop. Abraham komt om Sara te betreuren en Sara te bewenen. Voor ‘het uiten van de dodenklacht’ gebruikt de auteur het werkwoord SPD en voor ‘bewenen’ het klassieke woord voor ‘huilen’ (om iemand) BKH. Hij is totaal niet bezig met de standaard die voor deze rituelen wordt gehanteerd. Hij volstaat met de zeer korte mededeling dat Abraham de gebruikelijke rites volgt. Door aan deze woorden een compleet overzicht van rouwgebruiken te hangen, is deze tekst overvragen en overbelasten. Even terzijde als voorbeeld: als we lezen ‘hij at en dronk’ is het niet de bedoeling van de auteur mededelingen te doen die in een kookboek thuishoren. Net zomin is het de bedoeling dat de auteur ons mededelingen doet over rouwgebruiken. Daardoor komt er literaire ruimte voor iets veel wezenlijkers: het afscheid van Sara. Sara1 komt in Genesis 11:29 het toneel op en vrijwel dadelijk wordt gemeld dat zij onvruchtbaar is. Direct daarna vinden we de roeping van Abraham, die ook een roeping van Sara blijkt te zijn: hun beiden wordt gevraagd op weg te gaan onder de belofte dat zij en hun nageslacht een eigen land zullen ontvangen en dat ze zullen uitgroeien tot een groot volk. Land en volk: die twee gaan hand in hand en juist daaraan ontbreekt het in dit bijbels verhaal.

Het wordt de aanleiding van een geweldig gezamenlijk avontuur: samen belanden ze in Egypte; samen besluiten ze een Egyptische slavin te adopteren als draagmoeder; samen belanden ze in de vertelling over Sodom en Gomorra. Abraham en Sara zijn niet los te denken van elkaar. Ze worden samen gedragen door de belofte van JHWH de voorouders van een groot volk te worden. Hoe dit nu moet, nu de dood een streep zet door alle gezamenlijke plannen en Isaak nog geen vrouw, laat staan nageslacht heeft gevonden, is voor het moment een raadsel. In prachtig Hebreeuws lezen we: wajjáqom ’avraham mee‘al penee meeto. Letterlijk staat er: Dann stand Abraham auf vom Angesicht seines Toten. Het is niet een gebruikelijke constructie. Abraham maakt zich als het ware los van het gezicht van zijn dode. Er staat niet ‘van het aangezicht van Sara.’ Pas aan het eind van de perikoop, in Genesis 23:19, valt haar naam weer: ‘Daarna heeft Abraham zijn vrouw Sara begraven in de grot op de akker van Machpela.’ mee‘al penee meeto. ‘De constructie bevat als het ware een tegenstelling: min, dat is ‘weg van, bij vandaan’ en ‘al, dat is: ‘bovenop’. Hij moet weggaan, zich losmaken uit een leven met Sara.

De begrafenis van Sara. Gustav Doré.
De begrafenis van Sara. Gustav Doré.

Een graf kiezen

Nu moet Sara begraven worden. Dat is een standaardritueel. De dode werd in de grond begraven, waarbij een grote steen het hoofdeinde van de lijk aanwees. Hier is daar geen sprake van. Abraham wil een ’achuzzat-qèver, een graf dat je kunt vererven. Met andere woorden: een graf waarin straks Abraham en de nakomelingen begraven kunnen worden. Dan spreek je over een spelonk, die recht geeft op grondbezit. Dat moet in een afspraak worden vastgelegd. Abraham moet een grot met de omliggende akkers kopen. Daarbij staat hij in een onmogelijke positie. Hij heeft een dode, die hij moet begraven: De auteur tekent het verhaal in een gepostuleerde historische omgeving, maar het wordt mijn inziens te boek gestelden gelezen in en na de Babylonische ballingschap. In die tijd is het begraven van je ouders of man, vrouw of kind een van de belangrijkste mitswot. Hij heeft dus geen tijd; hij heeft een spelonk nodig en hij heeft geld. De lezer begrijpt onmiddellijk dat Abraham bij voorbaat op verlies staat. De onderhandelingen beginnen in een prachtige oosterse stijl. Het verloop is als volgt: Abraham gaat naar de Hethieten, die de grond bezitten en stelt zich voor als een geer-tošaav, een ‘vreemdeling die er bij woont’. De Hethieten lijken hiervan niets te willen weten: Abraham is voor hen een nesie’ ’elohiem,  een ‘vorst van God zelf’. Hij mag zijn dode in de keur van de Hethitische graven neerleggen. Het is vraag en aanbod, waarbij het aanbod van de Hethiet Efron heel ruimhartig lijkt. Maar het is niet de bedoeling dat Abraham het aanbod accepteert. Het is slechts een hoffelijke peiling. Daarvan zijn er meer voorbeelden in de Hebreeuwse bijbel (zie bijv. Rechters 8:22). Er wordt door Abraham gesproken over ‘de volle prijs’ maar wat dat concreet inhoudt, moeten we nog horen. Na veel gesprek heen en weer, geven en nemen, weet Efron dat Abraham klem zit en wil betalen. Hij laat tussen neus en lippen door de prijs horen: ‘Een stuk grond van 400 sjekel zilver, wat maakt dat uit tussen u en mij?’ (Genensis 23:15). Het is een duizelingwekkend hoog bedrag voor een spelonk en omliggende akkers, maar Abraham heeft geen andere keuze als hij een familiegraf wil.

De mens is een ziel

Waarom zou hij een familiegraf willen? Afgezien van het feit dat een spelonk statusverhogend werkt, is er een andere belangrijke reden: Sara en Abraham worden in de dood met elkaar en de hunnen verenigd. De mens heeft niet een nèfesj, een ziel, maar is een nèfesj. Je kunt dus een dode ziel zijn en een levende ziel. Die ziel is verbonden met het gebeente, de ‘ètsem, een woord dat in het Hebreeuws is gaan staan voor ‘sterk, machtig’, en ook voor ‘identiteit’. Als de mens in Genesis uitroept  ‘ètsem me‘atsamaj, ‘gebeente van mijn gebeente’ doet hij geen uitspraak over de botstuctuur van de vrouw maar over haar identiteit. Daarom moet het gebeente worden bewaard in een veilige omgeving. Als koning Saul en zijn zonen in de strijd tegen de Filistijnen ten onder gaan, weten de mannen van Jabes hun gebeente te redden. Hun lichamen worden weliswaar verbrand, maar het gebeente niet (Zie 1 Sam. 31:13).

Er is nog een reden om het familiegraf te kopen, dat is theologisch van aard. JHWH had Abraham een land en nageslacht beloofd. Die belofte was nog niet verzilverd. De dode Sara kan er niet meer aan bijdragen. De opmaat naar onze tekst is het dreigende verlies van de zoon op het altaar. Isaak blijft ongehuwd en kinderloos achter. Het is een geschiedenis scherp op de snede. Abraham gaat helemaal los nu ‘de hulp tegenover hem’ dood is en hij verwekt bij een tot nu toe onbekende bijvrouw zes (!) zonen, waarvan sommige namen je niet hoopvol stemmen met het oog op de geschiedenis. Abraham wordt bij Sara begraven door Isaak en Ismaël samen. Hij was hun beider vader. Al was Sara de eerste die een plek vond in het Beloofde Land. Het begin is er.

Prof. Dr. Piet van Midden is Emeritus predikant en docent Hebreeuws aan de Universiteit van Tilburg.

Literatuur

A. Cohen, ed., The Soncino Chumash, Londen 1968

M. Buber-F. Rosenzweig, Die fünf Bücher der Weisung, Heidelberg 1976


  1. Ik ga hier niet in de kwestie Sarai-Sara en idem Abram-Abraham. Vanaf Gen. 11:29 tot 17:15 heet Sara weliswaar Sarai, maar dat onderscheid is nu niet functioneel. ↩︎

Boekentip

Cover Klaproosmomenten

Klaproosmomenten

In dit prachtig geïllustreerde geschenkboek staan bemoedigende teksten voor allerlei momenten in een tijd waarin jouw grond omgewoeld wordt. De klaproos staat symbool voor momenten van moed en kracht. Ze wortelt ondergronds, vindt daar kiemkracht en komt uiteindelijk tot bloei op plekken waar je dit het minst verwacht.  In dit boek worden tekeningen afgewisseld met poëtische teksten, verhalen en anekdotes over de klaproos en haar symboliek, over rouw en afscheid nemen.


Rouw
Schrift 2024, nr. 2

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken