Menu

Premium

Steen

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

edelgesteente, puinhoop, steniging

Hij is zo koud als een steen. Zij is zo hard als steen. Twee uitdrukkingen die suggereren dat in steen geen enkele beweging of warmte zit. Maar zijn stenen wel zo dood als we denken? Het geloof dat stenen bezield zijn, overdraagbare kracht in zich hebben, neemt in onze westerse wereld toe. Hoeveel mensen lopen niet met een steentje om de hals, omdat zij vermoeden of zeker weten dat die bepaalde steen een positieve werking op hen heeft. Meer en meer vernemen we van verbindingen tussen steen en spiritualiteit, tussen steen en therapie. Er is bijna sprake van een ‘neo-stenen tijdperk’. Dit alles vindt, grofweg gezegd, zijn oorsprong in het antieke gedachtegoed, dat stenen kracht of energie in zich hebben. Stenen spreken. En dat spreken vatte men niet louter overdrachtelijk op.

De bijbel kent ook tal van teksten waarin stenen een rol spelen. Al eerder zagen we dat bij de bespreking van de verwante begrippen gedenkteken, hoeksteen en rots. Hier kijken we naar de rol van gesteente in het algemeen.

Grondtekst

Ongeveer 180x komen we het woord ‘èvèn, ‘steen’ tegen in het Oude Testament. Het kan zowel een aparte steen als steen in collectieve zin aangegeven. Er vallen allerlei soorten en vormen van gesteente onder, ook met verbindingsbegrippen. Een daarvan is ‘edelsteen’, vaak met een nadere omschrijving erbij (Gen. 2:13; Ex. 28:9-21). Voor ‘puinhopen’ kent het Hebreeuws diverse woorden, onder meer: ‘ie (1 Kon. 9:8 = 2 Kron. 7:21; Jer. 26:18; Mi. 1:6; Ps. 79:1); ‘awwah (Ez. 21:32, let op de herhaling als duiding van grote ernst); rasies (Am. 6:11); tel (Deut. 13:17[16]; Joz. 8:28; 11:13; Jer. 30:18; 49:2); zie ook het Aramese newahoe, ‘puin- of afvalhoop’ (Dan. 2:5; 3:29; 6:11).

In het Nieuwe Testament verschijnt ongeveer 50x lithos, evenals ‘èvèn betekent het ‘steen’ en ‘edelsteen’ (Op. 4:3; 21:11). Voor ‘steen als stof heeft het Grieks lithinos (Joh. 2:6, vaatwerk; 2 Kor. 3:3, wetstafel; Op. 9:20, godsbeeld).

Letterlijk en concreet

a.Het bijbelse landschap ligt bezaaid met stenen, van kleine kiezels tot onwrikbare rotsblokken. In uiteenlopende grootten, vormen en kleuren komen we stenen tegen. De steen speelt op velerlei wijzen een rol in de bijbelse samenleving. We zien hem als bouwmateriaal, werktuig, wapen, hoofdkussen, putdeksel, juweel, gewicht, stoel, richtlood, godsbeeld, altaar, vaatwerk, ‘schrift’, gerei enzovoort.

b.Het begrip steen is in de bijbelse talen omvattender dan in de westerse talen. Alleen al de verscheidenheid in gebruik geeft dit aan. Wat echter alle soorten en functies gemeen hebben, is hun hardheid en duurzaamheid. Dat wil niet zeggen, dat bouwwerken met dit sterke materiaal blijvend zijn; meer dan eens horen we, vooral in oordeelsaankondigingen, dat een stad of huis een puinhoop wordt (Jes. 14:17; Jer. 26:18).

c.Op twee manieren spreekt de bijbel over steniging: als sacrale straf bij overtreding van bepaalde goddelijke voorschriften (Deut.13:11; 17:5; vgl. Joh. 7:53-8:1) en als spontane volkslynchpartij (Num. 14; Luc. 20:6). Het gebod heeft bovenal een waarschuwende functie.

Beeldspraak en symboliek

a.Steen als metafoor voor de Heer komen we sporadisch tegen in de bijbel, terwijl ‘God de rots’ frequent verschijnt (zie bij ‘rots’). Eenmaal staat er ‘herder, steen van Israël’ (Gen. 49:24), maar die tekst is vrij duister. Wellicht hangt deze zeldzaamheid samen met de profetische kritiek op verering van stenen afgoden door Israël. Met ironie en spot stellen de profeten het buigen voor het ‘dode’ hout en gesteente aan de orde, producten van mensenhanden. Voor die beelden te buigen getuigt van een grote verachting voor de God van Israël, die lééft en geen menselijk product is. Deze stenen en houten goden symboliseren angst, hoogmoed, domheid en onmogelijke zelfverlossing, wat tenslotte eindigt in chaos. Zie onder andere Jeremia 2:27; 3:9; Ezechiël 20:32; Habakuk 2:19; Psalm 137:17; Daniël 5:4, 23; Openbaring 9:20. Christus wordt wel steen genoemd, de lévende steen; door Hem heten ook zijn volgelingen levende stenen (1 Petr. 2:1-10; zie bij ‘hoeksteen’).

b.De heilige stenen die volgens Klaagliederen door de stad verspreid liggen (4:1), kunnen letterlijk de stenen van de verwoeste tempel zijn. Ook is denkbaar dat het beeldspraak is; de stenen verwijzen dan naar het verstrooide volk. Mens en steen verschijnen vaker als een soort eenheid, maar dan in vergelijkende zin. In het bijzonder gaat het dan om het aspect van hardheid en onbeweeglijkheid. Mensen kunnen van schrik verstarren als een steen (Ex. 15:16), of hun binnenste kan als een steen verkillen van angst (1 Sam. 25:37), of verstommen als een steen door de machtige daden van de Heer (Ex. 15:16). Israël kan dusdanig verhard zijn dat het antwoord van God via zijn profeet nog harder dan hard zal zijn, zo hard als een diamant (Ez. 3:7-9). Wie een hart van steen heeft, is niet gedoemd altijd zo voort te gaan. Er kan ommekeer komen, door Gods liefde. Hij belooft het steenachtige hart van zijn volk te verwijderen en daarvoor in de plaats een hart van vlees te scheppen, opdat het wandelt naar de Tora (Ez. 11:19; 36:26). Nog een ander facet van de steen treffen we aan, namelijk dat van het gewicht. Stenen zijn zwaar. Ergernis over een dwaas is zwaarder dan steen en zand, waarmee wordt aangegeven hoe rampzalig dwaasheid is (Spr. 27:3). Daarentegen kan ook wijsheid zwaar zijn, vanwege haar rijkdom en oproep tot navolging (Sir. 6:21). Om duidelijk te maken hoe vreselijk het is als een volwassene een kind – Gods oogappel – verleidt, gebruikt Jezus het beeld van de mens die met een molensteen om de hals in de diepte der zee verdwijnt: die val in het duistere water is beter dan het goddelijke gericht dat de verleider ten deel zal vallen (Mat. 18:6; vgl. Op. 18:21). Een soortgelijk beeld gebruikt Jeremia: evenals een boek vastgebonden aan een steen in het water verdwijnt en niet meer bovenkomt door de zwaarte van de steen, zo zal Babel zinken in de diepte (51:63).

c.Enkele bijbelschrijvers verwerken graag het steenmotief in hun boodschap. Een van hen is Zacharia. Zevenmaal werkt hij met dit motief. Het symboliseert bij hem allereerst zekerheid en duurzaamheid, het fundament onder het bestaan (3:9; 4:7,10). Maar als stenen niet de sfeer ademen van de Tora houden zij geen stand, hoe sterk zij ook zijn; los van de Tora zijn zij zelfs beeld van vergankelijkheid (5:4). De ballingen die terugkeren in het land zullen vernieuwd zijn. Door Gods genade zullen zij uitgroeien tot diamanten, beeld van schoonheid, pracht en schittering (9:15-16). En God zal Jeruzalem maken als een grote steen, ontilbaar en onwrikbaar voor de volkeren (12:3). Met andere woorden, Israëls bestaan is duurzaam en veilig.

d.Naar het ons voorkomt heeft de zware steen voor het graf in het evangelie een diepere zin. Over deze stenen vertellen de evangelisten rond de dood en verrijzenis van Lazarus en Christus. De steen voor de grafspelonk verbeeldt het definitieve en de ernst van de dood. De steen bewaakt als het ware die gedachte. Zo ligt de steen, onwrikbaar, met daarachter de dood als een onneembare vesting. En dan gebeurt het onmogelijke, niet verstaanbare; een onpeilbaar mysterie: ‘hij wentelde de steen weg’ (Mat. 28:2); ‘de steen was afgewenteld’ (Mar. 16:4); ‘zij vonden de steen van het graf afgewenteld’ (Luc. 24:2); ‘zij namen de steen weg’ (Joh. 11:41); ‘zij zag de steen van het graf weggenomen’ (Joh. 20:1). De steen is weg. Het graf is leeg. Anders gezegd: het leven is terug!

e.Stenen symboliseren onveranderlijkheid. Soms kan er het verlangen zijn naar het doorbreken van die hardheid. De dichter Gerrit Kouwenaar schreef: ‘Ik heb nooit iets anders getracht dan dit: het zacht maken van stenen…’ Als stenen toch veranderen, symboliseert dat ontzagwekkende macht. Bijvoorbeeld kinderen maken uit steen, brood scheppen uit stenen, stenen die gaan spreken en schreeuwen (Mat. 3:9; 4:3; Luc. 19:40). In deze zin verbeelden de stenen en wat eruit voortvloeit het ongekende. Als stenen gaan schreeuwen vanwege het onrecht, dan is daarmee gezegd dat het onrecht enorme proporties heeft aangenomen (Hab. 2:11). Denk hierbij aan het gezegde: ‘Als de muren konden spreken’, waarmee iemand aangeeft dat zich binnen die muren heel wat heeft afgespeeld.

f.Woorden gebeiteld in stenen hebben eeuwigheidswaarde en zijn een voortdurend getuigenis (vgl. Job 19:24). De geboden van de Heer zijn geschreven in steen, twee stenen, voor elke ver-bondspartner één (Ex. 24:12; 31:18; Deut; 4:13). Woorden in steen symboliseren de duurzaamheid en onveranderlijkheid ervan. De stenen zijn een eeuwigdurend getuigenis waaraan de verbonds-partners zich hebben te houden. De Midrasj noemt steen als metafoor voor de Tora, op grond van de gave van Gods woorden op stenen (Midrasj Rabbah Hoogl. VI,11). Onveranderlijkheid van de letters mag niet leiden tot verstarring, de goddelijke glans over de stenen mag nimmer verdwijnen, want dan worden de stenen star en dodelijk (vgl. 2 Kor. 3:7).

g.De profeten spreken meer dan eens over puinhopen. Zij kondigen namens de Heer aan dat een huis, stad of volk tot puinhoop zal worden, als er geen ommekeer naar God en zijn Tora komt (Ez. 21:32[27]); Mi. 1:6). Hoewel Jeruzalem werkelijk tot een puinhoop is geworden door het geweld van de Babyloniërs (Ps. 79:1), bedoelt de dreiging van de puinhoop meer dan dat de stenen letterlijk uit elkaar vallen. Het is ook een manier van zeggen om de chaos en ondergang onder woorden te brengen. Een stad zonder muren en tempel, een huis zonder bescherming duidt ballingschap en dood aan. Populair gezegd, wie zich van de Heer afwendt, maakt vroeg of laat een puinhoop van zijn leven. De joodse traditie geeft bewust een plaats aan de ballingschap, ook op vrolijke momenten. Zo behoort het stukbreken van een glas tot de joodse huwelijksplechtigheden. Men gebruikt daar wel een steen voor, de choeppa-steen (huwelijkssteen). Op het hoogtepunt van de vreugde van de huwelijkssluiting breekt het glas op de steen stuk. Met dit symbool brengt het bruidspaar tot uitdrukking dat het leven, ondanks alle vreugde, gebrokenheid kent. Er is ballingschap, huizen en mensen liggen overal in de wereld in puin.

h.Edelstenen vormen een apart geheel binnen de steensymboliek. In de cultuskleding van de hogepriester nemen zij een voorname plaats in. Deze vertegenwoordiger van de Eeuwige weerspiegelt zijn zender met het licht, de glans en de heerlijkheid van het edelgesteente (Ex. 28). Edelstenen, hoe verschillend ook van kleur en uitstraling, symboliseren kostbaarheid, reinheid, schoonheid, hardheid en bestendigheid. We zien de kostbare kinderen van Sion (Klaagl. 4:1), de schoonheid van de geliefden (Hoogl. 5:14), de zuiverheid van de toekomstige vromen (Zach. 9:16) en de hardheid van mensen (Ez. 3:9). Hoe groot en rijk de wijsheid is, blijkt hieruit, dat zij meer is dan edelgesteente (Spr. 3:13-15; Wijsh. 7:9). Alles wat verschijnt uit de hemel – metafoor voor goddelijke aanwezigheid – kan enkel vergeleken worden met het mooiste van het aardse bestaan: edelstenen. Het Koninkrijk der hemelen is als een parel (Mat. 13:45-46). Engelen en hemelse wezens worden met zulke stenen uitgebeeld (Ez. 1:26; 28:13; Op. 4:3; 8:2). Het spreekt vanzelf dat de nieuwe toekomst die God voor ogen heeft ook met deze symboliek wordt geschilderd (Jes. 54:11-12). Uitvoerig en kleurrijk komt dat in de beschrijvingen van de nieuwe stad Jeruzalem tot uiting (Op. 21:12-21; Tob. 13:17).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 78; 141; Gezang 50; 60; 80; 86; 197; 208; 210; 225; 260; 320; 349; 368; 490; Alles IV: 3; BijbelII: 70; Droom: 9; Gezangen: 373; Land: 6; Liefde: 54; Liturgie: 515; 519; 615; ZAD I: 30; Zingend I-II: 195; IV: 4; Zolang: 78.

b.Poëzie:

J.Bernlef, Gedichten 1970-1980, Amsterdam 1988, blz. 107: ‘Pijn’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 511: ‘Vernomen tijdens onweer’. Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 192: ‘Relief in Exeter’. Huub Oosterhuis, Levende die mij ziet, Kampen/Tielt 1999, blz. 144: ‘Aan de stenen’. Gabriël Smit, Gedichten, Baarn 1975, blz. 13: ‘De steen’. M. Vasalis, Vergezichten en gezichten, Amsterdam 1997, blz. 79: ‘Steen’; blz. 71: ‘In de oudste lagen van mijn ziel’.

c.Verwerking:

Het begrip steen bevat in overdrachtelijke zin tal van geloofs- en levensaspecten. Enkele daarvan kunnen we belichten aan de hand van uitdrukkingen en gezegden. Bijvoorbeeld: hart van steen (verharding); koud als steen (gevoelloos, afstandelijkheid); in steen geschreven (duurzaamheid); steen om de nek (ondergang); afwentelen van de steen (openheid, nieuw leven); het is een puinhoop (chaos, verwoesting, ondergang); als een steen staan (betrouwbaar).

Verwijzing

Allereerst verwijzen we naar ‘hoeksteen‘, ‘gedenkteken‘ (gedenksteen) en ‘rots‘. Verder zijn er raakvlakken met ‘huis‘, ‘berg‘ en ‘fundament‘.

Wellicht ook interessant

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

‘Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken’

Het vijfde boek van Mozes spreekt in hoofdstuk 4 dankbare verbazing uit over Gods verbondenheid met zijn volk in Mozes. In de hele geschiedenis van God met de mensheid kwam zo’n unieke verbondenheid niet voor (Deuteronomium 4:32-33). De beproevingen logen er niet om, maar ook Gods wonderdaden niet (4:34). Jullie boffen dat jullie dit te zien gekregen hebben (4:35) en je hebt zijn woorden ook nog mogen horen (4:36). God zelf heeft jullie bevrijd (4:37). Onderhoud dan zijn geboden, dan is deze band niet kapot te krijgen en zal het jullie goed gaan (4:40).

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

Brood genoeg voor iedereen

In het Evangelie van Johannes heeft Pasen een belangrijke plek. ‘De inzichten van na Pasen zijn leidinggevend in dit Evangelie en hebben hun stempel gedrukt op het verhaal van Jezus vóór Pasen,’ schrijft professor Martin de Boer. Je moet dus niet alleen de gebeurtenissen rond Pasen, maar ook de rest van het Evangelie lezen in dat licht. Het teken van het brood in Johannes 6 kan dan ook gelezen worden als een opmaat naar Pasen. En zo is er in de uitleg ook een verbinding te maken naar het eten van het Pesachmaal in Jozua 5.

Nieuwe boeken