Menu

Premium

Timoteüs

Hulpvraag

De bedoeling van de brief is van meet af aan duidelijk. Paulus, die in Rome gevangen zit, verlangt er naar om Timoteüs te zien (1:4). Maar eerst aan het eind van de brief wordt de vraag onomwonden gesteld: ‘Doe uw best om spoedig bij mij te komen’; en nog dringender: ‘Doe uw best nog voor de winter te komen’ (4:9 en 21). Korter het niet gezegd worden. Waarom dan een hele brief om dit verzoek over te brengen? Sociaal gezien heeft een brief natuurlijk altijd zin. Het versterken van de band met elkaar en met enkele bekenden; groeten over en weer; informatie over de gezondheidstoestand. Er moeten zeker ook enkele praktische problemen worden opgelost. De afstand is groot. Timoteüs zal van de westkust van de Romeinse provincie Asia (Turkije) naar Rome moeten reizen, bij voorkeur via de havenstad Troas, zodat hij en passant de mantel en de boeken die Paulus daar bij een kennis heeft achtergelaten kan meenemen. En of hij dan ook nog Marcus bereid vinden om mee te gaan. Uiteraard moet er voor vervanging gezorgd worden om in de tussentijd de gemeente in Efeze te . Daar wordt trouwens in voorzien: de vertrouwde medewerker Tychikus is reeds onderweg. Er is dus genoeg te melden. Maar al deze zaken komen kort en goed aan de orde in het laatste deel van de brief (4:9-22). Dat verklaart nog niet waarom deze brief zo uitvoerig is, vol emotie en geestkracht.

Schaamte

Het probleem van de brief ligt in de aard van het verzoek om naar te komen. Het is een vraag om hulp van iemand die zijn vrijheid van handelen heeft verloren, afhankelijk is geworden en bovendien geen toekomstperspectief meer heeft. Zo om hulp te moeten vragen op zich als vernederend ervaren worden. Maar er is meer aan de hand. Paulus is in een rechtszaak verwikkeld, die voor hem verkeerd afloopt. Hij zal het met de dood moeten bekopen. Zijn levensproject wordt daarmee publiekelijk afgebroken. Reden voor zijn volgelingen om zich te bezinnen. Paulus voelt de steun wegvallen en klaagt: ‘Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan’ (4:16). En het gerucht over zijn afgang gaat snel de wereld over: ‘in hebben allen mij in de steek gelaten’ (1:15). Hebben ze echt allemaal afgehaakt? Er zijn in elk geval genoeg mensen die moedwillig schade aanrichten aan zijn zaak. Hij ze met name noemen, de weglopers Fygelus en Hermogenes (1:15), de briljante, maar ‘zieke’ leraren Hymeneüs en Filetus (2:17) en de kwalijke koperslager Alexander (4:14). Voor hen wordt zijn hoop op het aanbreken van Gods rijk niet ingelost. Dat is de vernederende situatie waarin Paulus verkeert. Hij lijdt daaronder. Hij weet ook dat Timoteüs er verdriet van heeft (1:4). En hij beseft maar al te goed hoe beschamend deze toestand is. Schaamte, dat is het neuralgische punt van de brief. Wanneer Paulus meteen in het begin schrijft dat Timoteüs zich voor dit lijden niet hoeft te schamen en dat hij zich er zelf ook niet voor schaamt en dat ze een voorbeeld kunnen nemen aan hun medewerker Onesiforus die zich er niet voor schaamde om Paulus op te zoeken in zijn benarde toestand (1:8,12,16), dan voelt de lezer dat de schaamte het probleem is, waarom de brief is uitgedijd. De schrijver beseft blijkbaar dat hij niet alleen zijn eigen gêne moet overwinnen om voor zich zelf om hulp te vragen. Hij beseft ook hoe delicaat het is om onder deze omstandigheden hulp te vragen aan een ander. Dat is het onderliggende motief voor deze brief. Met de woorden van Breyten Breytenbach: en mag daar altyd mense wees/ wat mekaar sonder skaamte/ in die oë kyk’.

Overzicht van de tweede brief aan Timoteüs

Adressering

1:1-2

I

Het verlangen naar weerzien

1:3-18

Ik verlang u te zien

1:3-5

Denk aan wat ons verbindt

1:6-12

Blijf trouw aan wat u van mij hebt gehoord

1:13-14

Anderen laten mij in de steek

1:15-18

II

De vernieuwing van de handoplegging

2:1 – 4:8

a.

De werknemer

2:1-13

‘U dan wees sterk

2:1-2

Maak u geen zorgen

2:3-6

Bedenk dat Jezus Christus is opgestaan

2:7-10

Wie nu met hem lijden zullen met hem leven

2:11-13

b.

De zaak waarom het gaat

2:14 – 3:9

Het heeft geen zin te twisten over de opstanding

2:14-18

De waarheid is verborgen bij God

2:19- 21

Streef naar gerechtigheid, niet naar woordenstrijd

2:22-26

Besef dat de eindtijd een tijd van crisis is

3:1-9

c.

De werkopdracht

3:10 – 4:8

‘U echter …’: sinds u mij volgt weet u van vervolgingen

3:10-13

‘U dus …’: blijf in de traditie van het leren bij de Schrift

3:14-17

Verkondig nu het woord, want straks willen ze er niet meer van horen

4:1-4

‘Maar u …’: op u komt het aan, want ik heb mijn tijd gehad

4:5-8

III

Het verzoek om te komen

4:9-21

‘Doe uw best om spoedig bij mij te komen …’

4:9-13

Wees op uw hoede

4:14-15

Ik vertrouw me toe aan God

4:16-18

Groeten over en weer

4:19-21

Zegen

4:22

DE HANDEN OPLEGGEN

Paulus pakt de kwestie aan langs de weg van herinnering en verwachting. Hij herinnert zijn jongere medewerker aan hun gemeenschappelijk verleden. Ze zijn beiden in een Joodse sfeer opgegroeid (1:3,5 en 3:15), hebben elkaar leren kennen in de tijd dat Paulus in tijdens de rellen in Lystra bijna gelyncht werd (3:11, vgl. Hand. 14:19 en 16:1) en zijn voorgoed aan elkaar verplicht toen Paulus hem als leerling en medewerker de handen oplegde (1:6). dat laatste gebaar gaat het hier. In dat formele en tegelijk intieme ritueel van de handoplegging zit de kracht waardoor Timoteüs moed vatten. Het maakt hem deelgenoot aan de gave van God waardoor het leven richting heeft gekregen. Dit gebeuren nu wil Paulus present stellen. Hij wil Timoteüs opnieuw de handen opleggen om daardoor het vuur van de herinnering aan te wakkeren (1:6). Dat doet hij ook, zij het dat hij het bij gebrek aan beter op papier moet zetten. Het hele middendeel van de brief (2:1 – 4:8) laat zich lezen als een vernieuwing van de handoplegging. Het zijn woorden, die het gebaar veronderstellen waarmee een jonge leerling persoonlijk door zijn leraar wordt gezegend. Dat in twee zinnen. De leerling moet in het werk bevestigd worden en vervolgens de opdracht meekrijgen: ‘U dan, mijn kind, wees sterk door de genade van Jezus Christus’ èn ‘wat u van mij hebt gehoord … geef dat door (2:1,2). Die twee zinnen kunnen vervolgens nog nader ingevuld worden. Wat de werknemer van de Messias verwachten (2:1-13)? En wat houdt de werkopdracht in (3:10 – 4:8)? Maar om het vuur aan te wakkeren is meer nodig. Halverwege deze vernieuwing van de handoplegging stelt Paulus de kwestie aan de orde die hen nu het meeste bezig houdt. De zaak waarom het gaat is de werkelijkheid van de opstanding, dat wil zeggen de realisatie van het rijk Gods op aarde. Daaraan is het hart van de brief gewijd (2:14 – 3:9). Hier brandt het vuur het hevigst. Er zijn namelijk collega’s die beweren, ‘dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad’ (2:18). Dat lijkt als twee druppels water op de Messiaanse boodschap dat het rijk Gods gekomen is en dat de Heer is opgestaan en dat hij voor de mensen verlossing heeft gebracht. Het is geschied! Wat is er mis met deze vrome boodschap? Het probleem waarmee Paulus te maken heeft is dat deze werkelijkheid van het rijk Gods verborgen is bij God. Er is voor hem geen weg naar Gods rijk dan door het lijden heen. Dat is nu precies wat Paulus doormaakt, en dat is oneervol en beschamend genoeg. Hij wordt niet geholpen met de boodschap dat de opstanding reeds is geschied. Dat maakt hem ziek. Hij over de opstanding slechts spreken in termen van verwachting.

De strekking van de brief is hiermee in grote lijnen aangegeven. De schrijver doet een dringend verzoek om hem te hulp te komen nu zijn einde nadert. Maar hij dat de ander wel vragen? Hij beroept zich op hun persoonlijke verbondenheid omdat hij de ander ooit de handen heeft opgelegd. Dat gebeuren voltrekt hij nu als het ware opnieuw. Nadat hij zo met alle kracht zijn zegen gegeven heeft vraagt hij om de hulp die hij nodig heeft.

De opbouw van de brief is in bijgaand schema weergegeven.

Bespreking

Denken in relaties

De brief ontsluit zich niet direct. Hoewel de lezer al spoedig merkt dat de inhoud emotioneel geladen is, komt de tekst niet vloeiend over. Hij vergt lezing en herlezing. Eén van de complicerende factoren is, dat de schrijver bij elke wending van zijn betoog denkt in netwerken van relaties. Dat blijkt al meteen uit de adressering. Hier richt zich niet slechts het éne individuele, autonome subject tot het andere en er wordt ook niet volstaan met de vermelding van hun formele betrekking (de leraar tot zijn leerling als ‘geliefd kind’), maar hun namen worden tegelijk verbonden met die van God en Jezus Christus, aangevuld met hun titels en betekenis. Aan het slot van de brief krijgt niet alleen Timoteüs de zegen (‘De Heer zij met uw geest’ – tweede persoon enkelvoud), maar worden tegelijk de meelezende gemeenteleden in deze zegen betrokken (‘De genade zij met u’ – tweede persoon meervoud). Dat zijn voor de schrijver geen toevallige verbindingen. Hij denkt vanuit een gegeven verbondenheid. Hij zijn betoog niet los van dit netwerk ontwikkelen. De lezers van hun kant kunnen niet anders doen dan trachten mee te denken vanuit deze relaties. Met name in het begin en het slot van de brief krijgt de lectuur hierdoor een gecompliceerd karakter. We gaan dit op hoofdlijnen na.

We bespreken de brief van buiten naar binnen. We geven eerst aandacht aan de inleiding (Het verlangen naar weerzien) en het slot ( Het verzoek om te komen). Daarna bespreken we het middendeel (De vernieuwing van de handoplegging). Maar ook in dit middendeel letten we eerst op de passages aan het begin en het eind (De werknemer en De werkopdracht) en komen tenslotte toe aan De zaak waarom het gaat. Het gaat daar om de boodschap van de opstanding, die zonder illusie verbonden moet worden met de crisis in de eindtijd. Wanneer dat gebeurt krijgt de voorganger de nodige wijsheid om stand te houden in het opstandige huis van de gemeente. En dan zijn we bij de kern van de brief.

I – Het verlangen naar weerzien 1:3-18

Hier gaat het om één, eenvoudige mededeling: ‘ik verlang u vurig weer te zien’. Dat is op zich niet meer dan een expressie van emotionele betrokkenheid. Maar dat gegeven blijft niet op zich staan. te beginnen dankt de schrijver God voor deze relatie. Aan Timoteüs denken is God danken en vice versa. Dit dankbare gedenken wordt vervolgens ontwikkeld in vier richtingen:

  • De persoonlijke relatie van Paulus en Timoteüs wortelt in de geloofstraditie van de vorige generaties. Ze hebben allebei Joodse voorouders of althans, zoals in het geval van Timoteüs, een Joodse moeder en grootmoeder. Die droegen het vertrouwen in God aan hen over.

  • De leraar-leerling relatie van Paulus en Timoteüs is formeel door de handoplegging bekrachtigd. Daardoor is de leerling voorgoed gemotiveerd door het bericht aangaande Jezus Christus. Zijn leven is in een onomkeerbare beweging gebracht: niet laf zijn en niet door schaamte bevangen worden, maar moed vatten en het lijden accepteren. Hier vallen de beslissingen. Waar Jezus Christus verschijnt, verschijnt het leven en wordt zelfs de dood van zijn kracht beroofd.

  • Nu komt het erop aan dat deze relatie in de toekomst van kracht blijft. De leerling moet van zijn kant het legaat van de leraar bewaren. Dat alleen met de heilige Geest erbij.

  • Het bewaren van het onderlinge vertrouwen is onder de huidige, gevaarlijke omstandigheden niet iets vanzelfsprekends. Dat blijkt uit de houding van de gemeentes in . De meeste mensen hebben inmiddels hun leraar in de steek gelaten, één uitzondering daargelaten. De loyaliteit van Onesiforus was een weldaad. Hij deed alle moeite om Paulus in op te zoeken.

Deze laatste opmerking bepaalt de lezer weer bij de verzuchting van Paulus: ik verlang je te zien. De lezer begrijpt de hint. Zal Timoteüs nu gaan doen wat Onesiforus heeft gedaan? De lezer mag verwachten dat Paulus hem nu rechtstreeks zal vragen om te komen. Maar dat gebeurt nog niet. Het duurt tot aan het eind van de brief.

III – Het verzoek om te komen 4:9-21

Hier gaat het uiteindelijk om die éne vraag: doe uw best om spoedig bij mij in te komen, voordat de winter de zeereis onmogelijk maakt. Maar ook hier blijft dat verzoek niet op zich zelf staan. Het blijkt een uitwerking te hebben in vier richtingen:

  • Het verzoek speelt een rol in de relatie van Paulus met zijn directe medewerkers. Er zit een organisatorisch aspect aan de hulpvraag. Hij heeft een tekort aan medewerkers door het afhaken van de één en door het vertrek van anderen. Hij heeft gebrek aan materiaal voor studie en voor zijn persoonlijk welzijn. En bovendien moet de vervanging van Timoteüs goed geregeld zijn.

  • Het verzoek staat ook in relatie met de directe tegenstanders van Paulus in de werksfeer. Als Timoteüs komt, krijgt hij daar ook mee te maken. Het gaat om reëel gevaar met een naam en een gezicht. Hij moet terdege op zijn hoede zijn. Dat is het strategische aspect van het verzoek.

  • Maar bovenal wordt Timoteüs door dit verzoek betrokken in de lopende rechtszaak in . Daardoor wordt de missie van Paulus juridisch in de openbaarheid gebracht en getest. Dat is weliswaar precies de bedoeling, maar het belooft (onder het regime van een keizer als Nero) niet veel goeds. Hij voelt zich als Daniël in de leeuwenkuil. Als Timoteüs komt, komt hij óók in die juridische leeuwenkuil terecht. Daar is geen hulp te verwachten dan van God.

  • Toch is dit niet het laatste woord van het verzoek. Het laatste woord betreft de versterking van het netwerk van de bevriende relaties in de gemeentes. Er gaan groeten over en weer, er wordt gedacht aan een zieke en een achterblijver. Wanneer de brief wordt besloten met de zegen geldt dat dan ook niet alleen voor Timoteüs, maar voor alle lezers van deze brief.

Het is nu wel duidelijk dat de hulpvraag in deze brief vóór en nä geen geïsoleerd, particulier karakter draagt. De vraag zweeft niet vrijelijk in de lucht, maar is diep geworteld in de context van de relaties. Binnen deze context de vraag zonder gêne gesteld worden. Maar er is nog iets dat opvalt. Het lijkt erop dat iedere claim in de vraag om hulp bewust wordt vermeden. Terwijl de realiteit van het persoonlijk gevaar waarin Paulus verkeert geenszins wordt verdoezeld, wordt dit toch niet direct omgezet in een morele eis om te komen helpen. Eerder wordt het perspectief omgekeerd. De schrijver bekommert zich om de tranen van Timoteüs en om het gevaar dat hij lopen. Hij beroept zich voor de ultieme hulp op God en neemt daardoor een zekere last van zijn leerling af. Die hoeft niet voor God te spelen. Het lijkt erop alsof de schrijver eerder bemoediging wil geven dan ontvangen. Maar zo altruïstisch gaat het hier nu ook weer niet toe. Beter gezegd: hij eist niet dat zijn leerling hem hulp zal bieden, maar hij geeft hem moed om hulp te kunnen bieden. Die schenkende houding komt nog sterker aan de orde in het middelste deel van de brief.

II – Vernieuwing van de handoplegging 2:1 – 4:8

In het midden van de brief wordt niet gezinspeeld op hulp. Wel wordt de situatie van de schrijver zonder illusies beschreven. Hij zit gevangen en verwacht dat hij binnenkort zal moeten sterven. Maar nu komt alle nadruk te liggen op de bemoediging van Timoteüs. Hij moet zich niet laten intimideren door de feiten, noch door mensen die het beter weten. Laat hij de feiten accepteren hoe pijnlijk ze ook zijn, door zicht te houden op het leven dat door Jezus Christus aan het licht is gekomen. Zo wordt hem vanaf het begin een hart onder de riem gestoken: ‘Wees sterk!’ In allerlei variaties wordt dat herhaald, in de vorm van maar liefst vierentwintig imperatieven. Het ‘Wees sterk’ gaat als één ademtocht door het hele middendeel heen. Toch is de gedachtegang niet onmiddellijk helder. Er is een bijzondere toegang nodig om de verschillende onderdelen in hun samenhang te verstaan. Men dit doen door de hele passage te verstaan als een uitwerking van wat Paulus eerder schreef in 1:6. Daar raadde hij Timoteüs aan ‘om het vuur aan te wakkeren van Gods genadegave, die in u is door de oplegging van mijn handen’. Dat aanwakkeren van het vuur gebeurt dan doordat Paulus in zijn verbeelding opnieuw zijn handen op het hoofd van Timoteüs legt en hem met zoveel woorden machtigt om zijn werk in de Messiaanse gemeente te doen. Hij vernieuwt de opdracht in het zicht van zijn eigen dood en hoopt dat daardoor nog eenmaal het vuur van de Geest zal oplaaien. Zo laat zich 2:1 – 4:8 lezen als een geïmproviseerde en wat uit de hand gelopen formule bij de bevestiging in het ambt. Deze leeswijzer geeft zin aan de samenhang. We horen voor en na hoe de leerling in het werk wordt bevestigd en welke werkopdracht hij krijgt.

Met de inzet: ‘U dan, mijn kindstimuleert de schrijver de lezer om zich het persoonlijke ritueel te binnen te brengen. Hij vat de bevestigingsformule in twee korte zinnen samen: ‘Wees sterk door de genade van Christus Jezus en ‘Wat u van mij hebt gehoord, geef dat door (2:1-2). Dat zijn twee aspecten van de éne opdracht. De kandidaat wordt werknemer van zijn Heer en krijgt de opdracht voor zijn werk in de gemeente. Deze twee aspecten worden nu elk voor zich uitgewerkt.

In 2:3-13 wordt het eerste motief uitgewerkt, namelijk van het werknemerschap. Niet zonder humor wordt ‘het ambt’ van volgeling van Jezus Christus beschreven in termen van werknemerschap zoals dat van een soldaat, een beroepsatleet of een boerenarbeider. Het is geen vrij en evenmin een voornaam beroep. Het gaat van bloed, zweet en tranen. Het belangrijkste punt van overeenkomst is echter de financiële afhankelijkheid. Dat wordt pijnlijk duidelijk gemaakt. De ambtsdrager is geheel en al afhankelijk van het loon dat de werkgever uitkeert, op voorwaarde dat er goed werk geleverd wordt. Hoever die afhankelijkheid gaan, blijkt uit de toespitsing op Paulus’ eigen situatie, zijn eerloze gevangenschap en zijn aanstaande dood. In die situatie is het beroep op loon slechts te verwoorden door te verwijzen naar de deelname aan Jezus’ opstanding uit de doden. Dat loon is ongetwijfeld groot. Uit het geslacht van David staan koningen op – maar dan wel in Gods rijk. De bemoediging voor de volgeling is dus een blessing in disguise. De werkelijkheid van het nieuwe leven gaat niet buiten het lijden en de dood om.

In 3:10 – 4:8 wordt het tweede motief uitgewerkt, namelijk de opdracht voor het werk in de gemeente. Hier bereikt de handoplegging de climax. Tot viermaal toe prent Paulus de leeropdracht persoonlijk in: ‘U echter bent mij trouw gevolgd in mijn leer (3:10) en ‘Houd u dus aan de leer (3:14). Halverwege verheft hij zijn stem en roept: ‘Ik bezweer u: verkondig het woord’ (4:1-2). De vertaling ‘bezweren’ mag dan iets te dik zijn aangezet – het gaat om een getuigenis met het oog op het aanbreken van Gods rijk -, de bedoeling is duidelijk. De kandidaat krijgt door de handoplegging de opdracht om leraar te zijn en daar niet meer onderuit, ongeacht tegenwerking. Ten slotte wordt die opdracht kort en goed geformuleerd: ‘Maar u… doe het werk van een evangelist (4:5). In deze vier uitspraken komt de opdracht van de voorganger op verschillende wijzen aan de orde. Het gaat achtereenvolgens om: trouw aan de paulinische traditie (inclusief de vervolging en het lijden), trouw aan de Joodse traditie in de handhaving van het Thora-onderwijs, verantwoordelijkheid nemen om de leeropdracht uit te voeren en ten slotte: bevestiging in het werk in het onderwijs. Deze verlening van de opdracht wordt afgesloten met de schrijnende herinnering aan het feit dat het nu echt aankomt op Timoteüs. De tijd van Paulus is voorbij. Terwijl de leraar zijn leerling de handen oplegt geeft hij hem voor het laatst de zegen.

De zaak waarom het gaat 2:14 – 3:9

De woorden waarmee Timoteüs opnieuw in zijn werk wordt bevestigd zijn op de persoon gericht. Ze wijzen hem enerzijds op zijn positie als werknemer van de Messias en anderzijds op zijn werkopdracht jegens de gemeente. Maar nu wordt de presentatie van deze beide persoonlijke aspecten onderbroken door een lange waarschuwing van andere aard. In de centrale passage van de brief gaat het om het leerproces van de gemeente. De vraag is: hoe functioneert het woord en de kennis van de waarheid (2:15,18,25; 3:7,8) in de gemeente, onder de toehoorders, de gelovigen, zij die de naam van de Heer aanroepen (2:14,19,22). Het is de taak van Timoteüs om de gemeente in herinnering te brengen hoe ze dient om te gaan met haar kennis, juist als die wordt aangevochten (2:14-18). Daartoe moet hij een duidelijk beeld hebben van de gemeente als een ‘groot huis’ met een ‘onwrikbaar fundament’ (2:19-21). Hij moet ook helderheid hebben van de pastorale rol van de leraar in de gemeente (2:22-26). En bovenal moet hij een kritisch zicht hebben op de tijd waarin de gemeente leeft (3:1-9). Al deze zaken komen nadrukkelijk aan de orde. De manier echter waarop over het leren van de gemeente wordt gesproken is niet theoretisch. Er wordt geen doctrine ontvouwd. De meeste aandacht gaat uit naar de houding waarin men met de kennis omgaat. Het gaat niet om de theorie op zich, maar om de praxis, waarin men doet wat men leert.

Opstanding

De kwestie van de praktische kennis blijkt in de gemeente zeer omstreden te zijn. Het twistpunt betreft de ‘opstanding’ (2:14-18). Dat is binnen het kader van deze brief van meet af aan de orde geweest. Vanaf de eerste regels werd reeds gezinspeeld op ‘het leven dat in Christus Jezus is’ (1:1), ‘die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven heeft laten oplichten’ (1:10), kortom ‘die uit de doden is opgestaan’ (2:8). De inclusieve betekenis van deze kennis werd duidelijk in de woorden: ‘als wij met hem gestorven zijn, zullen wij met hem leven’ (2:11). Opstanding is een begrip dat niet alleen terugwijst naar de opstanding van de Messias, maar ook vooruitwijst naar de opstanding van de zijnen. Het impliceert ook zijn verschijning als rechter in het eind der tijden (4:1,8). In die zin men ‘opstanding’ verstaan als een ander woord voor Gods koninkrijk (4:1,18). Het is precies deze notie waarmee Paulus door de hele brief heen Timoteüs wil inspireren om moed te houden in de verdrukking. Geen wonder dus dat deze kwestie hoog opgenomen wordt in het hart van de brief. Paulus wil zó over de ‘opstanding’ spreken dat het de verwachting van Gods toekomst open houdt. Alleen zó is het een woord dat hoop geeft in de huidige verdrukking. Het geeft moed om door te zetten in het aangezicht van de dood. Daarom verzet hij zich tegen de opvatting, ‘dat de opstanding reeds heeft plaats gehad’ (2:18). Volgens hem wordt het vertrouwen van de gemeente ondermijnd door te stellen dat de opstanding reeds geschied zou zijn en dus reeds werkelijkheid zou zijn. Zijn argumentatie laat zich raden. Wanneer de wereld werkelijk reeds verlost was zag ze er hier wel verloster uit en dan was er geen lijden meer op aarde. Dan hoefde er ook niet meer gevochten te worden voor gerechtigheid. Wanneer het verhaal van Jezus wordt vertaald in termen van ‘het is geschied’, dan gaat alle spirit eruit. Dan grijpt men vooruit op de vervulling en neemt de bittere ervaring van deze dagen niet meer serieus. Het probleem is nu, dat de gemeente blijkbaar wordt äängesproken door de boodschap dat de opstanding reeds is geschied. Het ‘ziekt’ door de gemeente heen. De vertegenwoordigers van deze boodschap hebben naam gekregen. Hymeneus en Filetus spelen zo te horen een voorname rol. Hun verkondiging zal dan ook wel zo overtuigend zijn geweest dat er voor de hoorders geen vinger tussen te krijgen is: het rijk Gods is aangebroken! Wat is er eigenlijk tegen deze profetische visie in te brengen? De eindtijd is toch aangebroken? Dat is toch de tijd waarin de gemeente leeft?

Crisis

Paulus heeft iets in te brengen tegen deze visie op de tijd: het is onkritische kennis. Kennis van de eindtijd betekent nu juist kennis van de crisis, waarin onze tijd verkeert: ‘Besef wel dat er in de laatste dagen moeilijke tijden zullen aanbreken’ (3:1-9). De mensen worden in tijden van crisis ongeduldig en onverzoenlijk jegens elkaar. Het verwarrende is dat dit ongeduld de schijn aannemen van de godvruchtige overtuiging dat het rijk Gods is aangebroken. Het ongeduld krijgt dan een religieuze lading. Moed slaat om in arrogantie en dat is het bederf van het beste. De leraren die zo bevlogen optreden vinden intussen wel toegang bij de mensen, althans bij goedgelovige lieden. Ze fascineren hun publiek met extreme denkbeelden. Hun manier van onderricht geven wordt in de vertaling getekend met de woorden, dat ze ‘onverstandige vrouwen inpalmen’. Dat riekt naar vermaak over het domme blondje. Het gaat echter om onderwijs waardoor de hoorders mentaal gevangen genomen worden. De slachtoffers vindt men onder de maatschappelijk zwakke, snel beïnvloedbare mensen, die hier cynisch (zij het met weinig goede smaak) aangeduid worden als ‘mutsen’. Het optreden van de mannelijke profeten is ongetwijfeld betoverend, zoals dat van de tovenaars van de Farao, die in de traditie Jannes en Jambres genoemd worden. Die konden precies wat Mozes ook kon. Ze deden zich tijdelijk met succes voor als zijn dubbelgangers. Maar vroeg of laat vallen zulke genieën toch door de mand.

Stand houden in het huis van de gemeente

De vraag is nu hoe Timoteüs zich als voorganger in de gemeente moet opstellen tegenover zulke succesvolle dubbelgangers van het evangelie, zonder in paniek te raken en in de verdediging te gaan. Daar is om te beginnen enige verbeeldingskracht voor nodig. Hij stelle zich voor dat de gemeente is als een ‘groot huis’ (2:19-21). Dat huis staat en valt met de zekerheid dat God zelf weet wie zijn woord spreekt en doet. Daar hoeft Timoteüs zich dus geen zorgen over te maken. Zijn zorg moet zijn of de gemeenteleden opkomen voor gerechtigheid en zich distantiëren van onrecht. In dat grote huis komen sommigen heel voornaam en duur over, maar dat zegt niets. In dit huis zijn alleen die mensen van dienst die zich ver houden van onrecht. Dat kunnen economisch gezien ‘goedkope’ mensen zijn, zoals de eerder genoemde soldaat, atleet en boerenarbeider.

Met dit beeld voor ogen Timoteüs ondanks alle conflicten een goede pastor voor de hele gemeente zijn (2:22-26). Hij hoeft niet in jeugdige overmoed in debat te gaan over de ‘opstanding’. Daarmee wordt de spanning alleen maar opgevoerd. Zijn taak is het om met de hele gemeente te streven naar gerechtigheid. Dat ontnuchterend werken.

Opstaan tegen en instaan voor

De teneur van het centrale deel van de brief is om ‘woordentwisten’ over de opstanding te vermijden (2:14). Maar dat verhindert de schrijver niet om zich te wagen aan een subtiel woordenspel met de werkwoorden als staan, instaan, opstaan, opstellen. In een letterlijke vertaling zou de lijn van dit woordspel als volgt lopen: Twist niet over de opstanding, maar ‘sta in’ voor God (2:15) en ‘houd afstand van’ het geredeneer (2:16). Vertrouw erop dat Gods fundament ‘staat’ en ‘houd afstand van’ ongerechtigheid (2:19). En als er door de ‘tegen-standers'(2:25) zware tijden ‘ontstaan'(3bedenk dan dat ze ‘opstaan’ tegen de waarheid, zoals Farao’s tovenaars voorheen ‘opstonden’ tegen Mozes (3:8). Door dit woordspel wordt de discussie over de opstanding uit de sfeer van de theoretische discussie gehaald en onmiddellijk verbonden met de vraag: waar sta je voor? Die vraag wordt Timoteüs aan het hart gelegd.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken