Titus Brandsma: de ander ruimte geven
Over waardigheid, gemeenschap en rechtvaardigheid
Een gemeenschap leeft van beelden. Van verhalen over haar oorsprong, van gedeelde herinneringen en verwachtingen, van voorstellingen van wat haar leden met elkaar verbindt. Zonder zulke beelden bestaat er geen ‘wij’. Maar wat gebeurt er wanneer een gemeenschap gaat geloven dat haar beeld volledig samenvalt met de werkelijkheid? Wanneer zij niet alleen zegt wat mensen met elkaar delen, maar ook bepaalt wie zij ten diepste zijn?
Titus Brandsma kende de vernietigende uitwerking van zo’n gemeenschap. In het nationaalsocialisme werden mensen ondergeschikt gemaakt aan een beeld van ras, volk en staat. Wie niet in dat beeld paste, werd uitgesloten en uiteindelijk vernietigd. Het ligt daarom voor de hand Brandsma te gedenken als verdediger van de menselijke waardigheid tegenover een onmenselijke ideologie. Toch blijft daarmee nog buiten beeld waarop die waardigheid volgens hem berustte. Brandsma stelde tegenover de nationaalsocialistische volksgemeenschap niet eenvoudig het autonome individu dat zelf bepaalt wie het is. Zowel het afgesloten individu als het allesomvattende collectief schoot volgens hem tekort.
Om zijn opvatting van waardigheid te begrijpen, moeten we daarom niet beginnen bij zijn verzet, maar bij zijn mystiek. In de grond van ieder menselijk bestaan, zo was zijn overtuiging, gebeurt iets wat wij niet zelf tot stand brengen: daar woont en werkt God.
Om zijn opvatting van waardigheid te begrijpen, moeten we daarom niet beginnen bij zijn verzet
Meer dan het absolute ik
In zijn rectorale rede Godsbegrip uit 1932 stelde Brandsma de vraag welk beeld van God in zijn tijd opnieuw verstaanbaar kon worden. Hij zag hoe het moderne denken zich steeds meer had afgesloten in het menselijke subject. Het ik beschouwde zichzelf als het middelpunt van de werkelijkheid. Toch meende Brandsma ook een tegengestelde beweging te herkennen. De moderne mens kreeg meer oog voor verhoudingen en betrekkingen, voor de kosmos waarvan hij deel uitmaakt en voor de onderlinge afhankelijkheid van mensen.
Brandsma verwelkomde deze ontdekking van het sociale. Zij bevrijdde de mens uit wat hij de ‘verafgoding en aanbidding van het absolute ik’ noemde. Maar hij zag onmiddellijk ook het gevaar. Gemeenschapszin kon ontaarden in ‘collectief egoïsme’.

Collectieve mens
Het individu werd dan wel uit zijn isolement gehaald, maar slechts om op te gaan in een onpersoonlijk geheel. Over het communisme schreef Brandsma dat het een collectieve mens wilde voortbrengen en ‘den onpersoonlijken al-mensch over den individueelen’ liet zegevieren (Brandsma 1932/1, 24-25).
Daarmee bevinden we ons in het hart van zijn mensbeeld. De mens is geen autonoom atoom, maar evenmin een exemplaar van een ras, klasse of volk. Hij leeft in betrekkingen die hem mede vormen, maar valt nooit volledig met die betrekkingen samen. Noch het individu zelf, noch de gemeenschap waartoe het behoort, bezit het laatste woord over wie deze mens is.
Hij leeft in betrekking die hem mede vormen, maar valt nooit volledig met die betrekkingen samen
God woont in ons
Dat laatste woord komt toe aan God. Het aantrekkelijkste element van het godsbeeld dat Brandsma voor zijn tijd zocht, was voor hem de gedachte ‘dat God in ons woont’. God is ons nabij in alles wat bestaat, maar, schrijft hij, ‘Hij is tenslotte nergens beter voor ons kenbaar dan in den grond van ons wezen’ (Brandsma 1932/1, 27,32). Mystiek begint daarom niet met een vlucht uit de wereld. Zij begint waar de mens leert zien dat zijn bestaan rust in een werkelijkheid die hij niet zelf heeft voortgebracht.
Daar ligt ook de grond van zijn waardigheid. Die waardigheid is niet allereerst een eigenschap waarover de mens beschikt. Zij berust juist op een verhouding waarover hij niet beschikt. In de grond van zijn bestaan behoort de mens niet aan zichzelf, maar aan God. Daarom kan hij ook nooit volledig toebehoren aan een staat, een volk of een ideologie.
Wanneer het beeld de werkelijkheid opeist
Mensen en gemeenschappen kunnen niet zonder beelden. Wij hebben beelden nodig om de werkelijkheid te herkennen en ons ertoe te verhouden. Ook beelden van God zijn voor Brandsma noodzakelijk. Maar geen enkel beeld valt volledig samen met de werkelijkheid waarnaar het verwijst. Wie dat verschil vergeet, verandert een beeld in een ideologie.
Precies dat zag Brandsma in het nationaalsocialisme gebeuren. Ras, bodem en volk werden er niet langer beschouwd als werkelijkheden die mensen mede vormgeven. Zij werden tot de allesbepalende waarheid over de mens verheven. De staat beschermde niet langer de maatschappelijke ruimte waarin mensen leven, leren en verantwoordelijkheid dragen. Hij eigende zich die ruimte toe en maakte onderwijs, pers en religie ondergeschikt aan één wereldbeschouwing (Brandsma Nationaal-socialisme, passim).
Ras, bodem en volk werden er niet langer beschouwd als werkelijkheden die mensen mede vormgeven
Het nationaalsocialisme
Het nationaalsocialisme was daarom niet eenvoudig een gebrek aan gemeenschap. Het riep juist een buitengewoon sterk gevoel van saamhorigheid op. In zijn colleges merkte Brandsma scherpzinnig op dat saamhorigheid in een autoritaire staat een ‘gedwongen, een opgelegd karakter’ kan krijgen. Mensen passen zich aan, laten zich een identiteit opleggen en gaan die vervolgens als hun eigen diepste waarheid beleven (Brandsma Nationaal-socialisme, 8).
Een onderdrukkende gemeenschap hoeft er dus niet uit te zien als een samenleving die uit elkaar valt. Zij kan zich ook tonen als een overweldigend ‘wij’ dat geen afwijking meer verdraagt. Haar onrecht bestaat erin dat zij mensen volledig laat samenvallen met de plaats die zij hun toewijst.
Brandsma zag hetzelfde mechanisme in het antisemitisme. In zijn korte tekst De waan der zwakheid uit 1935 legde hij een verband tussen Jodenhaat en afgunst. De vervolging van Joden kwam volgens hem niet voort uit werkelijke kracht, maar uit het onvermogen de levenskracht en weerbaarheid van de ander te verdragen (Brandsma 1935/1, 6-7). Een gemeenschap die onzeker is over zichzelf, probeert de ander kleiner te maken om haar beeld van zichzelf te redden. Het vertoon van kracht verraadt dan juist een innerlijke zwakte.
Onrecht ontstaat hier niet pas wanneer de ander iets wordt afgenomen. Het begint eerder: op het ogenblik waarop wij menen te weten wie de ander is. De concrete mens verdwijnt achter het beeld dat wij van hem hebben gemaakt.
Het begint op het ogenblik waarop wij menen te weten wie de ander is
Zien zonder te bezitten
Tegenover dit ideologische kijken staat bij Brandsma de contemplatie. Contemplatie betekent het geheel proberen te zien zonder te menen dat men het geheel bezit. Zij houdt het verschil open tussen onze beelden en de werkelijkheid. Daardoor is zij niet alleen een religieuze oefening, maar ook een maatschappelijke deugd.
Wie contemplatief leert kijken, doet meer dan zich van een oordeel onthouden. Hij erkent dat de werkelijkheid zich altijd vanuit meerdere kanten toont. Brandsma gebruikte daarvoor graag het beeld van een diamant. De diamant is één, maar zijn glans verschijnt in vele facetten. Geen enkele zijde is onwerkelijk, maar ook geen enkele zijde is het geheel. Eenheid ontstaat niet doordat één facet de andere verdringt, maar in hun samenklank (Brandsma 1932/2, 2-16).
Hetzelfde geldt voor gemeenschap. Werkelijke gemeenschap ontstaat niet doordat verschillen verdwijnen, maar waar mensen het geheel vanuit verschillende posities zichtbaar maken. Zij vraagt om verbinding, maar ook om terughoudendheid. Een gemeenschap moet mensen kunnen vormen zonder te menen dat zij hen volledig kan maken.
Liefde tot elkander
In een korte tekst voor zijn medebroeders, Liefde tot elkander, wordt die gedachte verrassend concreet. Brandsma roept op tot medeleven en belangstelling, maar waarschuwt meteen voor ‘hinderlijke belangstelling’. Men moet rekening houden, schrijft hij, met ‘de geslotenheid van bepaalde karakters’. Liefde dringt niet binnen in de ander onder het voorwendsel dat zij weet wat goed voor hem is. Zij kan ook afstand bewaren.
Vervolgens schrijft Brandsma: ‘Er op studeeren, elkander te dienen. Zoo de sfeer scheppen, waarin we allen heilig worden’(Brandsma 1929). Gemeenschap is hier geen voltooid geheel waaraan de leden zich moeten aanpassen. Zij is een sfeer die mensen voor elkaar scheppen. In die ruimte kan ieder groeien naar een bestemming die de gemeenschap niet zelf heeft bedacht.
Daarom leidt de mystieke ontdekking van Gods inwoning bij Brandsma niet tot een afgesloten innerlijkheid. In Godsbegrip schrijft hij dat de mens door God niet alleen met God, maar ook met alle andere mensen verbonden wordt. Uit het bewustzijn van Gods inwoning moeten ‘daden van dienst’ voortkomen. De ander is mij niet vreemd, omdat ook hij zijn oorsprong en bestemming in God vindt. Maar juist daarom kan ik hem niet toe-eigenen. Wij zijn met elkaar verbonden in een werkelijkheid die geen van ons beiden bezit (Brandsma 1932/1, 32-33).

Wij zijn met elkaar verbonden in een werkelijkheid die geen van ons beiden bezit
Rechtvaardigheid als levensruimte
Vanouds wordt rechtvaardigheid omschreven als de deugd die ieder het zijne geeft. Vanuit Brandsma kunnen we die omschrijving verdiepen. ‘Het zijne’ is niet alleen wat iemand bezit of waarop hij recht heeft. Het is ook de mogelijkheid om meer te zijn dan de plaats die anderen hem hebben toegewezen.
Die mogelijkheid ontvangt de mens niet van de gemeenschap. De gemeenschap verleent hem zijn waardigheid niet. Zij kan slechts erkennen en beschermen wat aan haar voorafgaat: dat in deze concrete mens een verhouding tot God werkzaam is die zij niet heeft voortgebracht en waarover zij niet kan beschikken.
Rechtvaardigheid betekent dan dat wij de ander niet opsluiten in ons beeld van hem. Zij vraagt dat we ruimte laten tussen de persoon en onze maatschappelijke, politieke en zelfs religieuze categorieën. Dat betekent niet dat wij zonder oordeel of zonder gedeelde normen kunnen leven. Het betekent wel dat ieder oordeel beseft dat de concrete mens méér is dan wat wij op dit ogenblik van hem kunnen zien.
Een rechtvaardige gemeenschap is daarom niet een gemeenschap zonder verschil of conflict. Zij is een gemeenschap die sterk genoeg is om verschil te verdragen. Zij schept levensruimte: plaatsen waar mensen leren zien, spreken, oordelen en verantwoordelijkheid dragen. Voor Brandsma waren onderwijs, journalistiek, verenigingsleven en religieuze gemeenschappen zulke plaatsen. Juist daarom verzette hij zich tegen de nationaalsocialistische toe-eigening ervan.
Zij is een gemeenschap die sterk genoeg is om verschil te verdragen
Zijn rondgang langs de katholieke kranten, die uiteindelijk tot zijn arrestatie leidde, was dan ook meer dan een actie tegen nationaalsocialistische advertenties. Brandsma verdedigde er de eigen verantwoordelijkheid van de journalistiek. De pers mocht geen verlengstuk worden van een staat die bepaalde wat mensen mochten zien en denken (Hemels 2008; Bocken 2024). Zijn verzet was de praktische consequentie van zijn mystiek: de waarheid kan niet door macht worden voortgebracht en het geweten kan niet door de staat worden overgenomen.

De verleiding van de sterke man
Brandsma’s waarschuwing behoort niet alleen tot de jaren dertig. Ook vandaag groeit het verlangen naar sterke leiders die beloven de afstand tussen ons beeld van de samenleving en haar weerbarstige werkelijkheid met één krachtige beslissing te overbruggen. Zij zeggen wie ‘wij’ werkelijk zijn, wie bij ons hoort en wie ons bedreigt. Waar politiek en samenleving ingewikkeld en onbeheersbaar lijken, biedt de sterke man de geruststelling van één beeld en één wil.
In zijn rede Heldhaftigheid keerde Brandsma zich al tegen een cultuur die kracht verwart met het vermogen anderen te beheersen. Werkelijke kracht zag hij in mensen die hun geweten vrijhouden, de aangevallene beschermen, van macht en bezit kunnen afzien en zelfs in de tegenstander een mens blijven zien (Brandsma 1935/2).
Misschien ligt daarin ook voor onze tijd de politieke betekenis van rechtvaardigheid. Een gemeenschap bewijst haar kracht niet doordat zij alle verschillen onder één wil verenigt. Zij is sterk wanneer zij de werkelijkheid niet hoeft te dwingen om aan haar zelfbeeld te beantwoorden. Rechtvaardigheid betekent dan niet alleen dat ieder zijn toegewezen plaats krijgt, maar vooral dat niemand wordt opgesloten in de plaats die wij hem toewijzen.
Inigo Bocken (1968) is hoogleraar mystieke theologie aan de KU Leuven, UHD aan de Radbouduniversiteit en wetenschappelijk medewerker van het Titus Brandsma Instituut. In 2024 schreef hij Denker voor Gods aangezicht. Intellectuele biografie van Titus Brandsma.
Wie was Titus Brandsma?
Titus Brandsma (1881–1942) was een Nederlandse karmeliet, filosoof en hoogleraar, en een van de oprichters van de Katholieke Universiteit Nijmegen, de huidige Radboud Universiteit. Hij hield zich intensief bezig met mystiek en spiritualiteit en speelde daarnaast een belangrijke rol in de katholieke journalistiek. Tijdens de Duitse bezetting verzette hij zich tegen de nationaalsocialistische beïnvloeding van de katholieke pers. Begin 1942 werd hij gearresteerd en via verschillende gevangenissen naar concentratiekamp Dachau gebracht, waar hij op 26 juli 1942 om het leven kwam. Brandsma werd in 1985 zaligverklaard en in 2022 door paus Franciscus heiligverklaard. Zijn betekenis ligt niet alleen in zijn verzet tegen het nationaalsocialisme, maar ook in de wijze waarop hij spiritualiteit, intellectuele vorming en maatschappelijke verantwoordelijkheid met elkaar verbond.
Literatuur
- Inigo Bocken, Denker voor Gods aangezicht. Titus Brandsma – intellectuele biografie (Amsterdam: Boom, 2024).
- Titus Brandsma, Liefde tot elkander, ongedateerde notities voor een huiskapittel, waarschijnlijk geschreven tijdens zijn prioraat in Nijmegen, 1929–1932, Nederlands Carmelitaans Instituut, archiefnummer OP89.49; digitale kritische editie: Liefde tot elkander (1929/2)
- Titus Brandsma, Godsbegrip. Rede uitgesproken op den Dies Natalis der R.K. Universiteit te Nijmegen, 17 october 1932 (Nijmegen/Utrecht: Dekker & Van de Vegt, 1932/1)
- Titus Brandsma, Het begrip wijsbegeerte, voordracht gehouden tijdens de Eerste Filosofische Week te Nijmegen in 1932, in Verslag van de eerste filosofische week te Nijmegen (Nijmegen: Dekker & Van de Vegt, 1932/2)
- Nationaal-Socialisme, ongedateerd, Nederlands Carmelitaans Instituut, archiefnummer OP80.09; digitale kritische editie: Nationaal-Socialisme.
- Titus Brandsma, ‘De waan der zwakheid’, in Stemmen van Nederlanders over de behandeling der Joden in Duitschland, uitgave van het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen (1935/1)
- Titus Brandsma, Heldhaftigheid, rede gehouden voor de Dies van de Rooms-Katholieke Studentenvereniging te Groningen, 24 februari 1935; digitale kritische editie: Heldhaftigheid. 1935/2
- Joan Hemels, Als het goede maar gebeurt. Titus Brandsma, adviseur in vrijheid en verzet (Kampen: Kok, 2008)