Menu

Premium

Titus

Verlof voor een winter aan zee

De volgende brief verplaatst de lezer weer terug in de tijd dat Paulus zich nog als vrij man kon bewegen. De brief begint keurig met de adressering en wordt afgesloten met een zakelijk verzoek en de groeten. De eerste en de laatste vier regels van de brief vormen als het ware de enveloppe. Maar die enveloppe geeft wel enige informatie over de inhoud. Ze geeft in ieder geval aan waarom deze brief nodig is.

Uit het slot van de brief (3:12-15) blijkt dat Paulus zijn medewerker Titus verzoekt om zijn gezelschap te delen gedurende de komende wintermaanden. Paulus organiseert een

Overzicht van de brief aan Titus

Adressering

1:1-4

I

Zorg voor respectabele leiding,

1:5-9

want die moet de identiteit van de gemeente bewaken.

1:10-16

II

Werk aan gezonde verhoudingen tussen de gemeenteleden,

2:1-10

want dat is goed voor alle mensen in de samenleving.

2:11-15

III

Toon respectvolle houding jegens mensen en machten in de samenleving,

3:1-2

want God toont zijn liefde jegens alle mensen.

3:3-7

Drie vuistregels

3:8-11

Verzoeken en groeten

3:12-15

verblijf in een havenstad aan de westkust van Griekenland, Nikopolis, en heeft blijkbaar behoefte aan tussentijds stafberaad met één of meer van zijn medewerkers. Titus kan echter niet zomaar komen. Hij is in opdracht van Paulus verbonden aan de vele stadsgemeentes op het eiland Kreta. Hij is daar speciaal achtergebleven om in het hele gebied het opbouwwerk te coördineren. Een langdurige onderbreking van dit werk is ongewenst. Als hij zomaar een winter aan zee doorbrengt, hoe moet het dan met het winterwerk van de gemeentes? Paulus heeft daarom vervangers op het oog, al aarzelt hij nog tussen de betrekkelijk onbekende Artemas of de meer vertrouwde Tychikus. Maar het is duidelijk dat zijn verzoek een hele ingreep is in de gang van zaken van veel gemeentes. De vervanging zal zeker ook geld kosten. Daar komt nog iets bij. De brief is – zo neemt men wel aan – overgebracht door twee christelijke Thora-geleerden op doorreis, Zenas en de fameuze Apollos. Paulus beveelt nu in één adem deze twee reizigers bij Titus aan en vraagt of de gemeentes hen tijdelijk willen ontvangen en verder bijdragen aan hun reis- en verblijfkosten. Welnu, voor het één en ander zullen de gemeentes gemotiveerd moeten worden. De directe aanleiding voor de brief is dus om Titus en de gemeentes duidelijk te maken dat ondersteuning voor de kerkelijke arbeid die boven het directe plaatselijke belang uitgaat een ‘goed werk’ is dat tot haar verantwoordelijkheid behoort.

Maar er is nog een dieper liggende aanleiding. In de eerste regels van de brief (1:1-4) wordt er reeds op gezinspeeld, maar bij het doorlezen van de brief krijgt men het onomwonden te horen. Het optreden van Paulus en zijn medewerkers roept in Joodse kringen verzet op. Het pleidooi voor een christelijke spiritualiteit, waar Joden en niet-Joden elkaar vinden in één gemeente, botst met een bepaalde, exclusieve tendens in de Thora-uitleg, die gericht is op het zuiver bewaken van de bijzondere Joodse identiteit. Dat raakt ‘het gemeenschappelijk geloof van alle betrokkenen. Op welke duurzame toekomst heeft men hoop gevestigd? Is dat de redding van Israël of van heel de mensheid? En hoe krijgen nietJoden dat te horen? De kwestie raakt uiteindelijk God zelf. Heeft God soms gelogen, toen hij voor Israël koos? Hoe betrouwbaar is Paulus als leraar en is Titus wel zijn legitieme leerling, zijn ‘wettig kind’? Met deze zinspelingen op het conflict wordt wel duidelijk hoe aangevochten de zaak van Paulus is. Wanneer hij dan ook nog met ingrijpende maatregelen komt, is het wel tijd voor een verhelderende brief. Er is reden om alle betrokkenen te herinneren aan de oorspronkelijke opdracht voor het gemeentewerk. Het is dan ook een open brief. Hij is weliswaar geadresseerd aan Titus, maar eindigt met de zegen: ‘De genade zij met u allen.’

Bespreking

De opdracht voor het gemeentewerk

De brief – tussen de adressering en de groeten – is geheel gewijd aan de opdracht die Titus kreeg voor zijn opbouwwerk in de stadsgemeenten van Kreta. Deze opdracht wordt samengevat in drie aandachtspunten: de leiding, de gemeente en de samenleving. Aan elk punt is een hoofdstuk gewijd. De brief heeft daardoor een overzichtelijke opbouw gekregen, zoals blijkt uit het hiernaast staande overzicht.

De drie aandachtspunten worden in onze ogen wel heel kort door de bocht geformuleerd.

Er wordt geen theorie geboden over het ‘wezen’ van macht, gemeente en samenleving, maar de betrokkenen worden dadelijk aangesproken op hun praktische levenshouding. Met enkele reeksen trefwoorden wordt die levenshouding beschreven en beoordeeld. Is de leiding respectabel? Zijn de verhoudingen in de gemeente gezond? En stelt de gemeente zich met respect op in de samenleving? Daar komt het blijkbaar op aan. Alle aandacht wordt door deze praktische blik samengetrokken tot op de leefwijze van de betrokkenen. Er lijkt geen diepere zin te zijn dan het ‘zijn-in-de-daad’.

Toch blijft het niet bij deze morele aanspraak. Bij elk aandachtspunt wordt aanvullend de vraag gesteld: waarom is deze aandacht nodig? Wie vraagt erom en wat drijft de gemeente ertoe? Deze kritische overwegingen vormen tezamen de motivatie van de opdracht. Ze geven aan de brief een geheel eigen dynamiek. De gedachtegang beweegt zich langs de volgende lijnen. 1) Krachtige leiding is nodig om het leerproces van de gemeente te kunnen aansturen. Ze zich namelijk zo in zichzelf opsluiten, dat ze alleen nog maar interesse heeft voor het zuiver houden van de eigen identiteit en daarbij anderen buitensluit. 2) Een gezonde wijze van leren echter richt zich op het belang van goede verhoudingen tussen de gemeenteleden. Dat is niet alleen in hun eigen belang, maar daar hebben alle mensen wat aan. De gemeente van Jezus Christus leeft immers van Gods genade en dat is een ‘bron van redding voor alle mensen’. 3) Dat is dan ook de reden om de samenleving met respect te benaderen in de geest van de ‘mensenliefde van God’. Dat respect komt echter niet vanzelf. De argwaan jegens de samenleving en de binding aan de eigen groep en de neiging tot zelfrechtvaardiging zit diep in ons. Het vergt een veranderingsproces dat van God zelf uitgaat. De motivatie voor het werk in de gemeente wordt geboren in de vernieuwingsbeweging van de heilige Geest.

Nadat deze drie aandachtspunten zijn besproken wordt de gedachtegang nog eenmaal toegespitst in drie vuistregels.

  • Goed werk leveren, waar alle mensen in de samenleving wel bij varen.

  • Discussies over de traditie van de eigen minderheid hebben geen zin.

  • Wie met dergelijke discussies tweedracht zaait moet je de rug toekeren.

DE DRIE AANDACHTSPUNTEN: LEIDING, GEMEENTE, SAMENLEVING

I – Zorg voor respectabele leiding … 1:5-9

Wie de leiding heeft in de gemeente – en die wordt in een patriarchale maatschappij gerekruteerd uit de oudere mannen – wordt beoordeeld op communicatieve eigenschappen. precies te zijn: hoe betrouwbaar is men in de omgang? Wie onzorgvuldig is in intieme, huiselijke relaties, verdient geen gezag (1:6). Daar moet op gelet worden. In een reeks criteria wordt een onderscheid gemaakt tussen aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag (1:79). De nadruk ligt daarbij toch wel op het vermogen om het leerproces van de gemeente aan te sturen (1:9). Dat is de hoofdtaak van de leider.

-…want die moet de identiteit van de gemeente bewaken 1:10- de identiteit van de gemeente zit het probleem. Leren is leren leven volgens de Thora. Joodse gemeenteleden zijn er van huis uit mee vertrouwd. Nu probeert de christelijke gemeente een leefwijze te ontwikkelen die ook voor niet-Joden te doen is. Maar juist dat leidt tot heftige confrontatie met een Thora-uitleg in de vorm van verhalen en voorschriften die de oorspronkelijke Joodse identiteit zuiver willen houden. Precies daar moet de leraar alert worden, want die zuiverheid, die ‘reinheid’, sluit anderen uit (1:15). Paulus, die als Jood dit mechanisme van binnen uit kent, probeert met een harde grap door de weerstand heen te komen. Hij speelt met een citaat, waarin een oude Griekse dichter op sappige wijze de identiteit van de Kretenzers neerzet: ‘Kretenzers zijn vette liegbeesten’. Met zo’n typering zou hij zich als Jood vrolijk kunnen maken over die heidenen: lees maar, ze zeggen het zelf. Maar Paulus draait het om en zegt: het slaat net zo goed op ons Joden. Zolang als wij slechts gericht zijn op eigen belang en eigen zuiverheid zijn we geen haar beter dan die Kretenzers. Als jullie dat nog niet door hebben, gedraag je je net zo afschuwelijk als de mensen die jullie verafschuwen. Wat je op die heidenen projecteert zegt iets over jezelf. Maar om dat te beseffen moet je een omkeer doormaken. Dat is de taak van de leraren. Dat is het doel van het leerproces.

II – Werk aan gezonde verhoudingen tussen de gemeenteleden … 2:1-10

Er wordt een schets gegeven van gezonde verhoudingen in de gemeenschap in termen die algemeen aanvaardbaar zijn en niet gericht op een minderheid alleen. Herhaaldelijk wordt daartoe opgeroepen om ‘bezonnen’ te zijn. Een heel algemeen woord. Goed te vertalen met: ‘je gezond verstand gebruiken’. Geen typisch bijbelse taal dus of een groepscode, geen oproep tot uitzonderlijk afwijkend gedrag waarmee je je onderscheidt van anderen. Gewoon doen is het meest menselijke wat je doen. Toch wordt hier ook weer niet in het algemeen over ‘de’ mens gesproken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen sekse, generaties en sociale status. Mannen en vrouwen komen afzonderlijk aan bod. Ook Titus staat niet boven die verhoudingen. Hij hoort bij de mannen, en dan nog wel bij de jongere mannen. (‘Oud’ en ‘jong’ staan hier overigens voor twee fasen van het volwassen leven; een veertiger staat op de overgang en krijgt dan toegang tot zwaardere verantwoordelijkheden in de samenleving.) Met het onderscheid naar sekse en generatie is het verhaal nog niet af. Ten slotte worden de slaven nadrukkelijk zichtbaar gemaakt binnen deze sociale kring.

De ongelijke machtsverhoudingen in deze samenleving komen ongegeneerd aan het licht, waarbij de oudere mannen voorop gaan en jonge vrouwen in de rol van huismoeders worden neergezet, die zich moeten ‘schikken naar’ hun man, zoals slaven naar hun meesters. De vertaling is overigens terecht ingehouden. Er wordt geen passieve onderwerping gevraagd, maar een houding om zich actief in te zetten voor de ander. Het is één ding om onrechtvaardige verhoudingen te rechtvaardigen, het is een ander ding om binnen de toenmaals gegeven verhoudingen zich betrouwbaar op te stellen. We letten hier op de laatste lijn.

Eerst worden dus de oudere mannen neergezet (2:2). Over hun eventuele onderwijzende taak hoeft het nu niet meer te gaan. Maar dat betekent niet alle anderen automatisch alleen maar hun leerlingen zijn en blijven. De richting van de instructie is nu juist dat de leerlingen zelf leraren worden. In de vertaling valt het niet zo op, maar letterlijk eindigt elk van de volgende vier instructies met een finale zin (‘opdat …’), waarin de gemeenteleden als ervaringsdeskundigen in het onderwijs worden aangesproken. Oudere vrouwen worden geacht zich waardig te gedragen (letterlijk als priesteressen), opdat ze ‘in staat zijn het goede te onderrichten’ (2:3), in het bijzonder als het gaat om leren vanuit het perspectief van vrouwen. Jongere vrouwen en jongere mannen kunnen door hun gedrag iets uitstralen, opdat de mensen geen kwaad woord over Gods woord zullen kunnen zeggen (2:5, 8).

Ook slaven worden opgeroepen te goeder trouw te handelen, opdat het onderwijs van God onze bevrijder bevorderd wordt (2:10). Kortom, alle gemeenteleden ontvangen onderwijs, opdat ze zelf op één of andere manier met woord of daad onderwijs zullen kunnen geven. Zo wordt een nieuwe gemeenschap opgebouwd.

-…want dat is goed voor alle mensen in de samenleving 2:11-15. Wat is de grond, waarop de nieuwe gemeenschap worden gebouwd? Welke rede, welke grondwet, welke wil is krachtig en overtuigend genoeg om dit experiment te wagen? Hier wordt een beroep gedaan op ‘genade’ (2:11). Het is een begrip in de sfeer van trouw en loyaliteit met een duurzaam karakter. De nieuwe maatschappij wordt gebouwd op genade. Dit begrip heeft een gezicht gekregen, het is de karaktertrek van de God van het volk Israël. Maar deze God heeft in de geschiedenis van Jezus Christus laten zien dat hij het oog heeft op de bevrijding (de ‘redding’, 2:11, 13, de ‘verlossing’, 2:14) van alle volken (‘alle mensen’, 2:11). De hoop op de bevrijding van de hele mensheid is de motivering om het experiment van een nieuwe gemeenschap te wagen. Dat gaat niet in één keer, het is een leerproces (2:12), waarin men gaandeweg afstand moet nemen van een genadeloos bestaan. Daarom begint de gemeente bij zich zelf. Zij ervan uitgaan dat de grond voor haar nieuwe bestaan is gelegd door de inzet van de Messias. Ze zich zelf verstaan als ‘zijn eigen volk, vol ijver voor goede werken’ (2:14). Ze is goed bezig als ze haar hoop gevestigd heeft op een genadige samenleving.

III – Toon respectvolle houding jegens mensen en machten in de samenleving … 3:1-2

De climax van de brief ligt in de wending naar het geheel van de samenleving. Als de gemeente goed bezig is, onttrekt ze zich niet aan de samenleving; ze ondermijnt haar niet, maar ze zet zich voor haar in. De samenleving, dat is niet alleen het bouwwerk van de grote structuren, de politieke ‘overheid’ en allerlei andere vormen van sociaal-economisch ‘gezag’ (3:1), maar dat is ook het netwerk van de persoonlijke relaties van ‘alle mensen’ (3:2). Voor de structuren hoefje niet vriendelijk te zijn, maar je er wel verantwoordelijk mee omgaan; de mensen hoef je niet blind te gehoorzamen, maar je wel zacht zijn voor elkaar. Tot zeven keer toe wordt deze houding in staccato ingeprent. -… want God toont zijn liefdejegens alle mensen 3:3-7. Waarom dit sociaal appèl? Er wordt eerst een negatief argument gegeven. Paulus noteert dat hij van binnenuit de sfeer kent waarin het belang van de eigen minderheid boven dat van het geheel van de samenleving wordt gesteld. Dat kweekt een houding van onverschilligheid, minachting en afgunst jegens anderen. Dat leidt tot een neerwaartse spiraal van haten en gehaat worden. Het is een vorm van verslaafd zijn aan het eigen belang, waaraan alles en iedereen wordt opgeofferd. Dat is geen basis voor gemeenschap. Tot zeven keer toe wordt deze negatieve houding als een waarschuwend voorbeeld in herinnering geroepen, alweer in staccato (3:3). Het ziet er naar uit dat we daarmee in een patstelling zijn geraakt.

Dan volgt het positieve argument, waarmee de impasse wordt doorbroken. In een brede, hymnische beweging wordt de verschijning bezongen van ‘de goedheid en de mensenliefde van God’ (3:4). Die heeft ons bevrijd uit deze neerwaartse spiraal. Gods geest heeft vernieuwing gebracht. De beweging van Jezus Christus is als een bad, waaruit men herboren opstaat (3:5, 6). Daardoor krijgen wij het recht op Gods erfenis voor deze wereld: een nieuw leven en een duurzaam bestaan (3 7).

De brief wordt inhoudelijk afgesloten met drie vuistregels voor de omgang met conflicten (3:8-11). Hier balt zich het praktische karakter van de brief nog eenmaal samen. Het komt neer op deze raad: stimuleren van goed werk, geen energie verliezen aan eindeloze discussies, negeren van negatief gedrag. Kort en goed, geheel in de stijl van iemand die bezig is met het ontwikkelen van pastoraal beleid.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken