Menu

Premium

Tomas twijfelt niet

2e zondag van Pasen (Johannes 20,19-31)

Het is een opvallend verschil tussen Johannes en de andere evangeliën: alleen Johannes maakt melding van de wonden van de Verrezene. Matteüs en Marcus zeggen daar niets over. Bij Lucas toont de Verrezene zijn handen en voeten (24,39-40), zoals Hij bij Johannes zijn handen en zijn zijde toont (20,20). Maar alleen Johannes noemt daarbij ook de wonden (20,25.27). De reden is dat Johannes op een heel eigen manier reageert op het in zijn tijd dominante ideaal van het mooie en ongeschonden lichaam. Als je dat weet, begrijp je Tomas beter.

Voor de elite van die tijd waren autonomie en het bewaren van je lichamelijke integriteit voorname deugden. Daarbij hoorde een ideaal en ongeschonden lichaam. Dat je jezelf vrijwillig zou laten mishandelen en zelfs kruisigen was onbestaanbaar, een skandalon en een dwaasheid, zoals Paulus terecht opmerkt (1 Kor. 1,23). In dit licht valt op dat de Verrezene bij Lucas weliswaar zijn handen en voeten toont, maar dat we toch niets lezen over wonden. Johannes doet het anders. Hij grijpt terug op het oude Griekse ideaal van een vriendschap, waarin je bereid bent te sterven voor je vrienden (Joh. 15,9-17). Johannes verbindt dit ideaal met het gegeven uit de intertestamentaire literatuur, dat je bereid bent te sterven voor de Tora, zoals de Makkabeese martelaren (2 Makk. 7, vgl. 4 Makk.).

Jezus, zelf het Woord, geeft zijn leven voor zijn vrienden. Zijn wonden – voor wie tegen Hem zijn het teken bij uitstek van een smadelijke dood – zijn voor zijn vrienden juist de merktekens (Gr.: tupoi) van een blijvende vriendschappelijke verbondenheid met de Vader.

De wonden aanraken?

In de eerste eeuwen blijft het ideaal van het ongeschonden lichaam dominant. Vroegchristelijke sarcofagen tonen Jezus als een gave, ideale jongeman. Pas in de vijfde en zesde eeuw komt de kruisiging in beeld, zoals op de deuren van de Santa Sabina in Rome, en in de Syrische Codex Rabbula. Toch ligt de nadruk dan nog niet op het lijden, maar op de verrijzenis. Vanaf de twaalfde eeuw worden de wonden steeds plastischer voorgesteld. Een hoogtepunt in deze ontwikkeling is Caravaggio’s schilderij waarop Tomas onderzoekend zijn vinger in Jezus’ zijde steekt. En dat is hoe wij gewend zijn over Tomas te denken: als hij niet zelf de wonden kan aanraken, zal hij niet geloven.

Toch zijn er ook schilders, zoals Rubens en Rembrandt, die Tomas alleen maar naar de wonden laten staren. Terecht, want er staat niet dat Tomas de wonden aanraakte. Heeft Tomas de wonden wel aangeraakt? In Johannes’ tijd gold ‘zien’ als voldoende bewijs. Zowel bij Lucas als bij Johannes nemen de leerlingen daar genoegen mee. En ook Tomas neemt uiteindelijk genoegen met alleen zien. Anders zou het ook lastig te begrijpen zijn, dat Jezus tegen Tomas zegt: ‘Omdat je gezien hebt, heb je geloofd’ (Joh. 20,29) en niet ‘Omdat je Mij hebt aangeraakt, heb je geloofd’. Maar wat kan dan de betekenis zijn van Tomas’ opmerking dat hij de wonden wil aanraken?

Invoegen in sterfelijkheid

Het is opvallend dat Maria Magdalena Jezus wil aanraken, maar het niet mag, terwijl Tomas juist daartoe wordt uitgenodigd (20,27). In het Grieks gaat het echter om verschillende dingen. Bij Maria wordt het werkwoord haptoo, ‘vastpakken’, gebruikt (20,17). Tomas gebruikt echter het werkwoord eis-balloo, dat ‘inwerpen’ of ‘invoegen’ betekent (20,25b), zoals je geld in de offerkist werpt (Marc. 12,41-44; Luc. 21,1-4), of zoals je een gedachte in iemands hart plaatst (Joh. 13,2). Het is een ongebruikelijk woord voor ‘aanraken’. Bovendien gebruikt Tomas voor de wonden van de spijkers het woord tupos, ‘merkteken’, in plaats van het minder problematische woord topos, ‘plaats’. Blijkbaar vindt Tomas het getuigenis ‘Wij hebben de Heer gezien’ (20,25a) alleen betrouwbaar als hij lichamelijk kan invoegen in het merkteken van Jezus’ lijden.1

Tomas’ bijnaam Didymus, ‘tweeling’, wordt wel uitgelegd als ‘twijfelaar’. Ten onrechte. Het Grieks laat het niet toe. Maar bovenal: Tomas twijfelt geen moment. Hij is uiterst consistent. Hij is er heilig van overtuigd dat verrijzenis geen ontkenning kan zijn van lijden en sterfelijkheid. Al eerder gaf hij van die overtuiging blijk, toen Jezus naar de gestorven Lazarus toeging (11,16) en hij meeging onder het motto: ‘Laten wij ook gaan om samen met Hem te sterven.’ Als de bijnaam Didymus een zinvolle betekenis heeft – wat op zich goed kan, want Johannes noemt het drie keer – dan is het van belang te weten dat in de Bijbel een naam vaak op iemands bestemming wijst. Je zou kunnen zeggen dat Tomas het als zijn bestemming ziet om ten opzichte van Jezus een tweeling te zijn.

Hij is herhaald en stellig bereid in te voegen in de weg van Jezus, ten einde toe. Waar Jezus hem het meest nabij is, met de merktekens van zijn lijden en sterfelijkheid, herkent hij Jezus als de Nabije en als de Levende, als ‘mijn Heer en mijn God’ (20,28).

De afsluitende woorden ‘Zalig die zonder gezien te hebben toch geloven’ (20,29) overbruggen de afstand naar latere generaties, die niet meer met eigen ogen kunnen zien, maar toch wel kunnen geloven of vertrouwen. Tomas leert ons dat hun vertrouwen niet op niets gebaseerd is. Bij zijn eerste verschijning aan de leerlingen ademde Jezus over hen en sprak: ‘Ontvangt de heilige Geest’ (20,22). Daarin klinkt al een verwijzing naar de schepping in Genesis 2,7 en Wijsheid 15,11. Maar ook Ezechiël 37,3-6 klinkt mee, waarin de Geest de doodsbeenderen weer tot leven brengt. Jezus stuurt zijn leerlingen als het begin van een nieuwe schepping, waarin de gehavende en gestorven mens zal leven. Jezus’ wonden zijn daarvoor ‘typisch’: model, voorbeeld, garantie. Daaraan heeft Tomas geen moment getwijfeld.

  1. Voor vergelijkbare gedachten over het lichamelijke, zie Tomáš Halík, Raak de wonden aan. Utrecht: KokBoekencentrum, 2018. ↩︎

Deze exegese is opgesteld door Ari Troost.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken