Troon
zetel of stoel
Kroon en troon, twee woorden die niet alleen rijmen, maar ook inhoudelijk ten nauwste met elkaar samenhangen. Dragers van kronen, koningen en koninginnen zetelen op tronen. In de 20e eeuw zijn tal van dynastieën met een eeuwenoude geschiedenis – Habsburg, Hohenzollern en Romanow – hun macht en invloed kwijtgeraakt. Gekroonde hoofden zijn een zeldzaamheid geworden en veel tronen zijn al geruime tijd vacant en het lijkt onwaarschijnlijk dat daarin nog verandering komt.
Grondtekst
Het Hebreeuwse woord kisse’ is in de eerste plaats de aanduiding voor ‘stoel’ of ‘kruk’ in de algemene zin van het woord (2 Kon. 4:10). Hetzelfde valt te zeggen van het Aramese korse’ (Dan. 5:20; 7:9). In verbinding met het beroep of ambt voor wie de stoel bestemd is, kan het woord een meer specifieke betekenis krijgen: de zetel van een priester (1 Sam. 1:9,13,18), van een rechter (Spr. 20:8) of een stadhouder (Neh. 3:7); en in het bijzonder de koninklijke troon (Gen. 41:40; Ex. 11:5). In bijbelse tijden werd een vanzelfsprekende parallel getrokken tussen de koning en de godheid. Dat gebeurde niet alleen in Israël, maar in alle omringende volken en culturen. Ook in de bijbel wordt regelmatig gesproken over de troon van God in de hemel (Ps. 11:4; 103:19). In enkele teksten kan de hemel zelf de troon van God worden genoemd (Jes. 66:1).
In het Nieuwe Testament heeft het Griekse woord thronos dezelfde betekenisnuances. Er is zowel sprake van ‘de troon van David’ (Luc. 1:32), als van ‘de troon van God’ (Mat. 5:34). Opmerkelijk is dat het woord thronos in het laatste bijbelboek bijzonder vaak voorkomt. Dat
heeft alles met het apocalyptisch karakter van dit boek te maken (zie verder). De macht van Gods duivelse tegenstrever is zo groot geworden dat de troon van God’ een concurrent gekregen heeft in ‘de troon van satan’ (Op. 2:13).
Letterlijk en concreet
a.De bijbel geeft een beschrijving van de troon van koning Salomo: ‘De koning liet ook een grote troon van ivoor maken en die met fijn goud bedekken. Zes treden had die troon, op de rugleuning was een stierenkop aangebracht. Aan weerskanten van de zitting bevonden zich armleuningen; er stonden twee leeuwen naast. Op de treden stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten zes. Voor geen koning was ooit zoiets gemaakt’ (1 Kon. 10:18-20). Hoewel de laatste zin uit het citaat dat lijkt te weerspreken, zijn soortgelijke, fraaie en imponerende tronen ook buiten Israël voorgekomen. Vooral leeuwen als versieringen waren populair. De koning uit het rijk der dieren was de vanzelfsprekende ‘bewaker’ van de koninklijke troon.
b.Een essentieel onderdeel van de troon werd gevormd door de voetbank. In bovengenoemde beschrijving wordt er geen vermelding van gemaakt, maar uit de brede verspreiding mag worden afgeleid dat ook de troon van Salomo een voetbank zal hebben gekend. In het graf van Toet-ank-Amon (ca. 1350 v.Chr.) werd een fraaie troon gevonden met een voetbank waarin de negen traditionele vijanden van Egypte waren uitgebeeld. Wanneer de farao op zijn troon plaats nam dan lagen zijn vijanden ‘onder zijn voeten’. Dezelfde voorstelling komt ook voor in Psalm 110: ‘Godsspraak van de Heer tot U mijn Heer: “Ga zitten aan mijn rechterhand en Ik leg uw vijanden als een voetbank voor uw voeten”‘ (vs. 1). In het gehele oude Oosten was dit het beeld voor de verslagen vijanden. In het Nieuwe Testament is de eerste regel uit genoemde Psalm christologisch geïnterpreteerd: na Pasen en na de hemelvaart van Jezus zit hij aan de rechterhand van God op de troon, totdat Hij zal weerkomen om te oordelen de levenden en de doden (Hand. 2:34-35; 1 Kor. 15:25; Ef. 1:20-22; Kol. 3:1; Hebr. 1:13; 8:1; 10:12-13).
Beeldspraak en symboliek
a.Ook in het oude Israël waren kroon en troon hecht met elkaar verbonden (2 Sam. 14:9; 1 Kon. 16:11). Zo kon ‘troon’ gemakkelijk symbool worden voor koningschap en dynastie. In de belofte van de profeet Natan wordt aan David en zijn nakomelingen toegezegd dat hun troon zelfs eeuwig zal blijven bestaan (2 Sam. 7:13,16). In tegenstelling tot die verwachting maakt de Babylonische ballingschap een einde aan het koninkrijk Juda dat ongeveer vierhonderd jaar werd geregeerd door de dynastie van David.
b.De combinatie van kroon en troon symboliseert koninklijke macht. Vanaf de troon regeert de koning over zijn volk (2 Sam. 3:10; vgl. Jes. 14:13). Voor de wereld van het oude Oosten was een constitutionele monarchie een volstrekt onbekend verschijnsel. Koningen regeerden met absolute macht. Zo had ook in het oude Israël de koning als de hoogste autoriteit alle macht in handen. Hij regeerde, bestuurde het land, voerde in de oorlogen de legers aan en sprak vanaf zijn troon ook recht. Het hing van de koning af of er werkelijk recht werd gesproken of het recht met voeten werd getreden. Ondanks het feit dat alle koningen uit de davidische dynastie ‘zoon van David’ genoemd konden worden, waren goede koningen schaars in Juda. Alleen van Hizkia en Josia wordt vastgesteld ‘dat hij deed wat de Heer
behaagt, net als zijn vader David (‘hij wandelde op al de wegen van zijn vader David’, in NBG-1951; 2 Kon. 18:3; 22:2).
c.Het beeld van de koning op zijn troon laat zich moeiteloos toepassen op God (zie 1 Kon. 22:10 en 19): ‘Ik zag de Heer, gezeten op zijn troon, en al de hemelse machten links en rechts om hem heen’. Gods troon is teken van zijn macht over de volken (Ps. 47:9) en van zijn rechtvaardig gericht: ‘De Heer is Koning: de aarde juicht, verheugd zijn de vele eilanden. Wolken en duisternis staan om Hem heen, heil en gerechtigheid zijn de basis van zijn troon’ (Ps. 97:2; vgl. Ps. 45:7-8).
d.In roepingsvisioenen van profeten krijgt de troon van God een bijzondere betekenis: ‘In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik (de profeet Jesaja) de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels: twee om het gelaat te bedekken, twee om de voeten te bedekken, twee om te vliegen. Zij riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de machten; en heel de aarde is vol van zijn heerlijkheid”‘ (Jes. 6:1-3); ‘Boven het gewelf zag men zoiets als een saffiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, zag ik een mensengestalte. Ik zag een schittering als van metaal; het bovenlichaam van de gestalte fonkelde als metaal, alsof er vuur in zijn innerlijk gloeide, en zijn onderlichaam was als vuur dat een gloed uitstraalde. Zoals de boog eruitziet die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van de Heer. Toen ik dat zag viel ik plat voorover … ‘ (Ez. 1:26-28). Vooral dit laatste troon-visioen heeft in de latere joodse mystiek veel aandacht gekregen.
e.In de joods-apocalyptische literatuur neemt de interesse voor het goddelijk gericht in belangrijke mate toe. Het vormt een van de centrale gebeurtenissen in het drama van de eindtijd: de opstanding der doden en het gericht. Met als gevolg dat in genoemde literatuur de troon van God in de allereerste plaats een ‘rechterstoel’ is geworden: ‘In mijn visioen zag ik dat er tronen werden geplaatst en een Hoogbejaarde (Oude van dagen, in de vertaling NBG-1951) er ging zitten. Zijn gewaad was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol. Zijn troon bestond uit vlammen, de wielen ervan uit laaiend vuur. Een stroom van vuur welde op en vloeide voor Hem uit. Duizenden maal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor Hem. Het gerechtshof (de vierschaar, in NBG-1951) ging zitten en de boeken werden geopend’ (Dan. 7:9-10). Vervolgens wordt koninklijke macht en heerschappij gegeven aan iemand die daarna verschijnt en die raadselachtig omschreven wordt als ‘iemand die op een Mensenzoon leek’ (Dan. 7:13).
f.In een later verschenen joods-apocalyptisch geschrift – waarin Henoch als ziener optreedt -dat geen plaats heeft gekregen in de bijbel, wordt gesproken over ‘de Zoon des mensen’ die plaats neemt op de troon van God om recht te spreken over de volken. Die voorstelling van zaken heeft ook het Nieuwe Testament beïnvloed zoals blijkt uit de volgende bekende passage uit het evangelie van Matteüs: ‘Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen voor Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand’ (Mat. 25:31-33).
g.In geen nieuwtestamentisch geschrift komt het woord ‘troon’ zo dikwijls voor als in het laatste bijbelboek. Het ademt geheel en al de geest van de joodse apocalyptiek. De beschrijving van het uitvoerige visioen dat de ziener op Patmos krijgt, begint als volgt: ‘Aanstonds raakte ik in geestvervoering. En zie: er stond een troon in de hemel en op de troon zetelde iemand. Degene die erop zetelde, zag eruit als jaspissteen en carneool. En rondom de troon was een regenboog, die er uit zag als smaragd’ (Op. 4:2-3). Het lijdt geen twijfel dat met dat wonderlijke beeld God bedoeld wordt: Hij is degene die op de troon zit. Aan het einde van het bijbelboek wanneer de nieuwe hemel en de nieuwe aarde wordt beschreven is sprake van ‘de troon van God en van het Lam’ (Op. 22:2). Dan is het kwaad voorgoed vernietigd.
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 7; 9; 11; 47; 80; 89; 97; 99; 132; Gezang 24; 25; 70; 113; 117; 148; 150; 226; 227; 231; 232; 267; 278; 288; 396; 449;
Alles II: 26; Gezegend: 50; Liturgie: 521; 623 (= Gezangen: 663); ZAD II: 31; Zing: 35; Zingend III: 79; IV: 14; 44; V: 45; VI: 82; Zleven: 18;
b.Poëzie:
Bertus Aafjes, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1990, blz. 366: ‘Godsbegrip’. Hans Bouma, Op reis – om weer thuis te komen, Kampen/Averbode 1998, blz. 102: Hemelhoog’. Hanny Michaelis, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1996, blz. 74: ‘Jij: een onttroonde tyran…’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 122: ‘Uittocht’.
c.Verwerking:
Nu de hiërarchieën in onze wereld steeds verder afbrokkelen, raakt het verschijnsel van de troon langzaamaan in de vergetelheid. Eenmaal per jaar, op Prinsjesdag wanneer de koningin vanaf een centraal staande zetel de troonrede uitspreekt, worden we voor even herinnerd aan de troon. En wanneer zij straks afstand doet van de troon (het ambt neerlegt), staat haar oudste zoon klaar om de troon te bestijgen (het ambt te aanvaarden). Maar hier heeft de overdrachtelijke betekenis de letterlijk bijkans geheel overgenomen. In overdrachtelijke zin komen we de troon eveneens tegen in onze taal: wie ergens op de troon zit, heeft aldaar het heft in handen, heeft het voor het zeggen. Het is goed ons bewust te zijn van de verschuivingen die zich rondom de troonbeleving hebben voltrokken. Thema’s die bij het bijbelse woord troon opkomen zijn onder meer: heerschappij en zeggenschap, autoriteit en gezag, roeping en openbaring, oordeel en recht, hemelvaart en toekomst.
Verwijzing
De troon heeft grote verwantschap met ‘kroon‘. Daarnaast zijn er verbindingen met ‘voetbank‘, ‘koning‘, ‘hemel‘ en ‘rechter‘.