Van berg tot berg
Bij Matteüs 5:1-12
‘Het evangelie van Matteüs gaat van berg tot berg’ (uitspraak van Frans Breukelman, z.j.). Zo is het: op de cruciale momenten in het evangelie van Matteüs treffen we een gebeurtenis op een berg aan. Soms duidt Matteüs deze eenvoudigweg aan als ‘de berg’ – alsof hij ervan uitgaat dat de lezer wel weet waar en welke berg (cf. 5,1-8,1; 14,23; 15,29-38; 28,16-20). Eénmaal wordt de berg met naam en toenaam genoemd: de Olijfberg (24,3). ‘Berg’ is zowel een literair motief als een theologisch symbool. Jezus manifesteert zich op de berg – halverwege tussen hemel en aarde, zichtbaar rondom. Daar wordt duidelijk wie en wat Hij is.
Op de eerste berg (Mat. 4,8), in de derde en laatste verzoeking, confronteert de duivel Jezus met de aanblik van de gehele wereld: ‘Die zal voor Jou zijn als Je voor mij knielt en mij aanbidt.’ Op de tweede berg (Mat. 5) spreekt Jezus langdurig zijn leerlingen en het volk toe: zijn Bergrede. In 14,23 komt de berg in zicht waar Jezus zich terugtrekt om te bidden en alleen te zijn, na de spijziging van de vijfduizend, en in 15,29-38 is Hij weer op een berg in gezelschap van zijn leerlingen en een grote schare; daar geeft Hij opnieuw de mensen te eten. Ook de berg van de verheerlijking (17,1) heeft geen naam, maar wordt ‘zeer hoog’ genoemd, evenals de berg van de verzoeking. Maar de plaats waar Jezus voor zijn lijden voor het laatst tot zijn leerlingen spreekt, laat Matteüs ons met naam en toenaam weten: dat is de Olijfberg (24,3).
Plaats van stilte?
Wij hebben de neiging om te denken dat ‘de berg’ een plek is waar Jezus zich alleen, in stilte terugtrekt. Maar dat is alleen in Matteüs 14,23 het geval; verder is het op de berg een drukte van belang. Er wordt geleerd, genezen, brood uitgedeeld, Jezus verschijnt er in zijn volle heerlijkheid te midden van een heel gezelschap: Mozes, Elia en God zelf, voor de ogen van Petrus, Johannes en Jakobus. De laatste keer in het evangelie dat er sprake is van een berg is in Matteüs 28,16, waar de leerlingen terugkeren naar Galilea ‘naar de berg die Jezus hun had aangewezen’. De berg is, kortom, de plek waar Jezus de tegenstander weerstaat, waar Hij zich manifesteert als leraar, waar Hij is om te bidden en waar Hij in zijn volle heerlijkheid verschijnt. Vechten, onderwijzen, bidden, en vooral gezien worden: ‘zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder’ (het lijkt wel of Ramses Shaffy Matteüs heeft gelezen…).
De berg op om te leren
Wat brengt Jezus ertoe hier (Mat. 5,1) de berg op te gaan en het samengestroomde volk toe te spreken? ‘De scharen ziende’ (Gr.: Idoon de tous ochlous – part. aor.), dat wil zeggen: op het moment van zien zet Hij zich in beweging om de berg op te gaan. Is dit alleen maar een simpele kwestie van oorzaak en gevolg, reactie op wat Hij ziet? Jezus maakt vaker deze beweging. De berg is de plek waar Hij zijn leerlingen roept (cf. Luc. 6,12) en betekent vaak afstand scheppen tussen Hem en de mensenmenigte. Hij zit er neer – de houding van de leraar –, zijn discipelen komen tot Hem en Hij begint met zijn onderwijs, ook hier weer ‘zittend’ (Gr.: kathisantos – part. aor.). Wat er geleerd wordt, is in eerste instantie voor de discipelen bedoeld, de schare mag meeluisteren. Een dubbele kring van toehoorders, binnencirkel en buitencirkel. Van 5,3 tot en met 7,27 is Jezus aan één stuk door aan het woord. In die ononderbroken toespraak stelt Jezus situaties aan de orde die zich in zijn tijd nog niet hebben voorgedaan: vervolging van buitenaf, valse profeten binnen de gemeente. Dit beeld past meer in de tijd van de auteur dan in die van Jezus. Matteüs laat Jezus spreken over het soort moeilijkheden waarmee zijn volgelingen te maken krijgen in het laatste kwart van de eerste eeuw, wanneer ze zich zijn gaan wijden aan de hun opgedragen taken: gemeente zijn, het evangelie verspreiden.
De kern van de zaak…
De tekst van de Bergrede bevat behalve bovengenoemde, ook uitspraken die zo algemeen zijn dat ze in alle tijden van toepassing kunnen zijn. Zoals de zaligsprekingen, acht uitspraken over mensen met mooie eigenschappen en een positieve levenshouding: ‘arm van geest’ (ze laten zich nergens op voorstaan), ‘zachtmoedig’, ‘hongerend en dorstend naar de gerechtigheid’, ‘barmhartig’, ‘zuiver van hart’, ‘vrede brengend’. Zelfs het vervolgd worden is positief: het gebeurt omwille van de gerechtigheid. Alleen de tweede zaligspreking gaat over iets negatiefs: ‘zij die verdriet hebben’ (5,4). Het werkwoord ‘verdriet hebben, rouwen’ (Gr.: pentheoo) komt nog op één andere plaats in Matteüs voor: 9,15, daar in combinatie met ‘vasten’. Beide, zegt de tekst daar, zijn nog niet aan de orde zolang de bruidegom nog bij hen is. ‘Treuren’ is synoniem met het vurige verlangen van de gemeente om weer met Jezus samen te zijn, te komen. Het verdriet en de rouw is dus gericht op een blijmakende situatie, die echter ook voor de christelijke gemeente van vandaag nog toekomstmuziek is.
Portret van wie?
Alle zaligsprekingen kunnen worden gelezen als een portret van de ideale gemeente, tevens gelijkend op het beeld dat Matteüs schildert van Jezus zelf. Hijzelf is zachtmoedig (11,29; 21,5), Hij staat aan de zijde van wie hongerig en dorstig zijn (25,31-46), zijn levenstaak is de gerechtigheid te vervullen (3,15) en diepe ontferming tekent Hem: ‘ten diepste bewogen met de menigte, omdat zij zijn als schapen zonder herder’ (9,36; 14,14; 15,32). En barmhartigheid benoemt Hij als het zwaartepunt van de Tora (23,23). Conclusie: de zaligsprekingen gaan niet over anderen, maar over onszelf, als gemeente een levende gelijkenis van Hem.