Menu

Premium

Verlangen, begeerte

Geloofstaal & cultuurtaal

Hoewel ‘begeren’ in wezen niets anders betekent dan het wat modernere ‘verlangen’, heeft het in de geloofstaal toch een minder positieve klank. Het wordt al gauw geassocieerd met negatieve verlangens en met name met seksuele gevoelens. Augustinus meende dat ‘begeerte’ in de Bijbel, zonder verdere uitleg, vooral de seksuele prikkeling aanduidde (De Stad Gods, boek 14, hfst. 16-18).

In het dagelijks leven wordt de als meer archaïsch beleefde term ‘begeerte’/’begeren’eigenlijk nauwelijks gebruikt. Er wordt eerder gesproken over ‘je zinnen zetten op’ of ‘ambitie’ wanneer iemand iets heel graag wil hebben. ‘Verlangen’ heeft een meer beschouwende klank en raakt een diepere laag van het leven: we verlangen ernaar geliefd te worden, we verlangen naar geluk of naar een hoopvolle toekomst.

Woorden

In het Oude Testament worden voornamelijk de werkwoorden kasaf, ava en chamad met ‘verlangen’ of ‘begeren’ weergegeven. De in vertalingen gebruikte zelfstandige naamwoorden ‘verlangen’ en ‘begeren’ gaan terug op een groot aantal Hebreeuwse woorden. In het Nieuwe Testament gaat het om de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden epithumein/epithumia, epipothein/epipothia, epi-pothèsis en apokaradokia (= ‘vurig verlangen’). Soms zijn in de NBG-51 ‘verlangen’ en ‘begeren’ de weergave van woorden die eerder in de richting van ‘bidden’, ‘vragen’ of ‘zoeken’ gaan (zie bijv. 1 Kon. 11:22; Mat. 18:19; Mar. 8:11; Joh. 11:22). Ook raken ‘verlangen’ en ‘begeerte’ de Griekse woorden thelein en bou-lesthai, die in de meeste vertalingen standaard met ‘willen’ vertaald worden. In het algemeen is ‘verlangen’ breder en positiever van betekenis dan ‘begeren’. Toch wordt ook ‘begeren’, vooral in het Oude Testament, niet per definitie in negatieve zin gebruikt. Dat laatste komt vooral tot uitdrukking met woorden als dzèlos, ‘jaloezie, naijver’ en pathos, ‘lust’, Rom. 1:26).

Betekenis in context

Oude Testament

Begeren als keuze

In Psalm 132:13 gaat het over de begeerte van God. De Here heeft de berg Sion als plaats om te wonen begeerd. In het Hebreeuwse parallellisme van de psalmen staat dit op één lijn met ‘de Here heeft Sion verkoren’ (vs. 13a). Gods verlangen gaat gepaard met een bewuste keuze. Dat is voor Israël essentieel, want de aanwezigheid van de Here in het midden van zijn volk betekent leven, in alle opzichten (vss. 15-18). Israël heeft zijn bestaan aan het verkiezende verlangen van God te danken.

Verlangen naar God

In Psalm 10:17 wordt gesproken over de begeerte van de ootmoedigen. Dat zijn in dit gedeelte de zwakken, die slechts van God hun hulp kunnen verwachten (vs. 14). De wees en de verdrukte hebben niemand die voor hen opkomt; daarom is hun verlangen dat God orde op zaken zal stellen (vs. 17, 18). Dan zullen de goddelozen niet langer verwaand kunnen denken, dat God het toch allemaal niet ziet (vss. 4, 11, 13).

Ten diepste is alles wat een mens kan ‘verlangen’ in God gegeven. Daarom verlangt Jesaja naar God Zelf (Jes. 26:9) en wil de dichter van Psalm 84 niets liever dan wonen waar God woont, in de tempel (Ps. 84:2). Want waar God is, daar is het goed (Ps. 84:12).

‘Gij zult niet begeren…’

Zoals het verlangen naar het goede te maken heeft met een bewuste keuze, zo geldt dat ook voor het verkeerde verlangen. Daarom kan dit ‘begeren’ ook expliciet aan de orde gesteld worden in de wet: ‘Gij zult niet begeren (…) iets dat van uw naaste is’ (Ex. 20:17, zie Deut. 5:21). Cruciaal is de zinsnede: ‘van uw naaste’. Het gaat hier om het bewust willen bezitten van iets dat rechtens een ander toekomt en het bereid zijn daarvoor tot handelen over te gaan. ‘Begeren’ is als God willen zijn en zelf willen bepalen wat goed en kwaad is (zie Gen. 3:5, 6).

Met dit gebod snijdt de wet elke vorm vanformalisme de pas af, waarbij het alleen gaat om het letterlijk naleven van de regels. Ook de gezindheid waarmee iemand in het leven staat, is van belang. Daarom geldt, dat wie één van de eerste negen geboden overtreedt, ook altijd het laatste gebod heeft overtreden. Omgekeerd leidt het begeren ook weer tot het overtreden van één van de andere geboden.

Nieuwe Testament

Vurig uitzien naar de verlossing

Volgens de brief aan de Hebreeën hebben de gelovigen onder het oude verbond geleefd uit het ‘verlangen’ naar ‘een beter, dat is een hemels, vaderland’ (Hebr. 11:16). Daarom hielden deze geloofshelden vol tijdens verzoekingen en lijden (Hebr. 11:17-38). Zij hebben de vervulling van Gods belofte echter niet gezien (vgl. Mat. 13:17). Toch bleven ze volhardend verlangen. Daarom moeten de gelovigen van het nieuwe verbond, die het heil van God wél hebben gezien, des te meer blijven volharden, ook in moeilijke tijden. Ze moeten afleggen alle last en zonde en hun oog richten op de beloofde, Jezus Zelf, zodat ze niet ‘door matheid van ziel’ verslappen (Hebr. 12:1-3). ‘Verlangen’ is hier een geloofshouding, een leven dat niet opgaat in wat voor ogen is, maar zich uitstrekt naar wat nog komt.

Paulus vat dit alles heel kort samen, wanneer hij zegt ernaar te verlangen bij Christus te zijn en bij Hem te wonen (2 Kor. 5:8; Filp.

1:23).

Dit verlangen wordt door Paulus in Romeinen 8 beschreven vanuit het perspectief van de schepping. De ganse schepping wacht met de gemeente op de ultieme doorbraak van het nieuwe leven (8:19); de gelovigen hebben in de Geest al de eerste gave van die volkomen verlossing ontvangen (8:23-25), maar de volle betekenis daarvan zal pas aan het eind realiteit worden. Daarop wacht de schepping, die met de gelovigen volkomen verlost zal worden van de vloek van de dood (8:19-21). Het woord dat Paulus in vers 19 voor ‘verlangen’ gebruikt (apokaradokia) roept het beeld op van iemand die op zijn tenen gaat staan en zich uitstrekt om een glimp op te vangen van wat in aantocht is.

Begeren als de wortel van zonde

Sterker nog dan in de Tien Geboden zelf benadrukt Jezus in de Bergrede dat het volbrengen van de wet niet bestaat in het formeel naleven van een aantal regels, maar in een zuiver hart. Dat illustreert Jezus met een aantal voorbeelden (Mat. 5:21-48). Eén daarvan betreft de zonde van overspel. Overspel vindt niet pas plaats wanneer iemand met een andere vrouw betrapt wordt, maar wanneer hij naar een andere vrouw kijkt om haar te ‘begeren’ (Mat. 5:28). ‘Begeren’ betekent hier meer dan het hebben van seksuele gedachten over een ander. Het is ook het daadwerkelijk willen bezitten van de ander.

Begeerte(n) als zondige gerichtheid

In het Nieuwe Testament komt het woord ‘begeerte’ af en toe ook voor als een omschrijving van de zondige gerichtheid van de mens die leeft zonder God. Paulus noemt het ook wel de begeerte(n) van ‘het vlees’ (zie Gal. 5:24; Ef. 2:3). Helaas is dat in de uitleg nog wel eens eenzijdig opgevat als ‘seksuele zonde’ en losbandigheid. ‘Vlees’ betekent in dit verband echter vooral het concrete leven van de mens in de macht van de zonde. Wat daaruit voortkomt, leidt de verkeerde kant op – of het nu seksualiteit betreft, of geld of waardering en eer. Deze zondige gerichtigheid staat haaks op Gods goede bedoelingen en gaat daarom in tegen het begeren van de Geest (Gal. 5:17;vgl. Joh. 8:44).

Petrus stelt de verkeerde verlangens van demens op één lijn met dronkenschap en onzedelijke afgoderij (1 Petr. 4:3). Jakobus benadrukt dat de oorzaak van verzoekingen in het leven van een mens niet ligt in wat er van buiten op hem afkomt, maar in de verkeerde gerichtigheid van zijn hart; wanneer die begeerte alle ruimte krijgt om zich te ontwikkelen, leidt dat uiteindelijk tot de zondige daad, die op zich weer de dood tot gevolg heeft (Jak. 1:14, 15).

Kern

‘Begeren’ is in de Bijbel een diep verlangen om iets te bezitten. Wanneer dit verlangen geworteld is in God Zelf is het iets goeds en richt het zich op het recht en de gerechtigheid die bij het Koninkrijk van God horen. Dat verlangen strekt zich – te midden van moeite en tegenslag – uit naar de toekomst. Wanneer echter de begeerte niet uit God is, maar – zoals het Nieuwe Testament dat afwisselend benoemt – uit de boze, het vlees of de wereld, dan wordt ze negatief beoordeeld. Dan uit het verlangen zich in het willen bezitten van iets dat iemand rechtens niet toekomt. Het kan ook in het algemeen de zondige gerichtheid aanduiden waarin iemand niet langer leeft tot eer van God, maar voor zichzelf, alsof de diepste vervulling van het leven niet gevonden wordt in de Schepper, maar in de schepping. Deze begeerte is een vorm van ongeloof, die het verlangen naar de nieuwe schepping verstikt.

Volgens de Bijbel kan deze zondige gerichtheid zich op vele manieren uiten. Zij heeft niet slechts, zoals vaak gedacht wordt, betrekking op één aspect van het leven, bijvoorbeeld geld of seksualiteit. Alles wat we ‘verlangen’ in plaats van God leidt ons af van Gods plan met ons en met deze wereld, hoe onschuldig datgene wat we verlangen op zich ook kan zijn.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: gebed, jaloezie, wil.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken