Verzet en overgave in De diepe rivier van Endō
De diepe rivier (1994) is een diepzinnige roman over de zoektocht naar betekenis, het omgaan met verlies en de grenzen van religie. Via diverse personages laat de Japanse schrijver Shūsaku Endō (1923–1996) zien dat spiritualiteit vele vormen kent, en dat compassie misschien wel de meest fundamentele menselijke waarde is – voorbij dogma’s en doctrines.
Endo was katholiek – een zeldzaamheid in Japan. Zijn boeken zijn doordrenkt met vragen over geloof in een cultuur waarin christendom marginaal is. Hij werd als 11 jarige tegen zijn zin gedoopt, nadat zijn ouders waren gescheiden en hij met zijn moeder bij een katholieke tante ging wonen. In plaats van zich af te keren van dit westerse geloof, waarover Endo schrijft dat het in Japan geen wortel kan schieten, beproeft hij zijn geloof in zijn romans. Dat maakt zijn werk voor gelovigen uitermate spannend. Zal het geloof betekenis krijgen in de levens van zijn protagonisten? Blijft het overeind ten overstaan van het kwaad? En hoe krijgt het in een Japanse context gestalte?

Endō schreef De diepe rivier aan het einde van zijn leven. De roman wordt vaak gezien als culminatie van zijn levenslange thematische zoektocht: de spanning tussen westerse religie en oosterse cultuur, en de mogelijkheid tot universeel mededogen. Figuren uit eerdere romans keren erin terug. Daarmee vormt het boek ook een goede toegang tot zijn oeuvre.
De Japanse hoofdpersonen maken een georganiseerde reis langs betekenisvolle plaatsen van het boeddhisme in India. De reis is niet slechts toeristisch: ieder van hen heeft een persoonlijke reden om deel te nemen. De personages uit Diepe Rivier dragen ieder een geheim met zich mee. Ze worstelen met verlies, schuld, schaamte en innerlijke leegte.
In dit artikel onderzoek ik de beweegredenen van twee personages: Mitsuko Naruse en Otsu. Hun spirituele reis leidt van verzet naar overgave. Het accent ligt daarbij niet op verzet tegen maatschappelijk onrecht of een falende overheid, maar op een innerlijk verzet tegen de persoonlijke bestemming – een bestemming die de hoofdpersonen uiteindelijk vinden aan de oevers van de Ganges.
Mitsuko en Otsu: botsing van wereldbeelden
Mitsuko en Otsu kennen elkaar uit hun studententijd in Lyon – een plek die door Endō niet willekeurig is gekozen. Hij behoorde tot de eerste Japanse studenten die na de Tweede Wereldoorlog Franse literatuur gingen studeren in Frankrijk. Hij had hoge verwachtingen van de Europese katholieke sfeer, maar zijn verblijf werd een deceptie: als Japanner en vertegenwoordiger van de verliezende partij in de oorlog, werd hij buitengesloten en gepest. Een longziekte dwong hem voortijdig terug te keren naar Japan.
Mitsuko studeert Frans, Otsu theologie. Hun relatie is complex. Mitsuko staat in Endō’s werk vaak voor de verleiding van het kwaad. Haar naamgenoot in Het schandaal zet de hoofdpersoon – een schrijver die sterke gelijkenissen vertoont met Endō zelf – aan tot moord. De Mitsuko in De diepe rivier is een jonge, ambitieuze vrouw. Achter haar façade van onafhankelijkheid en rationaliteit ervaart zij haar leven als zinloos en leeg. Na een mislukt huwelijk en meerdere gestrande relaties reist ze naar India, op zoek naar Otsu, die zij in hun studententijd heeft bedrogen.
Strijd tussen rationaliteit en mystiek, controle en overgave
Otsu was destijds priesterstudent aan een seminarie in dezelfde stad als Mitsuko. Zij probeerde hem met haar lichaam te verleiden, in een poging hem van zijn christelijke geloof af te brengen en daarmee – indirect – zijn God te raken. Aanvankelijk lukt dat. Mitsuko wint daarmee een weddenschap die ze met haar medestudenten had afgesloten. Maar al snel keert Otsu terug naar zijn opleiding en geloof. Zijn radicale overgave aan een ‘afwezige’ God verbaast Mitsuko. Die confrontatie laat diepe sporen bij haar na — niet om Otsu zelf, maar om wat hij in haar losmaakt: schaamte, nieuwsgierigheid en het besef van haar eigen geestelijke leegte.
Zijn radicale overgave aan een ‘afwezige’ God verbaast Mitsuko, en laat diepe sporen na
De figuur van Otsu belichaamt als het ware Mitsuko’s verdrongen spirituele dimensie. Als hun studietijd voorbij is, blijven ze elkaar met onregelmatige tussenpozen schrijven. Hun correspondentie weerspiegelt de voortdurende strijd tussen rationaliteit en mystiek, tussen controle en overgave. Maar ook buiten de brieven om blijft Otsu aanwezig in Mitsuko’s gedachten. Haar reis naar India is – deels onbewust – ook een reis naar hem toe, en naar wat hij in haar vertegenwoordigt.
Het kan natuurlijk niet uitblijven dat ze elkaar aan de Ganges ontmoeten.
Dōhan-sha: Otsu als spirituele metgezel
In het spanningsveld tussen Mitsuko en Otsu is het Japanse concept dōhan-sha — letterlijk ‘reisgenoot’, maar ook spirituele metgezel — behulpzaam om Mitsuko’s innerlijke transformatie te begrijpen. Het begrip dōhan-sha (同⾏者) verwijst in Japanse spirituele en literaire tradities naar een metgezel die niet alleen een fysieke reis deelt, maar ook een innerlijke. Iemand die, bewust of onbewust, de ander helpt op diens weg naar inzicht of bevrijding.
Endō’s oeuvre wordt bevolkt door zulke figuren. Het zijn buitenbeentjes, vaak migranten – slungelig, klunzig en naïef. Hun handelen doet denken aan Christus: ze zijn hondstrouw, opofferingsgezind en barsten van mededogen. In Endō’s romans functioneren ze als plaatsbekleders van Christus. En als hun ‘taak’ erop zit, verdwijnen of sterven ze. In De diepe rivier vervult Otsu precies die rol voor Mitsuko. Haar ontmoeting met hem kan gelezen worden als een spirituele confrontatie met haar dōhan-sha – een ontmoeting die haar geleidelijk opent voor genade, zelfinzicht en verbondenheid.

Verstoten door de kerk
Ondanks haar verzet en het feit dat ze elkaar jarenlang niet zien, blijft Otsu Mitsuko geestelijk vergezellen. Hij functioneert als haar morele spiegel: waar Mitsuko leeft vanuit controle en zelfbehoud, leeft hij vanuit overgave en zelfopoffering. Uiteindelijk vindt Mitsuko zichzelf terug aan de oevers van de Ganges, min of meer onbewust speurend naar Otsu.
Hij heeft dan al een ingrijpende fysieke en innerlijke reis doorgemaakt. Verstoten door zijn kerk vanwege zijn pan-religieuze, inclusieve geloofsopvattingen, woont hij in India, waar hij in de geest van Moeder Teresa werkt onder de armen. Aan de oevers van de diepe rivier helpt hij zieken en mensen die komen om er te sterven. Hij aanvaardt de verstoting door zijn kerk, en gelooft in een ‘diepe rivier’-God die alle mensen — goed of slecht, gelovig of niet — met zich meevoert.
Voor Endō is die rivier een beeld van God: geen God die straft, maar een die alles ontvangt, ongeacht zonden of geloof.

Voor Mitsuko zijn Otsu’s levenswijze en zijn God onbegrijpelijk — maar juist daardoor intrigerend en confronterend. Hij stelt vragen die zij zichzelf niet wil stellen, maar die haar uiteindelijk niet met rust laten.
Spiegeling, wrijving en genade
De ontmoeting met Otsu in India leidt niet tot verzoening in conventionele zin. Mitsuko blijft rationeel, gesloten en soms zelfs koel. Toch ondergaat ze een verandering. Voor het eerst erkent ze het tekort in zichzelf – de hunkering naar iets wat Otsu, in dat slungelachtige lijf van hem, belichaamt: een radicale, onzelfzuchtige liefde.
Ze koopt een sari en dompelt zich samen met de gelovigen onder in de Ganges. Op een zeker moment in de roman zegt Otsu dat hij Mitsuko ziet als zijn ‘draagbare zonde’ — een paradoxale uitdrukking die verwijst naar zijn voortdurende verbondenheid met haar, ondanks haar afwijzing. Dat zou erop kunnen wijzen dat ook zij zijn dōhan-sha is. De verbondenheid werkt dan in twee richtingen: beiden zijn elkaars spiegel, beiden vormen elkaar, en beiden dragen elkaars pijn.
In het offer van Otsu herkent ze iets van het goddelijke — niet als dogma, maar als aanwezigheid
Uiteindelijk, wanneer Otsu een aanval van de menigte probeert af te weren op een westerse fotograaf die opzichtig foto’s neemt van lijkenverbrandingen, raakt hij ernstig gewond. Zo verdwijnt hij – mogelijk stervend – uit haar leven. Mitsuko blijft achter met het besef dat ze nooit werkelijk alleen is geweest. Eindelijk kan ze huilen. Niet alleen uit verdriet alleen, maar uit herkenning. In het stromen van de rivier, in het offer van Otsu herkent ze iets van het goddelijke — niet als dogma, maar als aanwezigheid.
Net als de andere hoofdpersonen in de roman ondergaat Mitsuko een transformatie. De dōhan-sha maakt het haar mogelijk haar verzet los te laten, zich over te geven aan een ander, en meer in balans te komen met haar authentieke zelf. Haar reis eindigt niet met antwoorden, maar met een ontwaken — en dat is misschien wel de diepste betekenis van een dōhan-sha: iemand die je wakker maakt voor wie je werkelijk bent.
Het is geen bekering, maar een openbaring: ze had altijd al een reisgenoot — en daarin deelt ze in de genade. Zo kan ze de overgang maken van overleven naar leven.
De dohan-sha-figuur van Endō:geënt op Jezus
De dōhan-sha-figuur in de romans van Endō is geënt op Jezus. Soms is het een mens, maar het kan ook een dier zijn, zoals in het geval van Numada, de kinderboekenschrijver. Soms is het een afbeelding van het gelaat van Jezus, zoals in Endō’s roman Stilte (in 2016 verfilmd door Martin Scorsese). Het kan zelfs een dubbelganger zijn — tegelijk bedreigend en reddend — zoals in Het schandaal. Waar het om gaat, is dat we de weg van verzet naar overgave niet alleen hoeven af te leggen. Die spirituele weg is altijd bemiddeld.
In zijn biografie over Jezus (Jezus. Het verhaal van een leven) schrijft Endō:
“Volgens mij leeft er ergens in het hart van mensen een verlangen naar iemand die je hele leven bij je blijft, iemand die je nooit verraadt, nooit in de steek laat – al is het maar een zieke, schurftige hond. Die man (Jezus) werd ter wille van de mensheid zo’n rampzalige hond.”
De eeuwige metgezel bij Bonhoeffer en Hillesum
Ter vergelijking: ook Dietrich Bonhoeffer en Etty Hillesum spreken over de nabijheid van een eeuwige metgezel.
Etty Hillesum doet dat het meest rechtstreeks in haar dagboek op 12 juli 1942:
“Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen, en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.”
In het concentratiekamp functioneert zijzelf als een dōhan-sha voor anderen: zij deelt hun lot en draagt hun pijn mee.
Aan het eind van zijn leven schrijft Bonhoeffer: ‘Verzet en overgave, ze horen bij elkaar’
“Alleen een lijdende God kan helpen,” schreef Dietrich Bonhoeffer, vlak na zijn arrestatie in 1943. Een God in de vorm van een machteloze, kwetsbare mens – die zich zo ten dienste stelde van anderen dat Hij eraan ten onder ging, maar nooit slechts slachtoffer was. Het is deze Christus die het Bonhoeffer mogelijk maakt zijn innerlijke reis te maken: van verzet naar overgave. In de gevangenis schrijft hij:
“Dankzij Christus is mijn leven in God. Om mij te redden heeft Hij alles gegeven, het duurste van het duurste. Genade is niet goedkoop. En nu ben ik werkelijk van Hem, en dat kan mij weer alles kosten. Maar ik ben hoe dan ook veilig.”
Dankzij deze metgezel kon Bonhoeffer loslaten: in verzet komen én loslaten. Hij aanvaardde zijn lot, toen hij op 9 april 1945 – vlak voor de bevrijding – werd opgehangen vanwege zijn aandeel in het beramen van een aanslag op Hitler. Aan het eind van zijn leven schrijft hij: “Verzet en overgave – ze horen bij elkaar.”
Het is Endō’s verdienste dat hij de theologische en filosofische vragen die door deze samenhang worden opgeroepen, via de dōhan-sha-figuren in zijn romans tot leven weet te wekken.
Over de auteur
Dr. Sigrid Coenradie is theoloog en filosoof. Zij promoveerde aan de Universiteit Utrecht op het proefschrift Vicarious Substitution in the Literary Work of Shusaku Endō (2016). Ze werkt als docent ethiek en filosofie aan de hbo-opleiding Social Work in Rotterdam.