Menu

Premium

Voet

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

hiel, been, verlamdheid, lamme, stap of schrede, voetspoor

De voeten van de mens verraden iets en soms zelfs veel van zijn persoonlijkheid. Mensen gaan . zwaar van tred, lichtvoetig, wankelend, vastberaden, gebogen of fier hun weg. Mensen kunnen op grote voet leven, struikelen over hun eigen voeten, boos met de voeten stampen. Mensen helpen elkaar op de been, lichten elkaar pootje, hebben geen been om op te staan. Voeten staan, komen en gaan. Maar wat drijft hen om te gaan staan? Tot wie komen zij? Waarheen leidt hun gaan?

Ook in de bijbelse taal treffen we de voet veelvuldig aan. Tal van uitdrukkingen, beelden en symbolen zijn er aan ontleend. In het vervolg proberen we die ‘voettaal’ op het spoor te komen.

Grondtekst

Het Hebreeuwse woord regel (ca. 250x) betekent bijna steeds ‘voet, been’, net als het Aramese regal (Dan. 2, voeten ijzeren beeld; Dan. 7, voeten van dieren). Ook komt het voor in de betekenis van ‘keer’ (Ex. 23:14; Num. 22:19-33), soms is het een metafoor voor ‘geslachtsorgaan, schaamte’ (Ex. 4:25; Jes. 6:2; 7:20). Verder verschijnt van dezelfde stam raglie, ‘wie te voet gaat, voetganger’, vooral collectief gebruikt in de zin van ‘voetvolk’ van het leger (2 Sam. 10:6). Metmargelot is de plaats bedoeld waar de voeten rusten, ‘voeteneinde’, dat in Ruth 3:4-14 een rol speelt. Het meervoud van ‘aqev duidt ‘voetspoor’, dat de reiziger nalaat (Ps. 77:20; 89:52; Sir. 10:16); in Hoogl. 1:8 de sporen van kleinvee); ook kan het ‘hiel’ betekenen (Gen. 3:15; 25:26; Jer. 13:22, eufemisme voor geslachtsorgaan; Job 18:9). Dat beide betekenissen – voetspoor en hiel – dichtbij elkaar liggen, toont Psalm 56:7; beide zijn mogelijk. De tsa’ad (14x) is de ‘schrede, stap’, zowel van dieren (Spr. 30:29) als van mensen (2 Sam. 6:13; Jer. 10:23; Job 14:16) gezegd. Het verwante tse’adah duidt de voetdreun van een leger, metafoor voor Gods aanwezigheid (2 Sam. 5:24; 1 Kron. 14:15); in Jesaja 3:20 betekent het ‘voetkettinkje’. Synoniem van ‘aqev en tsa’ad is ‘asjoer, ‘schrede’ (Ps. 17:5, parallel bij pa’am; 37:31; 40:3; 44:19; 73:2; Job 31:7; Spr. 14:15) of ‘voetspoor’ (Job 23:11, parallel bij derek; Ps. 17:11, onzeker). Het woord pa’am geeft meestal ‘keer, maal’ aan. In enkele teksten ook ‘stap, schrede’ van de mens (Jes. 26:6) en de menselijke (Jes. 37:23; Hoogl. 7:2) of goddelijke (Ps. 85:14) ‘voet’. Beide betekenissen zijn mogelijk in Psalm 17:5; 57:7; 74:3; 119:133; 140:5; Spreuken 29:5. Het nieuwtestamentische gebruik van dit woordcomplex vertoont veel overeenkomst met het

oudtestamentische. Het frequente pous, ‘voet’ (83x, waarvan 68x in de evangeliën en Hand.), stemt grotendeels met regel overeen; zo ook poderes (Op. 1:13). Met pezepezos is het reizen over land, ook wel met ‘te voet (gaan)’ vertaald (Mat. 14:13; Mar. 6:33; vgl. Hand. 20:13). In Johannes 13:18 treffen we pterna, ‘hiel’, aan; het betreft een citaat uit Psalm 41:10, door Jezus uitgesproken; 19:31-33 spreekt over ‘de benen’, ta skele, van de gekruisigden. Het woord ichnos wil zeggen ‘voetspoor’ (Rom. 4:12;; 2 Kor. 12:18; 1 Petr. 2:21), en bema is de ‘schrede, stap’ (Hand. 7:5).

Letterlijk en concreet

a.De voet is het instrument van het lichaam dat de mens doet bewegen en doet staan. Gaan, bewegen, lopen, wandelen zijn de belangrijkste werkwoorden die met de voet verbonden zijn.

b.De voet als onderste deel van het lichaam komt het intensiefst met de aarde en het stof in aanraking. Vandaar dat het wassen van de voet een wezenlijke handeling is (2 Sam. 11:8). In het verlengde hiervan ligt de cultische voetwassing. De priester moet voor hij zijn dienst begint eerst de voeten reinigen (Ex. 30:19-21). Iemand met een beschadigde voet kan geen priesterambt vervullen (Lev. 21:19).

c.Het verbaast ons niet dat we in de bijbel zo frequent de voet als lichaamsdeel tegenkomen. Immers, dit lichaamsdeel is in de Oudheid letterlijk van levensbelang. De voet is een kostbaar instrument om zich voort te bewegen en in eigen levensonderhoud te voorzien. Voor lammen en kreupelen vormt het bestaan dan ook echt een kwelling, niet in het minst vanwege hun afhankelijkheid (Mar. 2:3; Joh. 5:7; Hand. 3:2). Het Nieuwe Testament verhaalt herhaaldelijk van per sonen die onvoldoende in staat zijn zich voort te bewegen. Doorgaans in krachtige en sobere bewoordingen. In hen manifesteert zich de genezende kracht van Jezus, in wie het Koninkrijk is aangebroken.

d.De bijbelse mens verplaatst zich bijna altijd te voet. Israël trekt te voet door de drooggelegde zee (Ps. 66:6), door het landschap (Deut. 2:28). De voet vormt in het bergachtige landschap van Israël een kwetsbaar lichaamsdeel. Zo snel kan het gebeuren dat een voet zich bezeert aan een steen op de weg of het pad. Met de beperkte vervoermiddelen in de Oudheid, is een kwetsuur aan voet of been een ramp (Ps. 91:12).

e.De voet dient ook voor het aangeven van een maat of hoeveelheid (Deut. 2:5; Hand. 7:5). Vergelijk de uitdrukking in onze taal: ‘Iemand wijkt geen voetbreed’.

f.De voeten van afgodsbeelden zijn door mensenhanden gemaakt en kunnen daarom niet lopen. Het zijn nepvoeten, omdat het om nepgo-den gaat. Wie daarvoor buigt is een dwaas. Met zulke voeten spotten de bijbelschrijvers (Ps. 115:7; Wijsh. 15:15).

Beeldspraak en symboliek

a.Hoewel de mens niet altijd samenvalt met zijn voet, overdrijven we niet als we stellen dat de voet veelal de mens vertegenwoordigt. Als we lezen dat de voeten in de stad komen, komt de mens in de stad (1 Kon. 14:12). De voet is tot op zekere hoogte de mens zelf. Dat wil zeggen, de mens in zijn gedrag, in zijn handelen, de mens op zijn levensweg. Tal van voorbeelden vinden we in de bijbel. Enkele daarvan laten we de revue passeren:

Voeten die afwijken van de weg: de mens die de Tora en dus God ontrouw is. De psalmist zingt dat de geloofsgemeenschap trouw is gebleven aan de geboden van de Heer (Ps. 44:19; vgl. Job 31:7).

Voeten die heil brengen: de mens die het goede uitdraagt, hetzij in woord, hetzij in actie. Zulke voeten behoren de vreugdebode toe, die als het ware voor de terugkerende ballingen uit loopt en het goede nieuws van herstel verkondigt (Jes. 52:7; vgl. Rom. 10:15).

Voeten die vertrappen: de mens, vaak een collectief, die een medemens lichamelijk of geestelijk kapotmaakt, vernedert. De zanger van Psalm 56 roept God in wanhoop aan vanwege de voeten die hem de hele dag treffen (vgl. Klaagl. 3:34).

Voeten die wankelen: de mens die, veelal figuurlijk, niet staande kan blijven. Voor de psalmist is het een bron van inspiratie dat de rechtvaardige uiteindelijk stand zal houden, omdat deze de Tora van God in zijn hart draagt (Ps. 37:31; vgl. 121:3).

Voeten die uitglijden of struikelen: de mens die op een doodlopende weg verkeert. Soms glijdt hij uit door eigen dwaasheid, soms zijn het anderen die hem doen struikelen. In het rots- en steenachtige landschap van Israël is het uitglijden en struikelen een vertrouwd beeld. De dichter van Psalm 73 erkent dat hij op een dag bijna zijn leven te grabbel had gegooid, vanwege zijn twijfel aan de goedheid van God. Nog net was hij niet ingestort (vs. 2; vgl. 39:17). Voeten die zich stoten: de mens wiens leven wordt bedreigd. Het bestaan is omringd door velerlei gevaren. Het komt erop aan wegen te vinden waarop geen stenen liggen waaraan de mens zich stoot. Zo’n weg kan het geloof zijn waaruit vertrouwen spreekt in Gods bescherming, het kan de wijsheid zijn die inzicht geeft (Ps. 91:12; Spr. 3:23).

Voeten die verstrikt raken: de mens die met de dood wordt bedreigd. Het beeld is ontleend aan de jacht, waar jagers het dier opjagen in de richting van de valkuil of het net. Voor de psalmist is het een teken van hoop dat machthebbers die netten spannen voor onschuldigen, ooit daarin zelf verstrikt zullen raken. Wie een kuil graaft voor een ander… (Ps. 9:16; vgl. 57:7). Voeten die stään: de mens die bereid is een opdracht op zich te nemen, of die zich opent voor de Eeuwige, of de mens met de houding van diep ontzag. Ezechiël wordt door de hemel toegeroepen: ‘Mensenkind, sta op uw voeten’. De profeet geeft aan de oproep gehoor. Aldus toont hij bereidheid de goddelijke opdracht te aanvaarden (Ez. 2:1-2; vgl. Ps. 122:2).

Voeten die naar het kwade lopen: de mens die het kwaad omarmt en doet. Voor deze mens is geen toekomst, zegt de profeet, en bovendien bedreigt deze mens de toekomst van anderen (Jes. 59:7; vgl. Spr. 7:11).

Voeten die een effen pad inslaan: de mens die zich houdt aan Gods geboden. De wijsheidsleraar roept zijn leerlingen op zich in hun doen en laten op Gods wijsheid af te stemmen (Spr. 4:26; Ps. 26:12). In deze lijn vertegenwoordigen voeten op de weg van de vrede de vredelievende mens (Luc. 1:79).

Voeten die zich opheffen: de mens die heerst, macht heeft, zich laat gelden. Deze eigenschap kent de farao toe aan Jozef; deze, ooit als slaaf verkocht, zal nu heersen over Egypte (Gen. 41:44). Jozef sprak eens in ‘heersende’ termen tot zijn broers, als reactie hierop werd hij vernederd door de broers en kwam hij als nederige slaaf in Egypte (Gen. 37). In ‘lichaamstaal’ geeft de auteur die wisselingen van hoog-laag, laag-hoog kleurrijk weer (39:4, 20). Nu heeft farao hem ongekende macht gegeven. Jozefs broers vallen bij hun bezoek aan Egypte nederig voor deze hooggeplaatste (42:6).

Voeten die snellen als hinden: de mens die vitaal en levenslustig zijn weg gaat. Dat is de ervaring van Habakuk, die zich gedragen weet door God (3:19).

Een voet zijn voor… : een mens die het tekort van de ander aanvult met zijn eigen tegoed. Het is de eigenschap van de rechtvaardige om eigen rijkdom te vermengen met de armoede van de arme. Zo spreekt Job over zichzelf en daarom begrijpt hij niet waarom hij moet lijden (29:15). Voetstappen die vervuld zijn van… : de mens die ergens vol van is. In die zin spreekt de dichter over de koning, die overeenkomstig de Tora zijn macht in dienst van de gerechtigheid stelt (Ps. 85:14).

b.Wie onder de voeten van iemand zit of ligt, wordt door die persoon overheerst, vernederd. Zie ook de bespreking van ‘voetbank’ en ‘knie’. Dit beeld is ontleend aan het ritueel van de overwinnaar die zijn voeten zet op de nek van de zojuist overwonnen vijand. Het vertrouwen dat God de volken onder de voeten van Israël brengt, is beeldspraak voor het eind van de vijandschap jegens Israël (Ps. 47:4). Ongeveer dezelfde gedachte treffen we aan in de belofte, dat elke plaats die Israëls voetzool betreedt in het nieuwe land, eigendom van Israël wordt (Joz. 1:3). Een van de psalmdichters laat zich lyrisch uit over de grootheid van de door God geschapen mens; alles heeft God onder de voeten van de mens gelegd (8:7). God heeft de mens macht gegeven over veel. De kritische vraag is alleen, hoe hij deze macht aanwendt. Eeuwen later past de apostel dezelfde beeldspraak toe op Christus, aan wie alles en ieder onderworpen is (Ef. 1:22). Christus is in zijn liefde heerser over al het geschapene. Meer dan eens leggen mensen zieken voor de voeten van Jezus en de apostelen (Mat. 15:30; Hand. 4:35). Deze hulpelozen worden toevertrouwd aan de macht van Jezus en zijn volgelingen, vanuit het vertrouwen dat zij die macht in naam van God aanwenden om te helen.

c.In het verlengde hiervan ligt de symboliek van de een die het stof van de voeten van de ander likt. God belooft de ballingen terugkeer naar en herstel van het land. Deze belofte giet de profeet in het beeld van de koningen die het stof van Israëls voeten likken (Jes. 49:23). Met andere woorden, de koningen zullen zich vernederen en Israël zal verhoogd worden. Positiever gezegd: de volkeren zullen Gods volk eerbiedigen in plaats van het te kleineren. Een gelijke belofte voor de onderdrukten klinkt in Micha (7:17; vgl. Ps. 72:9). In het Nieuwe Testament lezen we over het afschudden van het stof der voeten (Mar. 6:11; Hand. 13:51). Tot dat gebaar gaan de brengers van het goede nieuws over, als de hoorders de boodschap niet willen aannemen. Dit gebaar symboliseert het loslaten van de plaats waar men met de boodschap komt en tegelijkertijd fungeert het gebaar als een aanklacht, een vorm van gericht.

d.Wat van de menselijk voet gezegd wordt, wordt mutatis mutandis op God geprojecteerd. De mens, ook de bijbelse mens, kan niet anders dan hetgeen hij ervaart in de zichtbare wereld te verwerken in zijn spreken over God. Nahum beschrijft de grootheid van de Eeuwige door de wolken te zien als het stof van Gods voeten (1:3). Mozes ziet onder Gods voeten een plaveisel van lazuur, zo helder als de hemel, wat God als de transcendente heerser symboliseert, de zichtbare Onzichtbare (Ex. 24:10). Hij is zichtbaar en tegelijk verborgen (Ps. 18:10). Waar de voeten van de Heer op rusten, duidt hetgeen waarover Hij heerst of waar Hij verblijft. Ezechiël spreekt over de tempel als plaats van Gods voetzolen; daar troont Hij en rusten zijn voeten (43:7). Andersom geldt evenzeer: de plaats van Gods voeten zal een plaats van heerlijkheid zijn, wat voor Jeruzalem bron van hoop is (Jes. 60:13-14).

e.De beeldspraak van de voet, samen met de stap die de voet zet en het spoor dat hij achterlaat, wordt door de Spreukendichter voornamelijk geplaatst in het kader van de tegenstelling wijsheid-dwaasheid. De wijsheidsleraar waarschuwt de leerling zijn voet niet op het pad van de goddeloze te zetten, die hun voeten doen snellen naar het kwaad (1:15-16). Het pad is de levenswijze, het gedrag; de voet staat voor de beweging van het mensenhart, de keuze die hij maakt. Wie echter de weg van de wijsheid gaat, zal zijn voet niet stoten. Deze weg is veilig en biedt echt leven; de weg van de dwaasheid loopt dood (3:23; 4:12, 26-27). Zulke voeten heeft de vreemde vrouw, symbool van dwaasheid; haar voeten leiden naar de dood (5:5; 6:28; 7:11). De mens die de wijsheid liefheeft, blijve ver van haar. De Heer hekelt voeten die snellen naar het kwaad (6:18), dat is de mens die zich zeer sterk op het slechte richt. Binnen de wijsheid past noch de trage noch de overhaaste voet: de eerste komt tot niets en draagt geen verantwoordelijkheid voor het leven (6:13); de tweede veroorzaakt vaak misstappen (19:2; vgl. 30:29). Met de zwikkende voet vergelijkt de dichter iemand die in tijden van nood niet te vertrouwen is. Degene die op hem wil terugvallen, struikelt (25:19). De afgehakte voet staat voor de mens die een boodschap laat overbrengen door een dwaas; de boodschap gaat verloren of wordt verkeerd overgebracht; verminking van het doel van de zender is het gevolg (26:6). f Het wassen van de voeten is niet louter een zaak van hygiëne. Nog meer symboliseert deze handeling de gastvrijheid waarmee de gastheer of -vrouw de bezoeker verwelkomt. Daarmee hangt samen de symboliek van het dienen, aangezien de voetwassing in de bijbelse tijd vooral tot de taken van de (laagste) knecht behoort. Tegen die achtergrond spreekt het verhaal waarin Jezus de voeten van zijn leerlingen wast duidelijke taal (Joh. 13:1-20). Jezus is gekomen om te dienen en dit dienen veronderstelt de intentie de minste te willen zijn. Jezus speelt dit heilige spel om de leerlingen te stimuleren met dezelfde intentie de wereld in te gaan. Vergelijk Lucas 7:38-46 en 1 Timoteüs 5:10.

g.De voetstap of het voetspoor is de weg die iemand gaat of is gegaan. De voetstap vertegenwoordigt degene die hem heeft gezet. In enkele godsdiensten vormen de voetafdrukken van de godheid zelfs voorwerpen van verering; gelovigen zien in die afdrukken de tegenwoordigheid van de godheid. De voetsporen van Israëls God in de zee, zijn daden, worden niet herkend (Ps. 77:20). Dat houdt in dat Hij de Onnavolgbare, de Heilige is. Hij is er, maar laat zich niet annexeren. De koning klaagt bij God dat vijanden zijn voetsporen smaden (89:52); mogelijk doelt hij op zijn wegvoering door de overwinnaar. Wanneer de voetsporen van iemand zijn verdwenen, dan is die persoon vergeten, weggevaagd. Dat overkomt uiteindelijk de hoogmoedigen (Sir. 10:16). De klaagzanger horen we zingen van de vijand, die het volk bij elke voetstap belaagt (Klaagl. 4:18); bij alles wat het volk doet, is er dreiging. Job doet verwoede pogingen zijn onschuld aan te tonen. Hij beroept zich op Gods alziendheid, waardoor Hij weet heeft van al Jobs schreden en stappen (31:4). Hij begrijpt niets van zijn lijden, omdat hij altijd zijn voetstappen heeft laten sporen met Gods voetstappen; hij bedoelt: ik heb Gods wil gedaan, zijn geboden nagevolgd (23:11; vgl. Ps. 17:11). Jobs voetstappen symboliseren zijn wijze van leven. Voetstappen die niet wijken van Gods pad, verwijzen naar de mens die Gods Tora onderhoudt (Ps. 44:19). In de apostolische brieven is het betreden van iemands voetspoor gelijk aan het volgen van hem. In het voetspoor van Christus treden is doen en spreken zoals Christus heeft gedaan (Rom. 4:12; 2 Kor. 12:18). h. In twee Genesis-verhalen speelt de hiel een in het oog springende rol.

Allereerst is daar het verhaal van de mens die, verleid door de slang, als God wil zijn. God roept beiden ter verantwoording over hun gedrag. God kondigt de strijd aan tussen de slang en de vrouw, een strijd tussen kop en hiel. De kop van de eerste en de hiel van de tweede zal worden vermorzeld (Gen. 3:15). De slang symboliseert het kwaad, de vrouw de mensheid. De mens verkeert in een voortdurende spanning rond de keuzes waarvoor hij zich geplaatst weet. De mens wordt bedreigd op een kwetsbare plaats, namelijk de hiel. De keuze voor het kwaad brengt een vermorzelde hiel teweeg, wat een zware, moeizame levensweg betekent.

De tweede tekst, de geboorte van Esau en Jakob, vertelt dat Jakob bij de geboorte zijn broer bij de hiel vastgrijpt (25:26). Deze gebeurtenis staat niet op zichzelf. Tijdens de zwangerschap botsen de twee tegen elkaar in de baarmoeder (vs. 22). De auteur wil laten zien dat er vanaf het begin rivaliteit bestaat tussen Esau en Jakob, tussen Edom en Israël, tussen de eerste en de laatste. Nu, bij de geboorte grijpt Jakob de hiel van zijn broer. Dit gebaar symboliseert hun onderlinge verhouding. De lezer houdt zijn hart vast bij het horen van de greep naar de hiel, de kwetsbaarste plek van de mens onderweg. Hoe loopt dat af? Bildad spreekt zijn vriend Job toe over de ondergang van de goddeloze (Job 18:7-11). Hij beschrijft met het beeld van de jacht de voeten, het lopen, de schreden, de hiel en het pad van de goddeloze mens. Zijn conclusie luidt: deze mens houdt geen stand, hij raakt verstrikt en gevangen in eigen klem, net en valkuil. Met andere woorden, zijn voorspoed is tijdelijk, als een boemerang komen zijn wandaden als een mokerslag op zijn eigen hoofd neer. Wie de hiel tegen iemand opheft, vertrapt deze persoon, trapt hem na. Dat overkomt de psalmdichter, als de man met wie hij in vrede leeft – een vriend – zijn hiel tegen hem groot maakt (Ps. 41:10; vgl. 56:2-3). Hij voelt zich daardoor enorm vernederd en in de steek gelaten. Jezus haalt deze tekst aan, verwijzend naar het verraad van een van de discipelen (Joh. 13:18). Ook Hij doet straks die vreselijk ervaring op, geraakt te worden in zijn kwetsbaarheid. Als de bijbelschrijvers spreken over het ontbloten van de hiel, is dat een eufemisme voor het verkrachten van iemand. Aldus spreekt Jeremia in naam van de Heer tot Jeruzalem, dat hier als overspelige vrouw wordt voorgesteld (13:22). Hoewel letterlijke verkrachting door de Babyloniërs niet is uitgesloten, moeten we vooral aan overdrachtelijke verkrachting denken: schande zal Israëls deel zijn. i. De beschrijvingen van verlamden en kreupelen zijn in het algemeen meer dan verhalen van ziekte en genezing. De verlamde die wordt opgericht heeft een bredere dan de louter feitelijke betekenis. De mens die zich niet kan bewegen, symboliseert een mens of groep die niet meer vooruitkomt. Hij heeft geen moed meer. Is speelbal van bewegende krachten om hem heen. In die situatie breekt de vernieuwende kracht van Christus door, waardoor mensen en groepen weer in beweging komen. Veelzeggend zijn de contrasten in de verhalen van de verlamde mens. De beginsituatie wordt gekenmerkt door de werkwoorden liggen en zitten, de eindsituatie toont de tegenovergestelde werkwoorden opstaan, staan en gaan. Het moment van omkeer breekt aan bij het verschijnen van Jezus’ bevrijdende woorden en daden (zie Mar. 2:1-12; Joh. 5:1-16; Hand. 3:1-11; 14:8-10). Zeer sterk komt dat contrast naar voren in het voorlaatste verhaal: de zittende en liggende man zien we aan het slot staan, springen, en heen en weer lopen. De mens op de matras verandert in de matras op de mens (Mat. 9:6; Mar. 2:12). Het gebeurt tijdens het opgaan van Petrus en Johannes naar de tempel; de eredienst begint als het ware op straat, bij de poorten van de tempel. Liturgie met als kern de beweging! Overigens vinden de genezingen van verlamden vaak in en nabij een ‘huis’ plaats.

Verwijzen deze huizen naar de tempel, naar de ontmoeting tussen de hemel en aarde? Ook de reacties van de omstanders nodigt uit tot verdere beschouwingen. Bij elke tekst over een verlamde mens dienen we te vragen naar de symboliek ervan. Juist door de symboliek te herkennen, krijgt het verhaal actuele betekenis.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 18; 25; 37; 40; 41; 51; 56; 73; 89; 91; 116; 121; 132; 143; Gezang 17; 32; 126; 136; 194; 199; 214; 244; 326; 359; 427; 473; 491; Alles II: 19; IV: 36; Bijbel II: 74; Evangelie I: 33; III: 15; Gezegend: 41; 52; 67; 74; 109; Hoop: 42; 83; 98; 99; Land: 42; Liederen: 10; 44; 45; Liefde: 47; 54; Zingend I-II: 38; Zolang: 53 (= Gezangen: 831; Liturgie: 484).

b.Poëzie:

Remco Campert, Dichter, Amsterdam 1995, blz. 187: ‘Gaan’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 411: ‘De gestorvene’. J.P. Guépin, Gedichten, Amsterdam 1984, blz. 148: ‘De voet’. Virginia Hamilton Adair, Gedichten, Baarn 1996, blz. 36-37: ‘De Tocht’. Gerrit Kouwenaar, Gedichten 1948-1978, Amsterdam 1982, blz. 273: ‘de aarde makende voet…’. Lidy van Marissing, Ontcijferende de gezichten, Amsterdam 1996, blz. 25: ‘de voeten’. Gabriël Smit, Gedichten, Bilthoven 1975, blz. 247: ‘Psalm

121’.

c.Verwerking:

De voet bevat een rijkdom aan levens- en geloofsthema’s. We kunnen denken aan de symboliek van de weg, aan de wisseling tussen hoog en laag en tussen verhoging en vernedering, aan macht die uitbuit en macht die dient, aan eerbiedigen en kleineren. Het valt niet moeilijk om vanuit hedendaags gebruiken rond de voet verbindingen met de bijbelse beeldspraak en symboliek te leggen. Vanuit het sacrament van de voetwassing, zoals dat in enkele kerken wordt gevierd op Witte Donderdag, kunnen we menig aspect van de voetsymboliek ter sprake brengen.

Verwijzing

Tot de onmiddellijke omgeving van de voet behoren ‘voetbank‘, ‘knie‘ en ‘schoen‘. Daarnaast zijn er raakvlakken met ‘lichaam‘, ‘rug‘ (nek, hals), ‘weg‘ en ‘hand‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken