Menu

Premium

Wonder, teken

Geloofstaal & cultuurtaal

Over wonderen spreken christenen met name daar, waar zij aan het handelen en ingrijpen van God denken. Zo hebben zij de Bijbel leren lezen. Bij de schepping spreekt God telkens weer en het ontstaat. De geloofstaal van Psalm 33:9 werd overgenomen: ‘Want Hij sprak en het was er; Hij gebood en het stond er’. De wonderen in verband met de uittocht uit Egypte zijn velen bekend. Toch zijn het met name de wonderen van Jezus die aan het geloof inhoud en diepte verlenen, en dan vooral het wonder bij uitstek: de opstanding van Jezus. Deze bijbelse achtergrond is de basis voor het geloof dat God met de macht van zijn liefde ook vandaag in ons leven kan en wil ingrijpen. Dit geloof leidt ook naar het gebed en bewaart het voor verstarring en inzinking.

Voor velen is er in de moderne wereld met zijn wetenschappelijke benadering en gesloten wereldbeeld geen plaats voor het wonder, ook al leidt het natuurwetenschappelijk onderzoek steeds weer tot het inzicht dat elk antwoord weer vele nieuwe vragen opwerpt en voor steeds nieuwe wonderbaarlijke geheimen stelt. Toch plaatsen velen achter de rationele verklaarbaarheid van alle dingen, eens algemeen aanvaarde overtuiging, opnieuw vraagtekens. Aanvaarding van het irrationele en openheid voor het paranormale horen eveneens tot de cultuur van onze dagen. De kilheid van het rationele denken drijft velen met name in noodsituaties in de armen van alle mogelijke soorten wonderdoeners. In de niet-wetenschappelijke beleving heeft het wonderbaarlijke verder een vaste plaats. De taal als spiegel van de cultuur bevestigt dat. Men spreekt over wondergewassen, wonderbronnen, wondergenezingen, wonderzalf en wonderaarde. Men ervaart het als een wonder, wanneer iemand na een aardbeving nog na vijf dagen uit de puin gered is. Vele gesprekken eindigen ook vandaag nog met de zin: ‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit’, en dan met de ondertoon: gelukkig maar!

Woorden

Het meest gebruikte woord in het Oude Testament dat wij met ‘wonder’ vertalen, is nifla-ot (Grieks: thaumasia), hetgeen betekent ‘daden die verwondering of verbazing wekken’. Behalve in Matteüs 21:15 wordt het in het Nieuwe Testament niet overgenomen. Terwijl nifiaot (‘wonderen’) doorgaans een bevrijdende betekenis hebben, doelt het woord mofeet (Grieks: teras) in vele gevallen op straffende wonderen, de keerzijde van Gods verlossend handelen. We komen het in het Nieuwe Testament eveneens tegen. Daarnaast is talloze keren van ‘tekenen’ (otot/ sèmeia) sprake, doorgaans in verbinding met mofeet/teras, ‘wonder’. Ten slotte worden wonderen herhaaldelijk en in beide Testamenten aangeduid als macht (chajil/ dunamis).

Betekenis in contekst

Oude Testament

Daden van God waarover Israël zich verwondert Bij het spreken over wonderen wordt met name aan de uitwerking daarvan op het bewustzijn van de mensen gedacht en daarmee aan hun reactie. De aanduiding van wonderen als verbazingwekkende daden van God komen we in de historische berichten daarover nauwelijks tegen; ze hoort veeleer thuis in de verwonderde reactie, zoals we die in vele psalmen en in het boek Job tegenkomen. Daarin verwoordt Israël of de individuele gelovige zijn verwondering over Gods handelen in verband met de schepping (Ps. 136:4; 139:14; Job 37:14), Gods grootheid tegenover de goden (Ps. 86:10; 89:6; 96:3), persoonlijke uitredding (Ps. 9:1; 26:7; 107:8 enz.), de wet (Ps. 119:18), Gods Koninkrijk (Ps. 145:5) en uiteraard ook de uittocht uit Egypte (Ps. 105:2, 5; 106:7, 22; 111:4).

Het wonder van de uittocht

Wonderen zijn met name daden Gods ter bevrijding. De Schepper treedt op als Verlosser. Dit spreken over wonderen heeft dan ook heel duidelijk een concentratiepunt in het gebeuren rondom de uittocht uit Egypte en de inbezitneming van Kanaän. In verband met deze bevrijding wordt ook enkele keren het woord ‘kracht’ gebruikt (Ex. 9:16; Deut. 3:24). De optiek kan weliswaar verschillend zijn en in verband daarmee ook het woordgebruik. Wordt over wonderen als mofetiem/ terata gesproken, dan richt zich het machtig optreden van God tegen de machtigen op aarde, die als brute verdrukkers optreden. In die zin wordt in Exodus over de wonderen verhaald waarmee Mozes in naam van God tegen de Farao optreedt (Ex. 4:21; 7:3, 9; n:9v). Terugziende op die tijd lezen we in Deutero-nomium 4:34 zelfs van tekenen, wonderen en strijd, sterke hand, uitgestrekte arm en grote verschrikkingen, in 1 Kronieken 16:12 (= Ps. 105:5) over verbazingwekkende daden, wonderen en oordelen, in Nehemia 9:10 over ‘tekenen en wonderen, gedaan aan Farao’. Vooral de combinatie van tekenen en wonderen is typerend voor de taal waarin Gods handelen rondom de uittocht telkens weer in herinnering wordt gebracht. Dat geldt vooral voor Deuteronomium (bijv. 6:22; 7:19; 11:3), maar we komen deze combinatie in deze zin ook in enkele psalmen tegen (Ps. 78:43; 135:9). De ene keer neemt de geloofstaal de vorm aan van aanbidding van het wonderbaarlijke handelen van God; zo in tal van psalmen. In andere gevallen is het de taal van overwinning waarmee deze wonderen bezongen worden, zo met name bij de herinnering aan de uitredding uit de slavernij in Egypte.

Bevestiging van het spreken van God

Daarbij past dan ook het spreken over – zichtbare en schrikwekkende – tekenen (alleen al in Exodus 4 niet minder dan zes keer en daarna herhaaldelijk). De heidense overheersers zijn met woorden alleen niet te bereiken en tot omkeer te brengen. Toch beperkt zich het spreken over tekenen niet tot het gebeuren rondom de uittocht met zijn oordeel over Egypte. Sinds de schepping (Gen. 4:15; 9:8-13), maar ook in Israëls geschiedenis (Ri. 6:17; 1 Sam. 10:1-7) richt God tekenen op als zichtbare bevestiging van zijn Woord. Zo wordt ook de latere heilsprofetie (bijv. in Jes. 11:12; 19:19-22; 37:30; 38:7; 55:13) door tekenen begeleid; maar ook in een tekst als Joël 2:30, waar het eindoordeel van God aangekondigd wordt, lezen we ‘Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen’, dus ook daar weer tekenen en wonderen. Het Nieuwe Testament zal zich daarbij aansluiten.

Nieuwe Testament

Wonderen in het optreden vanJezus

Het is kenmerkend voor alle vier de evangelisten dat zij niet alleen steeds weer over Jezus’ prediking berichten, maar in nauw verband daarmee ook over tal van wonderen. Maar ookkorte samenvattingen (Mat. 4:23; Mar. 1:39; Luc. 9:11) bevestigen dat. In deze wonderen richt Jezus Zich met de grenzeloze en goddelijke macht van de liefde tot mensen in hun aards bestaan, dat in menig opzicht bedreigd is. Dat blijkt duidelijk in de zogenaamde genezingswonderen: verlamden, blinden, melaatsen, doofstommen en door duistere macht bezetenen ervaren de liefde Gods in hun genezing. Dat de gehele menselijke existentie in deze machtige liefde opgenomen is, blijkt uit de combinatie van genezing en vergeving (Mar. 2:1-12). Dat deze macht alle perken doorbreekt, tonen drie berichten over de opwekking van doden (Mar. 5:21-43; Luc. 7:1117; Joh. 11:1-44). In de eerste twee gevallen staat de deernis van Jezus met een bedroefde weduwe of een gezin op de voorgrond; bij Lazarus wil het bericht verstaan worden in het licht van de definitieve overwinning op de dood. Ook zogenaamde natuurwonderen zijn daden van bemoediging (zie Luc. 5:1-11) en hulp, met een draagwijdte die veel verder gaat dan hetgeen expliciet verteld wordt; zie de bewaring in de storm (Mat. 8:23-27), de bruiloft te Kana (Joh. 2:1-11) en de spijziging van vijfduizend of vierduizend mensen (Mar. 6:35-44; 8:1-10; zie ook Joh. 6:1-15).

Veelzeggende details

Van bijzonder belang is de vraag, op welke wijze de daden van Jezus aangeduid worden. Wij noemen ze ‘wonderen’; maar in vele gevallen wordt, evenals in het Oude Testament, zonder gebruik van enige verdere term gewoon verteld wat er gebeurd is. Toch zijn er tal van veelzeggende details te noemen. (1) In de evangeliën worden de wonderen (afgezien van Mat. 21:15) nergens aangeduid als verbazingwekkende daden die verwondering oproepen (thaumasia). Dat heeft wellicht te maken met het feit dat anders dan in het Oude Testament de reactie daarop niet wordt weergegeven in de vorm van een lofzang; in plaats daarvan wordt de verbaasde reactie van aanwezigen vertellenderwijze vermeld (bijv. in Mar. 1:27; 2:12; 4:41; 5:20; 7:37).

(2) In de eerste drie evangeliën worden de wonderdaden van Jezus nooit ‘tekenen en wonderen’ genoemd. Zo wordt alleen gesproken in verband met valse profeten en messiasgestalten (Mat. 24:24; Mar. 13:22). Beide uitdrukkingen werden in die tijd blijkbaar met magische, tegengoddelijke en dus antichristelijke handelingen verbonden. Bij ‘tekenen’ denken deze evangelisten ook aan de bewijzen voor goddelijke volmacht die herhaaldelijk van Jezus gevraagd werden. Op die vijandelijke eis ging Jezus niet in (Mat. 12:38v; 16:1-4 en par.). Anders ligt het bij Johannes. Doorgaans duidt hij de wonderdaden van Jezus als ‘tekenen’ aan (zie Joh. 2:11, 23; 3:2; 4:54; 6:2; 11:47; 20:30). Toch ontbreken ook bij hem kritische woorden niet. Jezus’ daden zijn weliswaar tekenen dat het heil Gods in Jezus Christus doorgebroken is. Ze worden echter vaak niet als zodanig onderkend (6:26); tekenen golden eerder als voorwaarde om Hem te geloven (6:30) of zelfs als bewijs van zijn bevoegdheid (2:18). Alles hangt dus af van de vraag waaraan men bij ‘tekenen en wonderen’ denkt.

(3) Daarom kan dezelfde Lucas, die in zijn evangelie (naar het voorbeeld van Marcus) deze uitdrukking consequent mijdt, in het boek Handelingen keer op keer heel positief over ‘tekenen en wonderen’ spreken: van Jezus (2:22; 4:30), van Mozes (7:36) en van de apostelen (2:43; 5:12; 6:8; 14:3 en 15:12). In twee gevallen wordt in verband met de daden van Jezus (2:22) of ook van Stefanus (6:8) zelfs over ‘krachten, wonderen en tekenen’ gesproken. Dit zal samenhangen met de nieuwe, door Pinksteren bepaalde tijd. Hoeft men nu niet meer bang te zijn voor misvattingen?

(4) Ten slotte: in de synoptische evangeliënwordt in verband met de wonderen van Jezus consequent over ‘krachten’ gesproken (bijv. Mar. 5:30; 6:2, 5, 14). ‘Thans/binnenkort breekt het Koninkrijk Gods met kracht door (Mar. 9:1), want van Hem is het Koninkrijk en de kracht… ‘ Zo wordt de laatste openbaring van Gods kracht ingeluid (Mar. 12:24; 13:26; Luc. 4:14, 36; 5:17; 6:19). Daarin wordt de lijn van het Oude Testament doorgetrokken: het evangelie van Jezus Christus in het perspectief van de uittocht uit Egypte.

De opstanding vanJezus

Het wonder van de opstanding van Jezus wordt door alle evangelisten verteld en vormt in de apostolische prediking de kern van het christelijk geloof (Hand. 2:32; 3:15; 17:317 24:21; 26:22-26; zie ook 1 Kor. 15:14; Rom. 8:34). Toch was de opstanding van Jezus volgens de eerste getuigen zo onvoorstelbaar en ongehoord, dat alleen de ontmoetingen met de Opgestane hen konden overtuigen (Luc. 24:11, 17-27; Joh. 20:15v, 19, 26-28).

Wonderen in de apostolische brieven

In de apostolische brieven worden geen wonderen doorverteld; wel echter drukken de wonderen van Jezus hun stempel op het optreden en de dienst der apostelen (Rom. 15:19 en Hebr. 2:4), in overeenstemming met de toezegging van Jezus dat Hij hun dienst zou begeleiden met ‘navolgende tekenen’ in de vorm van allerlei wonderen (Mar. 16:1720). Maar meer dan dat alles is het evangelie zelf ‘een kracht Gods tot behoud voor een ieder, die gelooft’ (Rom. 1:16). Verder heeft ook Paulus de ervaring dat de joden tekenen zoeken en daardoor geen toegang hebben tot de kracht Gods, die juist met de gekruizigde Christus verbonden is (1 Kor. 1:22v). Van de antichrist weet hij (of degene die namens hem deze brief heeft geschreven) te zeggen dat hij ‘met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen’ komt (2 Tess. 2:9; vgl. Mar. 13:22). Daar is dan weer de rode draad, die door de Bijbel heen herkenbaar is vanaf Exodus 7:22 en 8:7, 18 via Marcus 13:22 naar dit (mogelijkerwijs late) getuigenis uit de tijd der apostelen. Maar al hun tekenen zullen een abrupt einde vinden wanneer het einde aanbreekt; ‘dan zal, naar het woord van Jezus, het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel’ (Mat. 24:30).

Kern

Voor een juiste inschatting van wat de Bijbel met het spreken over wonderen bedoelt, is beslissend dat wij ons door het bijbels denken over God en zijn handelen laten leiden. Als de Schepper staat God boven zijn schepping, maar het is vanwege zijn liefde, trouw en gerechtigheid, dat Hij reddend dan wel straffend ingrijpt. De Bijbel kent wel degelijk wetmatigheden in de natuur (Jes. 55:10; Mar. 4:26-29; Luc. 12:54v), maar stelt nergens de vraag op welke weg God zijn wondermacht volbrengt. Doet Hij dit door gebruik te maken van bestaande wetmatigheden, of op een andere wijze, die uit zijn souvereiniteit voortvloeit en die wij moderne mensen slechts kunnen aanduiden als het doorbreken daarvan? Wie wonderen als de macht van Gods liefde onderkent, vervult de eerste en onmisbare voorwaarde om op zinvolle wijze met alle mogelijke wonderverhalen om te gaan. Zo kan hij ook zelf voor het wonder openstaan en zinvol bidden in de verwachting dat God ‘op wondere wijze’ (ver)hoort en handelt.

Het is ons duidelijk geworden dat er zwaartepunten of concentratiepunten van wonderen aangewezen kunnen worden: in het Oude Testament rondom de uittocht uit Egypte, in het Nieuwe Testament in het optreden van Jezus, waarin woord en daad steeds met elkaar gepaard gaan. En binnen dit laatste iser nog een verdere concentratie: het wonder van de opwekking van Jezus Christus uit de doden. Alles wat van Godswege als evangelie, dat wil zeggen: als blijde boodschap in de wereld verkondigd wordt, staat definitief in het licht van zijn verrijzenis.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: kracht, opstanding, uittocht, verlossing.

Wellicht ook interessant

None

Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja

Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten.

None

Thema: Medische verrassingen in de Bijbel

In de Bijbel staat verrassend veel informatie over gezondheid en ziekte, vanuit het oude testament komen veel regels naar voren om ziekte en de verdere verspreiding van ziekte te voorkomen. Veel van deze regels zijn nog steeds actueel. Van oud-testamentische narcose tot het nut van de reinheidswetten. Tom Mikkers gaat in deze aflevering in gesprek met Alie Hoek-van Kooten die het boek Medische verrassingen in de Bijbel schreef. Zij gaat in het gesprek ook in op de manier waarop mensen in de Bijbelse tijden met ziekte omgingen en welke rol hun geloof daarin speelde. Een nieuwe invalshoek op bekende materie, toegankelijk en verrassend.

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Nieuwe boeken