Menu

Basis

Ze zijn er dus! Zeventig jaar vrouwen in de zending

Wat tref je aan als je zeventig jaargangen van een tijdschrift over interculturele theologie en zending onderzoekt op ‘vrouwen’? Het is een hele reis van jaar naar jaar, van periode naar periode, land naar land, vrouwenbeweging naar vrouwenbeweging. Mooie artikelen, weliswaar met een vaak wat wrange bijsmaak. Vrouwen die werkzaam zijn in het veld van de theologie lijken heel wat te moeten overwinnen.

Mannen blijken de norm en als je als vrouw geen duidelijk voorbeeld hebt van een vrouw die werkzaam is in de theologie, weet je niet waar je heen moet met je verlangens en ambities.

Wanneer er over vrouwen wordt geschreven, gaat het meestal over de vraag of ze wel in het ambt mogen, of ze wel mogen preken of dopen en of hun manier van theologie bedrijven wel net zo goed is. Die vragen komen steeds weer terug. Daarnaast worden er haast als terloops ook andere thema’s aangekaart. Enkele daarvan haal ik in deze bijdrage naar voren.

Het goede voorbeeld

De waarde van het christelijke gezin als steunpunt voor de kerk is aanzienlijk, lees je in de eerste jaargang van De Heerbaan (1948) in een artikel van mej. Chr. Slotemaker de Bruïne over ‘Christelijk gezinswerk in de zending’. Het gezinswerk is belangrijk en wordt gebruikt om de zendingskerken te sterken. Daarbij wordt uitgegaan van het ideale gezin.

In het ideale gezin is er gelijkwaardigheid tussen de seksen, dat is een levensvoorwaarde, schrijft zij. De Kerk moet daarin het goede voorbeeld geven door mannen en vrouwen een gelijk aandeel in het werk te geven. Je leest veel namen van vrouwen die de cursussen geven of ontwikkelen. Ze zijn er dus, die vrouwen in de zending!

Emancipatie in Indonesië

In Heerbaan-jaargang 1950 kom je een mooi artikel tegen van C.B. Rijnders over ‘De medearbeid der vrouw in de Indonesische kerken’. In het Indonesië van 1950 zag je grote verschillen tussen de vrouwen van oudere generaties die niet konden lezen en schrijven en de jongere generaties die volledig onderwijs hadden genoten. De laatste stonden klaar om vooraanstaande leidinggevende posities in te nemen in de maatschappij.

Er waren echter een aantal factoren die hun emancipatie belemmerden. Zij waren gebonden door de adat (culturele overleveringen), door religie of door politiek en ook de kolonisatie.

Nederlanders hadden wel messianistische gedachten bij Indonesië: na de dekolonisatie zagen ze het als een taak om het land te ontwikkelen. Voor de Indonesische vrouwen kwam er toen ruimte en volgens het artikel werden zij steeds belangrijker in de zending.

‘Als de kiem van het Evangelie in haar is gevallen, zal het eigene zich daarin ontplooien. Zij zal in haar eigen taal en op eigen wijze het Evangelie aan haar volksgenoten brengen.’ (De Heerbaan, 1950/III, 255)

Wat Rijnders daarmee wil zeggen, herhaalt zich op verschillende manieren in dit artikel. ‘Blijf eraf met je Westerse denken en laat het in het Oosten’, schrijft ze in reactie op een Japanse uitlating (‘Hoe minder dit onderwerp voor de kerk hier gebracht wordt, hoe beter!’) in een enquête over vrouwen in het ambt uit 1937 onder 1100 zendingskerken.

’Blijf eraf met je Westerse denken en laat het in het Oosten’

En een mooie reactie in diezelfde enquête was een heel andere: in China ontdekten ze dat de houding tegenover de vrouw veranderde door de vrouwelijke evangelisten. Ze hoorden zelden meer dat mannen een tweede vrouw namen en van kindhuwelijken was steeds minder sprake.

Tussen de regels door

Goed beschouwd wordt er in de zendingstijdschriften weinig geschreven over het werk van de vrouwen. Soms een paar zinnen of een alinea, maar geen heel artikel over personen die als vrouw in de zending werken. De van tijd tot tijd terugkerende vraag of vrouwen wel in het ambt mochten, ging meestal spelen in een zendingskerk wanneer het Westen te veel invloed had. Indonesiërs bijvoorbeeld zagen zelf geen principiële gronden tegen vrouwen in het ambt, hoogstens door de adat. Maar ook dat laatste was aan het veranderen. En in China bijvoorbeeld hadden vrouwen hoge leidinggevende functies in de maatschappij. Zij bleken manieren te vinden om in de kerk ook gehoord te worden.

Dansen op de grens van twee werelden. Anthony Nwachukwu (Nigeria), ‘Levensboom’, batik op linnen.

Vrouwen en liturgie

In de artikelen uit de jaren tachtig ligt de nadruk op wat er opbloeit als vrouwen liturgie vieren – zie het artikel ‘Vrouwen vieren Liturgie’ van Annemarie Brugman uit 1986 – of theologie bedrijven. Beschreven wordt hoe bijzonder dat is en ook wat er anders en kenmerkend is als een vrouw de Bijbel leest en uitlegt of pastoraat uitoefent, als ze zoekt naar een nieuwe taal die past bij wat vrouwen ervaren aan theologie, aan liturgie en aan God.

‘Het is alsof er een sterke wind begint te waaien, alsof overal de ogen open gaan, houdingen veranderen, een wind die armen doet strekken voor nieuwe omhelzingen, en de handen om nieuwe werktuigen aan te vatten, een wind die voeten doet bewegen voor nieuwe stappen, de stemmen losmaakt voor haar lied en haar treurzang. De vrouw begint zichzelf te ontdekken als onderwerp van de geschiedenis, ook al zal ze deze uitdrukking niet altijd bezigen. Feit is, dat de geboorte van een nieuw bewustzijn duidelijk wordt door haar activiteit en nieuwe houding t.a.v. de gebeurtenissen van het leven.’ (Wereld en Zending 1987/2, 148)

Dit klinkt als de Heilige Geest aan het werk.

Vrouwelijke religieuzen in Brazilië

In het artikel ‘De vrouw doet Theologie’ van Ivone Gebara uit Wereld en Zending jaargang 1987, lees je over het werk van Braziliaanse vrouwelijke zendelingen die werken onder hun volksgenoten. In de jaren zeventig in Brazilië kwamen er de vrouwelijke religieuzen die leefden in het volk. Ze bedreven theologie door samen te leven, samen te delen en mondeling het geloof en de tradities door te geven.

In de Tambaram Series. Volume IV lezen wij o.a.: ‘Aangezien gelijkwaardigheid der sexen levensvoorwaarde is voor het ideale gezin, moest de Kerk het voorbeeld geven door mannen en vrouwen gelijk aandeel te geven in kerkelijk leven en kerkelijk werk.’

Chr. Slotemaker de Bruïne, ‘Gezinswerk in de Zending’, De Heerbaan, 1948/III, 83

Een aantal van deze vrouwen waren analfabeet maar dat was geen belemmering. Het ging om wijsheid van het leven. Daarmee legden ze bijbelpassages uit, gaven advies en troost.

Het blijkt dat er een ‘voor’ en ‘na’ de vrouwelijke religieuzen is, omdat deze vrouwelijke religieuzen het antwoord waren op het roepen van het volk in armoede. Door de vrouwelijke religieuzen voelden de mensen die in armoede leefden zich verbonden met God door Maria, die dichter bij vrouwen stond en door een Jezus die begrijpelijke woorden sprak. Hun religieuze beleving veranderde door deze vrouwen. Er gebeurt iets als vrouwen theologie doen.

Feministisch-theologische blik

Wat opvalt is een verschuiving toen de feministische theologie opkwam. In de jaren veertig-vijftig was de zending gericht op gezinswerk om de kerken op te bouwen. Daar hoorden de vrouwen bij als deel van het gezin.

In een artikel uit jaargang 1994/2 (33-43) van Wereld en Zending staat een interessant gesprek tussen drie feministische theologen, werkzaam in de missionaire context in het Westen: Trees Versteegen, Ellie Smeekens en Wilma Vogel. Zij spreken over grenzen en de betekenis ervan in de missionaire context en in de feministische context.

Als zendeling ging je ‘naar de armen’. Je ging als buitenstaander, als de ander vanuit een machtspositie: ‘wij helpen jullie’. In de feministische theologie wordt een andere positie ingenomen. De feministische blik op de werkelijkheid loopt via het standpunt en de geschiedenis van vrouwen, waardoor je er zelf deel aan hebt. Als feministisch theoloog (man of vrouw) stap je uit je rol van buitenstaander. Je laat de grenzen ertussen vervagen en zoekt elkaar op als een betrokken bondgenoot. Elk land en elke cultuur heeft een eigen feministische beweging, elk land, elke groep heeft zijn eigen problemen met onrecht. Vrouwen van kleur of vrouwen met een migratieachtergrond hebben een heel andere positie en (gebrek aan) privileges dan witte vrouwen. Hoog opgeleid en laag opgeleid, hoge sociale klasse, lage sociale klasse, rijk en arm: miskenning en geweld blijken overal voor te komen. Het interessante aan dit artikel is dat er ingezoomd wordt op de dagelijkse en herkenbare praktijk van alledag. Over in de bijstand zitten of de overschrijding van lichamelijke grenzen van de vrouw. Alle grenzen die door geweld of onrecht vervagen en de grenzen waar een vrouw tegenaan loopt, alleen omdat ze vrouw is. Maar ook dat de stem van vrouwen luider is geworden, scherper en sterker, in de loop van die vijftig jaar. En nog steeds moeten vrouwen in de zending of missionaire theologen hard werken om zich verstaanbaar te maken. Het draait vooral om publicaties in een theologische wereld die een ‘mannenwereld’ genoemd wordt, waar het volgende citaat uit genoemd artikel op duidt:

‘Een feministisch-Missionaire praktijk is dansen op de grenzen van twee werelden. Of, in termen van de ideologietheorieën: tot verschillende subjecten tegelijkertijd worden aangesproken. Subject vrouw en deelnemer en buitenstaander en arm en rijk en wit en … etc.’ (Wereld en Zending, 1994/2, 43)

’Tot in haar diepste vezels’

Ten slotte is er een editie van TussenRuimte uit 2010 met een themanummer over vrouwen, getiteld: ‘Religie op je lijf geschreven’. De focus ligt op het dagelijks leven van vrouwen: wat ze meemaken aan geweld en onrecht vanwege het gegeven dat ze vrouw zijn.

Er is ruimte gekomen voor vrouwen om die verhalen te delen en herkenning te vinden bij elkaar. Dat zijn de verhalen waar vrouwen mee verder kunnen, waarmee de stilte doorbroken kan worden. Nog een keer zeventig jaar en dan nog eens. Want, zoals Nancy E. Bedford schrijft in haar artikel ‘Een kritische route. Theologische antropologie met het oog op vrouwen’: het beeld van God wordt geweld aangedaan als het lichaam van een vrouw geweld wordt aangedaan – door seksueel misbruik, verbaal geweld, ‘catcalling’ enzovoort. In het klein overkomt het een vrouw een aantal keren per jaar, in het groot helaas te vaak. Zo lang er nog steeds sprake is van gender-ongelijkheid, blijft de maatschappij een fysiek onveilige plek voor vrouwen en moet het steeds weer op de agenda worden gezet.

‘Zij [feministische theologen] wijzen erop dat het geweld tegen vrouwen, ongeacht waar of hoe, nooit ontkend of terzijde geschoven kan worden. Totdat de vreugde en de vrede en de gerechtigheid waarover in het evangelie wordt gesproken, iets wordt dat iedere vrouw tot in haar diepste vezels kan voelen.’ (TussenRuimte 2010|4, 15)

– Renate Japenga is jeugdwerker voor de protestantse kerken in Hilversum en lid van de redactie van TussenRuimte.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken