Zie wat er te zien valt
4e zondag van Pasen (Numeri 27,12-23, Openbaring 7,9-17 en Johannes 10,22-30)
De vierde zondag van Pasen. Je zou denken dat inmiddels alles is gezegd over wie Jezus is. En toch is er telkens weer die vraag: zegt Hij nu over zichzelf dat Hij de Messias, de Christus is? Wat we krijgen, is geen ‘ja’ of ‘nee’, maar iets wat mogelijk een nog veel overtuigender antwoord is. En we worden bemoedigd op onze weg na Pasen door een glimp van de toekomst.
‘Is dat ook goed?’ De leerling citeert zijn eigen vertaling. De docent wil dat hij zelf leert zijn weergave te beoordelen. Samen kijken ze opnieuw naar de originele tekst. Wat staat er eigenlijk precies? Wat is de intentie van de schrijver? Komt de vertaling van de leerling qua woordkeuze en bedoeling hiermee overeen? Veelal verliest de docent de aandacht van de leerling in de loop van het proces. ‘Is het nu wel of niet goed?’ De leerling wil een ja of een nee. Niet per se om zich bij het gezag van de docent neer te leggen, want is het antwoord ‘nee’, dan mag de docent zich voorbereiden op een aantal argumenten van de leerling waarom hij alsnog een puntje moet krijgen. Nieuwsgierigheid om de dingen opnieuw te bekijken zonder het dwingende keurslijf van een ja of een nee is er vaak niet.
Ogen hebbende ziet gij niet
De joden in het Johannesevangelie lijken op deze leerling. ‘Als Jij de Christus bent, zeg het ons dan vrijuit’ (Joh. 10,24). Het is ‘wel Messias’ of ‘niet Messias’. Met een ja of een nee kunnen ze verder. Ze hebben al bedacht hoe ze hierop gaan reageren.
Maar aandachtig kijken, de dingen die er gebeuren tot zich laten doordringen en een plek geven – nee, hoor. Stel je voor, je zou zelf de knoop moeten doorhakken, zelf een standpunt innemen. Hoeveel makkelijker is het om anderen dat te laten doen en vervolgens met kritiek te komen!
‘Ik heb het jullie gezegd,’ stelt Jezus. ‘De daden die Ik verricht in de naam van mijn vader, die getuigen van Mij’ (Joh. 10,25).
Soortgelijke uitspraken van Jezus die zijn discipelen of andere tijdgenoten met klem manen om de betekenis van wat er gebeurt goed in te schatten, bevinden zich ook in andere evangelies. ‘Indien Ik door de vinger Gods de demonen verdrijf, dan is toch het koninkrijk Gods bij u gekomen’ (Luc. 11,20). Als je écht kijkt en beseft wat zich afspeelt, is het dan nog nodig te weten of Jezus wel of niet zei dat Hij de Messias is? Maar waarom zegt Jezus het dan niet gewoon? Stel je begint te twijfelen, je weet opeens niet meer of Jezus het wel is of niet, waar heb je dan meer aan: aan iets waarvan je getuige bent geworden, of aan een ooit door Jezus gedane uitspraak? Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis vroeg: ‘Zijt Gij de Komende of hebben wij een ander te verwachten?’, antwoorde Jezus niet: ‘Ik ben het’, maar: ‘Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet’ (Mat. 11,3-4).
Liefdevol en zorgzaam
‘Gelijk een man met zijn vriend spreekt’ – zeker, er zijn betere vertalingen van Exodus 33,11, maar deze weergave uit de Statenvertaling beschrijft wel heel treffend de manier waarop de Eeuwige in de oudtestamentische lezing met Mozes omgaat: als met een vertrouwde vriend. De Eeuwige noemt weliswaar nog een keer de reden waarom Mozes het volk niet het Beloofde Land in mag leiden, maar dat voelt niet echt als verwijt. En Mozes sputtert dan ook niet tegen. Dit punt van onenigheid, van teleurstelling, van een tijdelijke verstoring van hun relatie hebben zij achter zich gelaten. Mozes heeft de gevolgen aanvaard en de Eeuwige doet nu zijn best om liefdevol en zorgzaam in te gaan op wat Hij als Mozes’ behoefte aanvoelt.
Mozes mag vanuit de Abarim, een bergketen in het huidige Jordanië, een blik werpen op de bestemming van zijn levenstaak: het Beloofde Land. Mozes klampt zich niet vast aan de functie van leider, als de Eeuwige maar een ander aanstelt. En zo geschiedt. Mozes mag zich gewaardeerd weten voor hoe hij invulling heeft gegeven aan zijn taak. De Eeuwige draagt hem op van zijn ‘heerlijkheid’, ‘waardigheid’ of ‘aanzien dat hij geniet’ op Jozua te leggen (Num. 27,20). Deze ‘waardigheid’ schrijven andere delen van de Tenach de koning toe, de Tora uitsluitend hier aan Mozes.
Lofprijs
Aan het einde van de eerste eeuw kon je je als christen wel geïsoleerd voelen in de samenleving. Je hoorde bij een minderheid. Maar de toekomst is een andere: je zult niet alleen voor de troon en het Lam staan, maar in een ontelbare schare (Op. 7,9). De mensen daar dragen witte kleren, de doop heeft hun een status van reinheid gegeven. De palmtakken geven aan: zij zijn overwinnaars. Ze hebben de maatschappelijke tegenwind getrotseerd, vijandelijke reacties, benadelingen, misschien vervolgingen – dit alles ligt achter hen.
Toch zeggen ze niet: ‘Wij hebben overwonnen, wij hebben ons gewassen in het bloed van het Lam, wij hebben volgehouden.’
Maar: ‘Redding komt van onze God en het Lam.’ Natuurlijk, zij hebben zich ingespannen, er werd veel van hen gevraagd, maar uiteindelijk komt het toch allemaal van de Eeuwige. Als de PKN haar visienota Van U is de toekomst noemt, betekent het niet dat kerkleden niet in alle opzichten hun best moeten doen om de toekomst van de kerk in goede banen te leiden. Maar toch komt haar toekomst van de Eeuwige. Laten we lofprijzend uitspellen wat de Eeuwige toekomt, net als de engelen doen: ‘Lofprijs, majesteit, wijsheid, dankzegging, eer, energie en kracht komen onze God toe…’ (Op. 7,12). Het zal ons niet passiever maken, maar wel onze kijk doen veranderen.
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.