< Terug

De jongen met de doek om zijn lijf

Marcus 14:51-52

Er zijn nogal wat exegeten verlegen geweest met twee verzen uit het evangelie volgens Marcus. Het gaat om slechts twee verzen:

Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.
(Marcus 14:51-52 NBV)

Deze gebeurtenis vindt plaats tijdens de arrestatie van Jezus en riep meteen de vraag op: Wie is deze jongen? Die vraag werd des te prangender omdat men breed had aangenomen dat deze twee verzen geen aanwijsbare betekenis hadden in de rest van het evangelie of ook maar enige zinvolle plaats daarin. Of dat waar is valt nog te bezien.

Nu blijven we nog even bij de poging van exegeten om hun vingers achter deze jongen te krijgen. Men kwam er niet zomaar uit en daarom is er door sommigen geopperd dat dit bericht wel een persoonlijk terzijde van Marcus moet zijn geweest. De jongen om wie het gaat zou Marcus zelf zijn toen hij nog jong was. Die gedachte is op zich niet vreemd, omdat we de jongen bij Matteüs, Lucas en Johannes niet tegenkomen. Dat spreekt voor een heel persoonlijk bericht van Marcus.

Maar… dat neemt niet alle problemen weg. Zou de Marcus van het evangelie niet de eerste zijn geweest om te benadrukken: het gaat helemaal niet om mij? Natuurlijk! En dat zou het schrijven van die twee verzen als persoonlijk bericht dan toch weer bedenkelijk maken. Duidelijk mag in ieder geval zijn dat de vraag ‘wie is deze jongen?’, eigenlijk misplaatst is. Marcus heeft het over een jongen (zonder lidwoord) en niet over de jongen of die jongen. Hij blijft anoniem. Daarbij mag aangenomen worden dat hij daar een goede reden voor zal hebben gehad.

Natuurlijk is er gezocht naar het verband van deze verzen met de rest van het evangelie, maar dat leverde niet veel op en wat het opleverde is in mijn ogen niet overtuigend. Een eerste verband is gelegd met de jongeling (hetzelfde Griekse woord is gebruikt) die we later in het evangelie tegenkomen in het lege graf:

Toen ze (de twee Maria’s) het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten.
(Marcus 16:5)

Aardig, die link, maar de enige woordelijke overeenkomst is het Griekse woord voor jongen (Neaniskos). Als er van de jongen in 14:51 slechts wordt gemeld dat hij alleen een linnen kleed aanhad of had omgeslagen, dan is dat nog niet hetzelfde als een in het wit geklede jongen. In 14:51 ontbreekt de ‘kleur’ wit en er staat ook niet dat hij is gekleed. Kan het dezelfde jongen zijn? Ja, maar hier geldt het bezwaar: niemand kan zeggen dat dat niet zo is, maar of het echt wel zo is staat nog steeds niet vast.

Terzijde moet hier nog vermeld dat de idee dat het hier om een engel zou gaan, in Marcus zelf geen enkele grond vindt. We zijn geneigd dat te denken omdat er in de evangeliën van Matteüs en Johannes wel sprake is van een engel. In Johannes zelfs twee.

Maar nogmaals, de ene jongeling hoeft in Marcus nog niet de andere jongeling te zijn. Temeer omdat een van de oude handschriften zegt dat de jongeling in kwestie is belaagd door andere jongelingen.

Er is nog een ander woord dat aan het eind van Marcus in twee verschillende situaties voorkomt: de doek.

Als Jezus gestorven is, is het een zekere Jozef van Arimatea die zorgdraagt voor de begrafenis:

Jozef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde hem in het linnen.
(Marcus 15:46a)

Joost mag weten waarom er in de Nieuwe Bijbelvertaling bij de jongen in 14:51 sprake is van een linnen kleed en in 15:46 van een stuk linnen. In het Grieks staat er namelijk exact hetzelfde woord, namelijk sindoon! In de andere evangeliën is dit woord ook gebruikt als er sprake is van de lijkwade. Maar aangetekend moet wel worden dat hetzelfde woord in een ander verband ook een andere betekenis kan hebben en dat lijkt hier zo te zijn.

De plaats van de verzen in het geheel van het evangelie is in ieder geval niet toevallig. Als Jezus is gearresteerd, lezen we over zijn leerlingen: ‘En zij lieten Hem alleen en vluchtten allen’ (14:50). Er is dan al sprake geweest van geweld. Als Jezus is gegrepen en overmeesterd, lezen we: ‘Een van de omstanders trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af’ (14:46).

In deze context toont het gedrag van de jongen – en zijn verschijning – een groot contrast. Jezus’ directe leerlingen zijn allemaal gevlucht en we komen ze daarna in het evangelie ook niet meer tegen! De jongen echter, zo zegt de vertaling ‘probeerde bij hem te blijven’. Het gebruikte woord (sunakoloutheoo) betekent letterlijk meegaan en staat daarmee in contrast met de vlucht van de leerlingen; ook nog als de jongen alleen maar meeging uit nieuwsgierigheid.

De omgeslagen doek kan duiden op enige haast of een impulsief initiatief, maar het eerste dat je misschien niet als exegeet, maar wel als lezer denkt is: deze jongen is onschuldig. Er is immers geen sprake van een volwassen man, van partijkleding of wapens. Hij is onschuldig en kwetsbaar, maar kende in tegenstelling tot Jezus’ directe leerlingen blijkbaar geen angst. Toch ontkomt ook hij, in de gegeven sfeer die gewelddadig is, niet aan vervolging: ‘zij grepen hem’ (vers 51). Hij weet wel zijn vege lijf te redden als hij de doek achterlaat en naakt wegvlucht. Zijn vervolgers hebben geen greep op hem.

Daarmee is zijn ‘vluchten’ van een andere orde dan dat van de directe leerlingen. De jongen is niet afgehaakt uit angst, hij is ontkomen. Opvallend genoeg kan in het hele verloop van de gebeurtenissen alleen van Jezus gezegd worden dat hij niet is gevlucht – in welke betekenis dan ook.

Als de jongen met de omslagen doek om zijn naakte lijf een metafoor is voor onschuld, dan correspondeert hij met Jezus zelf. Deze wordt immers onschuldig opgepakt en veroordeeld. Een aanklacht moest nog worden verzonnen en de aanklachten die er komen zijn vals (vers 55-57). Pas helemaal aan het einde blijkt ook Jezus als rechtvaardige te ontkomen aan een definitieve dood. Zijn opwekking is te zien als Gods eigen correctie van iets dat niet had mogen gebeuren.

Juist dat kan betekenis hebben gehad voor de eerste lezers van Marcus die leefden onder vervolging. Met het verhaal van de jongen en Jezus voor ogen, hebben zij kunnen denken: wij zijn onschuldig en kwetsbaar, we kunnen gepakt worden, maar de dood heeft niet het laatste woord.

Misschien is het bericht over de anonieme jongen voor de eerste lezers niet meer geweest dan dat: herkenning.

Tot slot

In de geschiedenis van de kunst is de jongen met de doek weinig in beeld gebracht. Onverwacht echter trof ik hem op een uit hout gesneden (altaar)retabel in het Noorse kerkje van Lesja.

Een jongen vlucht naakt weg. Detail retabel (altaarstuk) Lesja-kerk, gesneden door Jakob Bernsveinsson Klukkstad, tussen 1750 en 1766. Noorwegen.
Een jongen vlucht naakt weg. Detail retabel (altaarstuk) Lesja-kerk, gesneden door Jakob Bernsveinsson Klukkstad, tussen 1750 en 1766. Noorwegen.

Het retabel is gemaakt door een zekere Jakob Bernsveinsson Klukkstad, tussen 1750 en 1766 en behoort tot het mooiste van wat de zogeheten volkskunst heeft voorgebracht. We zien de jongen naakt uit beeld wegvluchten, terwijl zijn kleed nog achter hem wordt vastgehouden. Dat laatste is helaas niet sterk in beeld gebracht.

Beeld Een jongen vlucht naakt weg. Detail retabel (altaarstuk) Lesja-kerk, gesneden door Jakob Bernsveinsson Klukkstad, tussen 1750 en 1766. Noorwegen.
Fragment

Hier lijkt de jongen niet echt gegrepen; het lijkt er eerder op dat de vervolger de doek als kledingstuk voor hem ophoudt. Niettemin zal deze verbeelding de toeschouwer (weer) bepalen bij dit onderdeel van het hele lijdensverhaal.

Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar.


< Terug